This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project
to make the world's books discoverable online.
It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and finally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web
at |http : //books . google . com/
•FROMTHE-LIBRARYOF-
-OTTO-BREMER-
Google
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
Leuvensche Bij
EUVENSCHE t)lJDRAGEN
Digitized by VjOOQIC __
Digitized by VjOOQIC
LetiYei)scbe
OP HET GEBIED VAN DE
GERMAANSCHE PHILOLOGIE
EN IN 't bijzonder VAN DE
NEDERLANDSCHE DIALECTKUNDE
ONDER HET BESTUUR VAN Ph. CO LI NET, EN MET DE MEDEWERKING VAN
W. BANG, L. GOEMANS, C. LECOUTERE, L. SCHARPÉ,
Ille JAARGANG. — ie AFLEVERING.
INHOUD.
L. ScHARPÉ. De Hss. van Veldeke's Servatius. BI. 5.
C. Lecoutere. Middelnederlandsche geestelijke liede-
ren. BI. 23.
W. Bang. Gudrun. Bi. i3i.
C. Lecoutere. Inhoud van tijdschriften. Bi i35.
Boekaankondiging : C. L. Vogel's Leemen Wagentje. —
L. S. : Heinsius. Taal van den Statenbijbel. BI. i63.
Bericht. BI. i66.
1899.
ANTWERPEN, DE NEDERLANDSCHE BOEKHANDEL.
LEIPZIG, Otto harrassowitz.
Gedrukt bij Joseph VAN IN & Ci*. te Lier.
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
^3
De Hss. vao ïeIËe's Semtius.
Zoo wij geloof mogen slaan aan hetgene ons de heer
Cam. Huysmans vertelt, in 't Limburgsch Jaarboek voor
1895-96, dan hebben wij het behoud van *t volledige
jonge handschrift van Veldeke's Servatius aan een toe-
val te danken even zeldzaam als dat, wat Prof. Bormans
vroeger het Hs. van St« Christina in handen had ge-
speeld. Nadat vrome zusterkens reeds een deel van S^ Chris-
tina's leven tot beeldekens hadden versnipperd, was het
overige behouden gebleven omdat een schilder het niet over
zijn hart had kunnen krijgen er lijm van te koken, In zijn
mededeeling tot de Koninklijke Academie, in de zitting
van 6^ April i857, had Bormans enkel gezegd dat het
Servatius-Hs. afkomstig was uit de bibliotheek van den
heer Aüssems, - notaris te Aubel, zijn vroegeren studie-
makker op de Hoogeschool, en dat deze het hem door
den heer Gillet, aggregaat-professor der École Normale
des Humanités, had laten aanbieden Huysmans nu treedt
in meer bijzonderheden. « Wie de plaats w^l weten waar
Veldeke's Servatius gevonden werd, werpe een oogslag op
het getalnummer dezer bladzijde », vertelt hij op blz. 100
van 't Jaarboek, Daér, op die plaats, en met wxlke be-
stemming, lieve hemel! zou de heer Gillet het aange-
troffen hebben, toen hij « in de jaren 60 » (lees 50) zijn
vriend den notaris, te Aubel een bezoek bracht. Hij had
het mogen meenemen, en te Luik had hij 't aan vader
Bormans toevertrouwd, die 't uitgaf (meent Huysmans) zon-
der verlof daartoe te vragen.... en zonder 't weer te geven.
Dialect. 1
Dig+tized by VjOOQIC
Thans behoort het handschrift toe aan de Universi-
teitsbibliotheek te Leiden (i).
Wat nu de uitgave betreft, welke al spoedig ver-
scheen in de Annales de la Société Historique & Archéo-
logique d Maestrickt (2) (T. II, i856-i857-i858, bl. 177-460),
en als overdruk daaruit, afzonderlijk, met geen andere
wijziging dan een nieuwen titel (3), Bormans heeft er veel
minder zorg aan besteed dan hij ons zoekt diets te maken (4).
In zijn Inleiding, op bl. 3o, gaf hij de verzekering « que
cette première édition sera diplómatique et reproduira Ie texte
(1) Het Hs. werd bij brief van den heer Stan. Bormans aan
den Min. van Binn. Zaken dd. 12 Febr. 1880 aan dezen aangeboden
ter plaatsing in de Bibliotheek der Hoogeschool van Leiden. — Afschrift
van den brief ligt bij 't Hs. (Mededeeling van Dr J. W. Muller). —
In 1889 voegde hij u aan die kostbare gave den brief toe, dien Jakob
Grimm indertijd, kort na de ontdekking van dat handschrift, aan Prof.
Bormans schreef, in antwoord blijkbaar op dezes mededeeling over
dien vondst n {Een brief van Jacob Grimm aan J, H. Bormans, van
7» Febr. iSSy, door Dr A. Beets medegedeeld in het Tijdschr. van Ned.
Taal- en Letterkunde, XI (1892), bl. 78-81). — De ontdekking van 't Hs
werd voor het eerst openlijk door B. bekend gemaakt in het nummer van
Januari- Februari der Dietsche Warande van 1857 (dl. III, bl. 39-42, noot).
(2) De titel luidde : Heynrijck van Veldeken. Sint Servatius le-
gende. Uitgegeven naar een handschrift uit het midden der XVde
eeuw, door J. H. Bormans. — NuUius et omnium.
(3) Sint Servatius legende van Heynrijck van Veldeken; naar een
handschrift uit het midden der XV<lc eeuw, voor de eerste maal
uitgegeven door J. H. Bormans. — Nullius et omnium. — Maes-
tricht, drukkerij van Leiter-Nypels, Groote-staet (sic). i858. 285 blz.
(4) Bormans onderhield ccne nogal drukke briefwisseling met
David; deze brieven worden bewaard op de Bibliotheek der Hoo-
geschool te Leuven. Slechts éénmaal wordt daar, in een brief van
14 jan. 1857, van den Servatius gewag gemaakt. « Il m'est tombe
dans les mains un Ms. renfermant un poème inédit de Heinrich
VAN Veldeken 3), vertelt Bormans, vol blijdschap over de vondst,
en richt daarop tot zijn vriend een aantal vragen om inlichtingen. —
De uitgave zelve geschiedde blijkbaar overhaast ; en men bedenke dat
juist te dien tijde B. tevens de handen vol had met zijne uitgave van
Maerlant's Naturen Bloeme, op last der Kon. Belgische Academie.
Digitized by VjOOQIC
- 7 — *
du manuscrit sans y changer une lettre, sinon de temps en
temps une majuscule », en een bl. verder deelt hij mede dat
hij tot zelfs de blijkbare fouten van *t Hs. behouden heeft :
« j'ai respecté jusqu'aux fautes les plus palpables ». Eene
reeks « verbeteringen en bijvoegsels » (bl. 278-285) besluit hij
met de woorden : « Om den le^er te overtuigen dat hij \ich
thans volkomen op de nauwkeurigheid van den tekst kan be-
trouwen, heb ik ^elfs de geringste misstellingen aangewezen;
men :;al het mij, denk ik, ten beste duiden. » Jammer maar
dat men zich door die stellige verzekering heeft laten verschal-
ken. Zelfs de heer F. Leviticus nam de voorzorg niet eerst
de uitgave met het Hs. te vergelijken, bij het bewerken van
zijn Klank- en Vormleer der S^ Servatius-legende, door de
Kon. Vlaamsche Academie bekroond en in 1892 uitgegeven (i).
In de volgende opsomming van onnauwkeurige lezin-
gen uit BoRMANS* uitgave hebben wij alle afwijkingen tus-
schen Bormans' tekst en dien van het Hs. opgenomen,
zonder een uitzondering te maken voor die afwijkingen
welke hier en daar reeds in de nota's of in de Verbete-
ringen van de uitgave terechtgewezen werden. Enkele van
BoRMANs' terechtwijzingen toch zouden op hun beurt wel
dienen terechtgewezen te worden. Met betrekking tot het
gebruik der hoofdletters, elders dan aan 't begin der verzen,
valt in het algemeen op te merken dat sinte bijna nergens
met een hoofdletter voorkomt, doch Servatius daarentegen
doorgaans. Waar andere woorden met een hoofdletter ge-
drukt werden is dit schier overal een stilzwijgende afwijking
(i) Ook door P. Piper werd. niet zoo lang geleden, in Kürschner's
Deutsche National- Li tteratur (Höfische Epik, I, bl. 79-241), Veldekk's
Servatius opnieuw uitgegeven; doch op zulk eene wijze, namelijk door
Piper gansch herschreven, « mit Berücksichtigung der neueren For-
schungen », dat het er waarlijk niet op aankomt zoo de uitgever op
BoRMANs' niet altijd stipt nauwkeurigen tekst « opereerde « en zoo hij
daarenboven geen rekening hield met de oude fragmenten, te München
en te Léipzig gevonden, en die hij aanhaalt in zijne Bibliographie.
Digitized by VjOOQIC
- 8 -
van *t Hs. Zonder dat er een reden voor bestaat, werden
nu eens door Bormans de verkortingen van 't Hs. opge-
lost, dan weder op andere plaatsen, gansch willekeurig,
behouden. Eenmaal in *t eerste boek van den Serv., zag B.
een groote roode kapitaal voorbij, 't begin van een nieuw
hoofdstuk aanduidend (de aanvangs-D van r. igSj). Ook in
het tweede boek is eenmaal een dergelijke gropte kapitaal niet
gedrukt, namelijk bij r. 2777, doch 't geschieddp met opzet
en werd aangestipt in de nota. Gansch regelmatig, eindelijk,
vervangt B. de consonantische i/'s van 't Hs. door v's (i).
Het Hs. van den Serv. heeft doorgaans ghe, alhoewel
ge, de oudere spelling, lang niet zeldzaam is. Bormans ver-
andert stelselmatig — zonder te verwittigen I — ge tot ghe (2).
(i) Vooral had mij tot het ondernemen dier collatie de omstandig-
heid bewogen, dat de afbeelding van fol. 106, in Prof. Tbn Brinck's
Gesch. der Ned. Lett. aantoont hoe de tekst dier bladzijde bij Bormans
verscheidene malen van 't Hs. afwijkt, zonder dat de « Verbeteringen
en Bijvoegsels » de ware lezing herstellen. Bij Ten Brinck staat
hulpe [t. 29^S), ghedynge (r. 2960), decke... mesdaen (r. 2964), vry (r.
2973), waar B. liet drukken : helpe, ghedynghe, dicke... misdaen, vrij.
(2) Hs. I. 27, 174, 438. 879, 1173, i5oi. 2406. 29x3, 3027 genade.
37 volgen. 79 wegen. 85 gestaet. 97 plegen. 141 geboet. 160, 420,
2537 gebodt. i63 hoge. 210 getogê. 2x1 getughen. 2i3gelesen. 225 ge-
schreuen. 23i, 265, x5o5, x6oo, 2276, 2281, 2369, 2883, 32o6 heiligen.
252 gesUechtë. 276, 404, xxx3, ix36, X417, X647, 2129, 2685, 2877, 3x3x
heilige. 277, 452 gewan. 304,685,1846, X879 geboren. 328 kerckgange.
33x gestadich. 386, i535, x825, i859, 2258 gebede. 527 gebode. 542.
1099, II 36 getrouwe. 56o, 2486 gesant. 609,1x93, 1716, 2122, 27x1 ge-
nesen. 698 gemartilijt. 721 gcbrack. 722, xi74. 2265, 2400 gemeyne.
8x7, i879maget. 838, i359, 1417, 225i gcsellen. 842 gcloeuen. 889 on-
gehoersam. 898 gebot. 1 187, 1947 gerne. 1 191 gesproken. 12 18 lange.
1254 langer. x3o7, 2276 somige. i339, 2o58 heiliger. i36i genoten.
i367 gehoert. 1469, 1640. X708 gedaen. 1477. i554 genaden. 1485 ge-
spalden. 1487, 2670 gebet. X497 geschiet. i5oi gesciet. i5i8 gheberge.
i564'gespaert. 1687 gesant. 1695 geschoten. 171X gestaden. 1748 ge-
walt. 1775 ongemack. i823 gespannen. 1878 gewerden. X917 gebon-
den. .1934, 2074 genoech. 1967 geschien. X980, 3073 gedoen. 1986 ge-
nadich. 2048 nyrgen. 2o6oewigen. 2ixoongesont. 2121 mogen. 2145 ge-
Digitized by VjOOQIC
— 9 —
Slechts zeer weinige ge's ontsnapten aan zijn waakzaam-
heid; daaronder komt dan nog van tijd tot tijd eene ge
olgi voor in de plaats der lezing ghe oïgki van het Hs. (i).
Niet zeldzaam zijn eveneens in Bormans* uitgave de
ifs, in de plaats eener y van het Hs. (2). — Omgekeerd
sanck. 2275, 2425 geuaren. 2296 genome. 2327 geeert. 2376 ömoge-
like... seggen. 2404 ionge... gereyt. 2428 getruwelijck. 233o ye
gelijck. 2522 geleyde. 2554 Jongere. 2555 somigen. 2564 geloefde.
2584 Tegen... ghingen. 2644 ellendige. 2729 gewalt. 2774 ghegeuê.
2795 ougen... gewaet. 2819 gestillet. 2871 gehoersam. 2951 clagê.
2971 gewarighe. 3i32 gesegghen. 3i6o gescheiden.
II. 3, 920, i8i5, 2528 heilige. 4, 1684, i885, 2590, 2773 gedaen.
168 ongebrant. 248, 2835 gebenedijt. 3o5 gesterken, 355, 441, 8i5,
2768 heiligen. 362 gestaden. 416 gebot. 440 gemeyne. 454 gebeynte.
471 heiliger. 5oo legenden. 5oi gheseggen. 5o8, 659 gemaect, 53x ge-
heylicht. 555 lange. 794 gebet. 832 gebenediede. 863 vragen. 868 ge-
sien. 881 geboet. 886 gewalden. 907 geschreuen. 920, 2600 gebeyne.
925 ghehoget. 1040 gebaren, iioo gehoersam. ii35, 233o gewan.
ii8x gerichte. i35o, 1708, 2025, 23o3, 2465, 2623, 2921 geboren. 1379 ge-
waer. i535 geloeft. 1644 gesont. 1659 gebueren. 1868, 2735 genomen.
1736, 2375, 2594, 2867, 2925 genade. 1814 gebenedyet. 1824, 2028, 2307,
2355 genoech. i85o, 2535 genoet. 1890 gesliep. 1963 geselle. 1983 her-
toge. 2014, 2020 gewalt. 2045 genesen. 2086 genadighe. 2275 geloe-
uen. 2326, 2665, 2810 menger. 2365 erslagen. 2370, 2757 sondige.
2395 ghetogen. 2451, 2519, 2725 seggen. 2458 geschien. 2495 gequelt.
2523 geweldich. 2537 geloeft. 2539 getroeste. 26o5 salige. 2647 ersla-
gen. 2663 gedachte. 2664 gebede. 2785 gestaen. 2837 getroest. 2879 ge-
troost. 2905 gebeteren. 2906 gegeuen. 2960 ghedynge.
(i) Hs. I. i29moghen. 593gheschien. 632gheleerde. 649ghinck.
i562 beghinck. 2442 gheschie. 2584 ghingen.
II. 1293 ghetrouwe. 1592 ongheluck. 1706 yeghelijck. 1716 ongheluck.
(2) Hs. I. 5o syne. 214, 2442, 2856 Ijrue. 223, 555, 731, 1175,
1395 sy. 5 18 vryen. 524 maryen. 668 synnen. 680 bysonder. 828 by.
925 bedryuen. 1149 vermyden. X23i, 1938, 2764, 2928blyuen. 1271 my.
1418, 2823 synen. i937dryuen. 2223 yeghelyken. 27i9suldy. 2855blyue.
2889 heylichdome. 3067 vry.
II. i38, 1207, 1241, 1267, 1279, ï355, i363, 1378, 1421, i633, 1669,
1669, 1692, 1730, 2190, 2683 sy. 524, 12 14 vryen. 683 dy. 1142, ii54ab-
dye. ii53 vrye. n54 heerlyke. 1216 ghebenedyen. i320 costeryen.
Digitized by VjOOQIC
— lO —
heeft het Hs. soms j^ waar men bij Bormans i leest (i); —
of /, waar Bormans j^ (2) ofwel (; (3) heeft; —- een paar
malen, eindelijk, ij waar in Bormans' tekst jr staat (4).
Voorts beantwoordt een enkele maal aan k van *t Hs.
c{5) of ck (6) bij Bormans; aan c van *t Hs., k (7) of
ck (8); aan ck van 't Hs. soms k (9); aan ch soms ck (10)
of g{ii); eindelijk aan sch van 't Hs. tweemaal 5C (12).
Wat nu de klinkers betreft komen er eenige weinige
gevallen voor waar 't Hs. a heeft, Bormans integendeel a^
(H 222, 956 na. 1122 Ghehoersam. 1709 hare), o (H i252
brachten. 1661 stalen), of u (I 2997 raste); — waar 't Hs. ae
heeft, Bormans a (H 768 waele), e (II 1784 Maer), of oe
(I 1889 haer. 1959 waert. II 2084 ghestaen); — 't Hs. ai,
Bormans a (II 592 daichs); — 't Hs. e, Bormans a (II 52
nyement), ae (II 25i3 wert), ee (I 161 here. II 1905 heren.
i5o4 wech), i (II 3964 decke ... mesdaen), of o (II 1187
i594, 1763, 1957, 2045, 2170, 291 1 lyue. 1682 waerdy. 1764, 1958 wyue.
1780 stejme. 1810, 2912 blyue. 1950 ontstryden. 2023 stryde. 2143 vly-
tich. 2254 wydinghe. 2317 blyuen. 2398, 2715 my. 25i2 Eyns. 2598 ge-
uryet. 2937 ontwyuelick. 2973 vry.
(i) Hs. I. 2196 gheheylicht. 2288 gheystelic. — II. 487 Quyril-
lus. 958 gheysteliken. i5o8 mysden. 1689 vynden. 2236 Conyncks.
2933 myraculen.
(2) Hs. I. 2369 gheist. — II. 472arbeit. 26i6gheist.
(3) Hs. I. 2249 seiden. — II. i339 si.
(4) Hs. I. 1237. — II. 2853 sij.
(5) Hs. II. i832 orkonden.
(6) ld. : I. 726 werentliken.
(7) ld. : I. i85i cont. 3o85 corten. — II. 2269 clejrn.
(8) ld. : I. 2o53 sprac. — II. 562 Ghemaect.
I9) ld. : I. 34duncke. 35i sprack. — II. 1781 wercken. 2471011-
uerganckelike.
(10) ld. ; I. 2425 hicmelrijch. — II. 860 ghelijch. 861 wonder-
lijch. io53, 1106 Lodewijch. 1173 Gheweldichlijch. i3i2 heymelijch.
• i3i3 eerlijch. 2757 sprach.
(11) ld. : I. 2029 volchde.
(12) ld. : II. 2227 schone. 2475 schulde.
Digitized by VjOOQIC
— II —
werfiF); — *t Hs ee, Bormans daarentegen e (I 1902 weeghe.
2325 mertijn. II 596 Keerstenen), of eee (II 974 tween);
— 't Hs. ey, Bormans ee (I 825 Eyn); — 't Hs. i,
Bormans e (I 2696 noch in kan), of ie (II 1257 hiemel-
rike); — *t Hs. ie, Bormans ae (II wies), of e (I 8o3 dien.
II 1897 die); — 't Hs. o, Bormans a (II 1590 droncken);
oe (I 258 wonachtig. 2814 grotelijck), of 00 (II ii5i
Schone); — *t Hs. oe^ Bormans o (I i883 ongheloeuighe.
II 80 versloeghent), of 00 (I 1348 voert. II 1756 ghetroeste.
2684 ghewoen); — 't Hs. o/, Bormans o (I 171, II 1444
goids); — 't Hs. 00, Bormans oe (I 3i53 troost. 3 154 ver-
loest of verloost, 't Hs. onduidelijk. II 2641 verloost); —
't Hs. o«, Bormans oe (II i573 berouft. 2278 houfde); —
eindelijk, 't Hs. t/, doch Bormans e (II 2948 hulpe).
Nog dienen ten slotte de volgende drukfouten en af-
wijkingen van den tekst van 't Hs. aangestipt te worden;
— Bormans' lezing staat tusschen haakjes : —
I 3i en (en). 208 waren (waren). 208 voren (voren).
25o gesllechte (gheslechte). 291 omere(onmere). 393 En (En).
472 busscopdoms (busscopsdoms). 475 omechtig (onmechtig).
499 keerstenheit (Keerstenheid). 647 godheit (Godheid).
772 mynnentlike (mynentlike). 11 35 stark (strack). 1175 Sy
(Zij). 1246 valscheit (valschheit). 1660 goet (groet). 1822 inden
(inder). 1886 Seruase (Seruaes). 191 9 voer in ^t Hs verbeterd
tot daer (voer). 2062 gesprack (sprack). 21 63 omoede (om-
moede). 2261 op richden (oprichden). 2329 Seder (Sedert).
2352 metse (Metze). 2376 omogelike (onmoghelike). 2396
waerheit (waerheid). 2430 yegelijck (eyghelijck). 25 1 3 leide
(leiden). 2538 godt (God). 2559 Offt (Oft). 2604 groter (groten).
2634 sijnen (sijne). 2690 stadt (stat). 2754 woert is in 't
Hs, onderstipt. 283o urs (uws). 2886 florence (Florente).
3043 sonder (zonder). 3 134 derthiensten (dertiensten).
3x66 Seuen (Zeven). 3222 vroude (vrouwe).
II i38 voeren (voern). 149 stadt (stat). i63 omeere
(onmeere). 184, 426, 731, 812,819,896 Sij (En). 23i ghe-
Digitized by VjOOQIC
— 12 —
leerde (gheleerden). 274, 294 Seruacium (Servatium). 408 sto
(stont). 568 storme (stormen), 575 mochtes (mochtet).
660 kostelike (kosteliken). 671 Doen (Doe). 800 aloë (aloë).
811 hande (handen). 812, 2834 en (en). loii ontgalt (on-
galt). i3o6 stade (scade). 1403 hadge (hads). 1420 arme
(armen). i5i5 En (Ende). 1677 vrunt (druut). i636 suden
(suder). i665 mense (men se). 1675 ghelijck; aan de slot-/r ,
die er eerst stond, werd een trekje toegevoegd om er een
k van te maken. i6gr reden (rede). i83o houftsonden
(houft sonden). i858 inden (inder). 1870 Sij (Zij). 1899 Der-
deweruen (Derde werven). 1938 is (ich). i89r Hertoghine
(Hertoghinne). 20i3.Eyn (Eyne). 2049 is ons bleuen (is
by ons bleven). 2o63 vutuercoren (uitvercoren). 2074 stichde
(stichte). 21 52 Maér die (Maer... die). 225o ymant (yemant).
2458 En (En). 253 1 mijnen bloeten (mijne bloete). 2609 ewi-
gher (ewighen). 2654 voel (wel). 2658 dorfte (dorste).
2710 voer leyde (voerleyde). 2740 Doe (Doen). 2789 nyet
meer en (nyet en). 2841 armoede (armoede). 2825 Seruaese
(Seruaes) (i).
In welke verhouding staat het betrekkelijk jonge Hs.
waarin de Servatius ons bewaard bleef, tot het gedicht
van Veldeke zelf? In hoeverre vernemen wij nog in de
jongere copie den weergalm of den naklank van Vel-
deke's taal?
Tot de oplossing van beide deze vragen zullen onge-
twijfeld enkele brokstukken, enkele snippers, van een zeer
(i) Volgens de Ned. Staatscour. 3 Juli 1888, nr i55, 4de kol.,
bevindt zich te Maastricht in het Oud Prov. Archief van Limburg
o. a. het ex. der Sint Servatiuslegende waarop de uitgever Prof. B.
zijne corrcctiën heeft aangebracht. Op het einde bevinden zich tien
brieven van Prof. B. aan de heeren Franquinet en Leiter over
de uitgave en de critische behandeling van dit werk (Meded. van
Dr J. W. Muller).
Digitized by VjOOQIC
— i3 -
oud handschrift der Servatixislegende iets kunnen bijdra-
gen. Wij bedoelen de fragmenten door Wilhelm Meyer
te München ontdekt in den band van een boek der
Staatsbibliotheek aldaar, « welches auf seinem deckel
von einer hand des i5/6 Jhs den vermerk Joannes Polt^
ex Nürenperga trug ». De vinder gaf den tekst zeer
nauwkeurig uit in de Zeitschr. f. d. Altert., 27 (i883),
bl. 146-157, Hij schatte het schrift der twee naast mal-
kaar opgeplakte en op malkaar passende perkamentree-
pen als opklimmende tot het einde der twaalfde eeuw.
De inhoud beantwoordt aan vv. 2064-2117 van het tweede
Boek. — In 1890 liet daarop Berthold Schulze, even*
eens in de Z. f. d. A., 84, bl. 218-223, den inhoud druk-
ken van enkele andere snippers, uit den band van een
Straatsburger wiegedruk van 1488 (Modus legendi abbre-
uiaturas i utroq^ iure siue processus iuris), toebehoorend
aan de Bibliotheek van het Reichsgericht te Leipzig.
Toen ik mij, in de maand October van verleden jaar,
eenige dagen te Leipzig ophield, nam ik de gelegenheid
"te baat, om de fragmenten der Bibliotheek van het Reichs-
gericht te onderzoeken, en mijne verbazing was niet ge-
ring toen men mij op mijn vraag naar de Servatius-
fragmenten tot antwoord gaf, dat zoo iets op de Biblio-
theek niet bestond. Doch toen de oude incunabel (die
zijn vroeger rangnummer G. 739 geruild heeft tegen
een nieuw : E. 3366) voor den dag gehaald werd, bleek
het, dat de perkamentstrooken er nog altijd tegen den
band aangeplakt zaten over de geheele lengte van de schut-
borden, en dat Schulze zich vergenoegd had met enkel
de naar boven gekeerde zijde der oude fragmenten af te
schrijven, alsmede de vijf eindjes die uitstaken tusschen het
fo» A 8 en B I, en de vijf andere die uitkeken tusschen
fö* X 6 en Y I . De lange reep perkament op het ach-
terbord was nog steeds met een dun blad wit papier
Digitized by VjOOQIC
- 14 -
overplakt gebleven, en van r® noch v» had Schulze den
tekst bekend gemaakt. Prof. Schultz, de vriendelijke
Bestuurder der Bibliotheek, was zoo voorkomend den
band te laten losmaken en mij de reepen perkament toe
te vertrouwen. Dank aan de bemiddeling van het Be-
stuur der Universiteitsbibliotheek, was het mij mogelijk
tezelfdertijd inzage te nemen van de fragmenten uit
München, waarvan de tekst mij bleek op onberispelijke
wijze door W. Meyer te zijn medegedeeld.
De fragmenten te München gevonden behooren tot het-
zelfde Hs. als de fragmenten uit Leipzig, zooals duide-
lijk genoeg te merken is aan den hierbij gaanden afdruk
der een vierde verkleinde clichés, welke ik van deze eerbied-
waardige documenten onzer voor-Maerlantsche letterkunde
liet vervaardigen (i). Het schrift is van dezelfde hand : Prof.
Reusens deelt mij mede, dat het hem voorkomt tot de
eerste helft der dertiende eeuw op te klimmen. Wij zouden
dus staan voor een zeer vroeg afschrift van Veldeke's
oorspronkelijk gedicht, 't Perkament is zeer bruin en don-
kerkleurig geworden op de plaatsen waar lijm is geweest,
en 't geschrift is daar soms ongewoon moeilijk te ont-
cijferen; jammer genoeg zijn op de platen eenige dier
verbruinde plaatsen bijna geheel onleesbaar geworden. De
meeste hoofdletters (in 't afschrift worden ze met een
streepje aangeduid) hebben eene roode stip. Sommige zijn
wat grooter geteekend, en geheel rood. De naam van
sente « Seruas » wordt gewoonlijk door een roode streep
omlijst, waarvan in de afbeeldingen echter nauwelijks
iets te bespeuren is. Waar op 't einde van een regel
een woord in twee gekapt wordt, wijst een dun schuin
(i) Uit de vergelijking der teruggevonden perkamentsnippers kan
men opmaken dat zij tot een Handschrift hebben behoort, waarvan elke
bladzijde 22 regels bevatte, en dat ongeveer 18 cm. X 12 cm. mat. —
De Leipziger fragm. I-II, III-IV — IX-X-XI-XII, en V-VI-VII-VIII
bevonden zich op de 3 binnenste bladen van eenzelfde katern.
Digitized by VjOOQIC
— i5 —
streepje op de verbinding met het andere deel. Na ieder
vers schijnt een punt te hebben gestaan.
Welke nu de verhouding is tusschen den tekst van
't oude Hs. der fragmenten, en 't jongere van Bormans,
zal wel het duidelijkst worden aangetoond wanneer, zooals
hierachter, beide tegenover elkaar worden gedrukt. Doch
onmiddellijk rijst daarbij een vraag : aan welke regels
van Bormans' Hs. beantwoorden dar en den van 't kleine
stukje I-II ? De oplossing is gelukkig zoo erg moeilijk niet.
't Stukje maakte den beneden-binnen-hoek uit van een blad;
te oordeelen naar de vouw stond dar.,, den op den r^',
rlos,... kos. op den vo, zoodat men wezenlijk geen an-
dere keus heeft dan aan te nemen dat ons dar, . den
overeenkomt met daer,,. den van rr. 38 1 en 382 (i).
Zoo laten wij dan den tekst van 't jonge Hs. en van de
fragmenten, tegenover elkander, volgen, ons ditmaal ertoe
bepalende het materiaal bijeen te brengen en toegankelijk
te maken.
(i) Bij volkomen overeenstemming van 't getal vennen in 't oude
en in 't Jonge Hs., zou dit 34 verzen uitmaken op de bladzijde
waarvan fragm. II (met rlos.,. kos) deel heeft uitgemaakt. — Dit
stemt nagenoeg overeen met het getal verzen op de bladzijde waar-
van fragm. IX en X (heilege bode tot haddet verno-) ons bewaard
bleven; immers tusschen den regel heilege bode... en den eersten
regel van fragm. XI (verso van IX) alle di genirde..., moeten wij,
althans indien het getal ver:[en 't:(elfde is in 't oude als in 't jonge Hs.,
aannemen dat er 29 verzen gestaan hebben. — Altijd in dezelfde onder-
stelling zou de blz. met fragm. V 28 verzen bevat hebben ; de blz.
met fragm. VI : 27 verzen; de blz. met fragm. VII : 27 verzen; die
met fragm. VIII : 29 verzen. De fragm. uit München vormen den ro
(met 28 verzen) en den v© (insgelijks met 28 verzen) van een zelfde fo.
Nochtans rijst de vraag vanzelf : heeft wellicht de jongere afschrijver
eenige verzen op eigen hand ingelascht in dat gedeelte van zijn ar-
beid welk beantwoordt aan de blz. met fragm. II ? zooals hij elders
daarentegen weleens een paar regels oversprong? (namelijk, blijkens
het fragment uit München, na v. 2078 van het tweede Boek; vgl.
ook Bormans' nota bij v. 1379 van 't eerste Boek).
Digitized by VjOOQIC
— i6 —
Hs, van Bormans,
tyv. Eerste Ich en sef^ghe uch nyet voerwaer
Boek Wie langhe off wie mennich jaer
38o Dat der goede sinte Seruaes
Te Jherusalem wonachtich was
Ende daer alöme inden lande
Eer heme god den enghel sande
Fragmenten uit Leip\ig.
dar
den
f. 8 r. 4i5 Daer heuet bij nae .vij. jaer
Eyn busdom gheweest meysterloes II
Du bist der gheen dien god verkoes
rlos.
kos.
f. 9 r- Want god den heilighen man
Seruacium daer sande
455 Tot salicheiden inden lande
Dat wolde onse heer Jhesus
Dat der heilighe Seruacius
Daer quam alsoe verre
Want dat buscopdome erre
460 Soc langhe hadde ghewesen
Die die vite hebben ghelescn
Sij weten dat wel voerwaer
Dat allen die .vij. jaer
Ten eynde waren gheganghen
III got ... en heilege m
dare (s)ande.
te salds
• /)at wolde unse her(e)
heilege 5eruatius.
uerre.
want dat (b)
5o lange hadde gewie)
te hebben gelesen.
S wale tterwar.
dat iar.
7'ë ende ware g
f. 9 v. Hij was des te moede
Dat hij den staff leechde
Opten altaer ende seechde
480 Voer den luden openbaer
Dat hi verbannen waer
Diene daer aff neeme
Maer die daer toe gheteme
Ende alsoe lieff waer gode
485 Dat hem der enghel sijn boede
Seluer gheue mit sijnre hant/
Doen ghinck die meer ouer alt lant
Het waert / condich wij ff en man
Dat sinte valentijn den ban
IV are.
dat he ue(r)bannë
1 dar aue na(m)e.
me tame.
JE'nde so lief
(d)at heme der engel
(e)lue geue bit siner
nc di mare ouer al
(H)et geurisgen wif
(t) sente Valentin den
Digitized by VjOOQIC
1
— ty —
490 Ghedaen hadde den staue
Des en doersten nyemant / aue
Nemen vanden altaer daer hi lach
Des stont dat busdom menghen dach
Sonder busdom heerdeloes
495 Dat nye egheynen dae en koes/
hadde den staue.
des
Doent god nyet langher en woude dolen
Dien alle dinck es onuerholen V
Doen sande hi sinte seruaes daer
Dat hi der keerstenheit neeme waer
5o5 Want hi daer toe well ghetam
Des daichs doen hij in tongheren qua
Der goede sinte Seruaes
Grote Concilie dae was
de dolen,
deme alle dinc sin unuerholê.
Du sander sente Seruase dare.
dat her der cristenheide neme ware.
Want he der tu wale geta.
des dages du he in tungren qua.
f. ïo r. Sij hadden menghen raet ghenomê
Waer men eynen busscop neeme VI
525 Alsulken deme wale gheteme
Der keerstenheit ende gode
Vanden groten gebode
Die daer ouer was ghedaen
Soe en dorstes nyemant dae bestaen
53o Sij haddent menghen dach ghedreuë
Ende was noch ongheeyndt bleuen
War mé einë biscop neme.
suliken de wale geteme.
Der kirstenheide ende gode.
uan den grote gebode.
Z)at dar ouer was gèdan.
so ne durste nima da bestan.
Si haddent ma
f. 10 V. Want hijs wale mechtich were
Dat hij haer noet ƒ bekende
Ende eynen busscop daer sende
55o Alsulken die hon wale beteme
Ende den volke te rechte queme
Ende der heiligher kerken dochte
Want hijt wale doen mochte
Dat hij se wolde beraden
555 Doen sy gode dus daer om baden
Ende dats daer grote noet was
Doen quam die goede sinte Seruaes
Inden monster als eyn pelgrijn
Die haer busscop soude sijn
VII volke rechte quame.
Ende der heileger kirken dochte.
want het wale gedun mochte.
Dat hese wolde befadê.
dusi gode drübe badë.
Eiïde hets da mi..,(e)l not was.
du
Digitized by VjOOQIC
l^£y^
1
- i8 ~
f. xir. Doen hij in sijnen ghebede lach
575 Aldaer dat volck toe sach
Alle die des namen waer
-J-A Ende waert den volck schijnbaer(i)
Doen quam der heilich enghel daer
Schijnende als die sonne claer
58o-f-<i Dien god daer hadde ghesant
Hij hueffen op mitter hant
Seruacium den gheheeren
Dat dede hem god ter eeren
Der enghel langher nyet en beyde
585 Totten altaer hijne leyde
VIII sonne clare.
din luden schinbare.
Den got dare hadde gesant.
he huf op bitter hant.
Seruatiü den geheren.
dat dede hene got te eren.
Der engel nine (b)...idde.
ten altare
tiiv. Doen des dat volck waert ghewaer
Dat der enghel danne was
6o5 Ende der goede sinte Seruaes
Behalden hadde den stafT
Den hem der heilich enghel gaff IX
Die haer buscop solde wesen
Ende sij mit hem souden genesen
6x0 Die priesters mitten leekê (2)
Die ghesien hadden die teekeu
Die waren all te samen vroc
Den sanck hoeuen sij voele hoe
Gode gauen sij den loff
61 5 En . ontlinghen haren busscoff
Vroliken sij songhen
Doen sij te heme dronghen X
Sij vielen heme te voeten
Guetlijcken sij hem grueten
620 Alle eer sij hoem daden
hcili^g)e bode gaf.
£'nde de here op solde wesen.
en si bit heme wol genesen.
D\ papen bittê leikê.
esien haddê di teikë.
Dï ware sam vro.
den sanc huvê si uele
Gode gauê si den lof.
en entiin herê biscop.
Vrolike si sungen.
da si te heme drungê.
S{ uilê heme te vuten.
gutlike sine grutê.
A\ ere si heme dadê.
(i) Reeds in 1860 had Bartsch aangewezen (Germania, V, bl. 424).
dat, zooals nu ook blijkt uit het oude fragment, de regel met het rijm
schijnbaer moest staan na den regel met het rijm claer. De a en ^ in den
rand van 't Hs. geeft het reeds aan, doch a had dienen hooger te staan,
namelijk vóór r. 570.
(2) Voor « leekê » staat, doorgehaald : « lekel ».
Digitized by VjOOQIC
\
19 —
Den ghewaren god sij baden
1 1 2 r. Diene Hon (i) te trooste hadde ghegheuen
Dat hijne hon langhe Hete leuen
Doen dat was erganghen
625 Dat sij hadden ontfanghen
Haren busscop als hon wale ghetam
Die hon van gods haluen quam
Als ghi hier voer hebt vernomen
Die ander die daer waren comen
63o Die busscopen die hij daer vant
Die god eer daer hadde ghesant
Wijse ende gheleerde
Die gheordende en die bekeerde
Te busscop sij heme wij eden
635 Den gods ghebenedieden
Den gheisteliken heerde
Die alle die gheneerde ^
Die nae sijnen rade wolden leuen
Hem en doerste nyemant gheuen
640 Dat busscopdom noch den staflf
Dan alsen hoem der enghel gaff
Doen der goede sinte Seruaes
Ghewijet ende ghegherwet was
Totten gods woerde
645 Als daer toe ghehoerde
Soe dede god sijnre teyken eyn
■ Daer sijne godheit ane erscheyn
Die menghe myrakel hevet ghedoen
Doen hi ten predickstoel ghinck stoen
f. 12 V. 660 Sinte seruaes die goede
Mit gheisteliken moede
Ende hij predickê solde *
Wat soe hij spreken wolde
Dat sande hem god te monde
655 Die egheyne sprake en conde
Anders dan gricxsche alleyne
Ander sprake allejme
En conde hij spreken noch verstaen
den gewarê gode si badë.
Den hen te troste hadde gegeuen.
dat hene hen lange lite leuen.
Dv dat was ergangê.
dat si haddê entfangê.
Heren biscop alse hen wale geta.
de hen van godes haluen qu^.
^Is ier da uore haddet uemo
XI alle di genirde.
Di ni si(n)ê rad den leuen.
heme ne dorste nima(n) geuen.
Dat bischdume nogten (s)
dan alsen heme den engel gaf.
Dv der gude sente Seruas.
gel ende gegerwet was.
T'ut den g worde.
alse dar tu gehorde.
(D?) XII got siner teikê ein.
da sine gotheit ane erschein.
De uele manech heuet gedan.
du he ten lechtere ginc stan.
5ente Seruas der gude.
bit geistlikë mude.
Ende he predekë solde.
wat so he spreke wolde.
Dat sande heme got te munde.
de negeine sprake ne kunde.
Mer grix eine.
ander sprake negeine.
iVe kunde he gesprekê
(i) Hon: met een gewone cch», doch rood doorstreept.
Digitized by VjOOQIC
tó^--
U'
— 2Ó —
f.9iv. Tweede Van sinte seruaes is ons bleuen
Boek Menghe goede dinck bescreuen
2o5o Dat is ons wale kondich
Dat e3m goet keyser heynrijch
Sinte Seruaes seer eerde
Ende sijnen vlijt daer toe keerde
2o55 Tot sijnen dienst alle sijn leuen
Want god hadde hem ghegheuen
Den sen ende den goeden wille
Openbaer ende stille
Dat hij hem was soe dienstacht
2060 Der wille meerde hoem die cracht
Beide stille ende ouerluyt
Des loende hoem die gods druyt
Dat hijne hadde vutuercoren
Allen heiligen busscopen te voren XIII
2o65 Te heeren ende te patrone
Des hadde hij dat te lone
Dat hijne decke gheneerde
Die sijnre hulpen gheerde
Dat hadder ii) wale beuonden
2070 Te voele menghen stonden
Daer hi in groter vreysen was
Dae hoem verloeste sinte Seruaes
Dat wiste der keyser wale voerwaer/
Doen stichde hij te gozslaer
2075 Die selue keyser heynrijck •
Eyn goids huys herde eerlij ck
f.92V. ^\s men noch wale syet
Prouönden hij daer toe beriet (2)
Die stat die wolde hij vryen
2080 Dat goids huys dede hij wijen
Der keyser voele gheheer
In tweer apostelen eer
Sinte Jude ende symoens
Ende ouch sijns patroens
Fragmenten uit München.
gë biscop(en) teuorë.
(d)e te patrone.
des had lone.
Dat hene dekke
dar siner helpê gerede,
wale beuonden.
te ue (r) stundë.
Dahe in grote (s).
da heme erloste sente as.
Dat weste der keiser war
du stigtedeher te
(e) selue keiser henric.
hus harde herlic.
A\se da wale siet.
proueden he it.
Rike en gude.
bit lude.
Di stat di wolder
(t) godis hus deder wien.
iele gehere.
in twer a ere.
Jude ende 5ymonis.
s patronis.
(1) De slot-letter is eigenlijk eene « n », waarvan het tweede been onvoltooid bleef.
(2) R. 2079 volgt, in 't Hs., onmiddellijk op r. 2078; — door Bormans werd niets
overgeslagen.
Digitized by VjOOQIC
I
— 21 —
2oS5 Sijns heeren die der deerde was
Die genadighe sinte Seruaes
Den dryen dede hijt wijen te samen
Dat gods huys in haren namen
Aen sinte Seruaes stont sijn moet
209 > Want hij dede hem mennich goet
Aen heme hadde hij groten troost
Want hijne decke hadde verloest
Hij was sijns herten liecht
Sijne boden sande hij te Triecht
2095 Te sinte Seruaes houft stat
Sijnen broederen hij des bat
Den proeste vanden cloester
Den deken ende den coster
Ende den broederen al te samen
2100 Ter eeren sinte Seruaes namen
Ende allen sijnen holden
Dat sij heme senden wolden
Van sinte Seruaes gebeyne
Des confessoers en busscop reyne
2io5 Te sijnen nuwen werke
Te verchieren sijne kerke
ƒ. 92 V. Hij woldet gherne eeren
Ende sijnen loff vermeeren
Den heilighen sinte Seruaciü (i)
21 10 Dat woude hij 5mer gherne doen
Die wijle dat hij mochte leuen
Sij en doerstens hem doch nyet gheuen
Dat was hem leyt doen hijt vernam
Te triecht hij doen seluer quam/
2ii5 In corten tijden daer nae
Hij werff aen die heeren dae
Dat sij ghedroeghen ouer eyn
En gauen heme dat kynne beyn
Van sinte Seruaes sijns heren
2120 Der keyser dede hem ter eeren
Eyn gulden houft werken
Te troeste sijnre kerken
5ines herë (d)e was.
de genedege sëte
en drin widement all
t godis hus in ho[ren)
ne sente 5erüase s XIV sin mut
(wa)nt he dede gut.
^ne heme hadde v
want hene decke had
was sines hertë ligt.
s der du tetrigt.
Te sen houestat.
sinê bruder
Den profste uanden clo
ken en den costre.
End ren aïlê samen,
te eren ses nam.
Allen sinê ho
sendë woldë.
5ente Ser nes.
des heileges ende d
7e sinen nuwen werke.
t sine kerke.
He woldet g
Ende sinë lof ermerë.
5 TIUM.
dat wolder ime(r)
Di wile dater mugte lei
stens heme idog nit g
was heme leit duhet
tricht he du selue qua
(tid)en darna.
he warf en da.
Dat si ged(r)
■%/.|
{^i
■ V >i
ï !
(i) Vóór « Seruaciü » staat, doorgehaald : « Seruaes ».
Digitized by VjOOQIC
— 22 —
En nu, ten slotte, een enkel woord nog, een woord
van dank, aan hen wier voorkomendheid mij in staat
stelde deze mededeelingen te doen : — aan *t Bestuur
der Bibliotheek van München, dat mij de fragmenten uit
het Tweede Deel van Veldeke's gedicht naar Leipzig ter
inzage stuurde, — aan dat der Leipziger Bibliotheek, —
aan dat der Bibliotheek van Leiden, welk mij 't Hs. van
den Servatius geruimen tijd te Brussel liet gebruiken, —
aan Prof E. Martin, voor zijne inlichtingen, — aan
D*" J. W. Muller, die naar 't Hs. van Bormans, de
proeven van het daaruit medegedeelde verbeterd heeft, —
en eindelijk, inzonderheid, aan den zoo vriendelijken Be-
stuurder der Leipziger Reichsgerichtsbibliotheek, Prof.
SCHULTZ.
L SCHARPÉ,
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
e
o
co
Hs. o»".n6
Digitized by VjOOQIC
/
bc
<
PU
p (§ ^ U 0)
bo «d rt jd 3 o
5 5:^:;
•d « !?
^ -d feo ^
bö
TJ
fl
V
S
I
'S &
u cd
- I
o
-o
?? bo
6 S
■O «
o co
0)
a
8 :
•d 4j
^ 'S
i3 -^
0)
0)
J
'd 'd
I
P4 M
CO (1.
bo
'^ *i 1 I
'S
bo
u «
I
2 F3
bo -d
-d
>
P
bo
'S
1
'S
'S fl
i 1
bc S
M 6
^ S,
,5 I
0)
•d
'S s
bc G
<3i
P4 «
0) o
Ü
£3
4)
N
,£<
a*
;^
-i
s
M
ü
►3
(0
0>
bc
H
i
5
>
O
2
4)
U
•d
H
55
bib
M
p
S
1-
!5
s
«
-d
^
bo
4)
a
-d '^
-d
o p «
bo ^ ^
3
X
X
Digitized by VjOOQIC
/">
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
irtU'k
/5 5 t^ 3 ÜiJ ei ^
Digitized by
Google
0«
2
H
'S
1
1
0)
'S
1
•3
•3
is
s
f
1
s
«>
3
§
1
•;3
S
3
4)
^
u
'S
«
è3
1
1-
u
S
t3
•o
1
0)
2.
§
2
'•O
1
4)
•O
Digitized by VjOOQIC
/^
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
'.
V
■■iï^4
•o
Th
ë"
O
i2 >
Hs. o°ï.o42
CS W lc4
i l §•
0)
C/3
2 ^
•o
(3
I
ü B -
3
•O
SP
•o
V
p
6
(5
iX
1
A
bo
g
'<3
a
0)
a
^
*a
•§
«
d
o
S
(A
'S
Ö
O
♦ï
d
nJ
H
bx)
.
3
U)
<
s
-o
3
(4
0)
a
C/3
A
ë
■'S
^
G
'S
V
c>
0)
^
•o
.s
v<
\*
'5
rt
'S
ö
1
O)
4^
.ti
&
ë
S>
rQ
d
d
0)
a
O
w
c
ü
§•
^
ë
Digitized by VjOOQIC
'>.
1
1
1
1
i«j
3
Ö
■•-•
o
c8
-o
g
^
^
^
o
^
•a
o
'S
1
'S
o
i
i
8
1
O
^
g
•s
'i
o
g
s
-§
rt
^
-O
js
Ih
3
w
0)
13
'S
'S
i2
-o
i
bc
1
1
^
«>
s
•
1
h-I
(d
>
3
r.1
'S
m'
0)
6
1
k
(0
1
0)
'S
-O
a
§
Q)
Ih
M)
O
-o
g
13
o
(0
5
ë
Wi
&
5:
to
J^
^
Q
'S
O
-O
bo
§
OT
6
2
B
S
c4
s
Qi
^
z
.5
l
A
§
-g
s
^
icd
11)
a
Sd
6
a
^
«>
'S
s
o
1
^
Digitized by VjOOQIC
/^
Digitized by VjOOQIC
L
Digitized by VjOOQIC
Hs. oia.08
XIII gë biscop(en) teuorê.
(d)e te patrone des had-
lone. Z)at hene dekke
dar siner helpê gerede,
wale beuonden. te ue-
(r) stundë. Z)ahe in grote
(s). da heme erloste sente
AS. i>at weste der keiser
war. du stigtedeher te
(e) selue keiser henric.
hus harde herlic. Alse
da wale siet. proueden he
it. Rïke en gude. bit
lude. D'i stat di wolder
(t) godis hus deder wien.
iele gehere. in twer a
ere, Jude ende Symonis.
s patronis. 5ines herë
(d)e was, de genedege sëte
en drin widement ah
t godis hus in ho(ren)
ne sente 5!eruase s
^
Fragmenten
Digitized by VjOOQIC
\^
r.
f
ttdl en ^^ 0EHhf^8|lm
lesi fr;u*i a4w 1^^
/ F-
Ir '^^
XIV sin mut (wa)nt he dede
gut. i4ne heme hadde v
want hene decke had
was sines hertë ligt. s
der du tetrigt. Te sen
houestat. sinë bruder
Den profste uanden clo
ken en den costre. End
ren alle samen, te eren
ses nam. Allen sinê ho
sendë woldê. ^nte Sbr
nes. des heiliges ende d
Te sinen nuwen werke. t
sine kerke. He woldet g
ende sinê lof ermerë. S
TiUM. dat wolder imejr)
Di wile dater mugte lei
stens heme idog nit g
was heme leit duhet
tricht he du selue qua
(tid;en dama. he warf
en da. Dat si ged(r)
UIT MÜNCHEN.
Digitized by VjOOQIC
1
Digitized by VjOOQIC
HDDEUIIDEBIINDSCHK CEESTIUJEE UEDKBEN'-l
I. — Het handschrift.
De tekst van de Middelnederlandsche geestelijke liederen,
die in de volgende bladzijden wordt afgedrukt, komt voor
in een hs., thans te Parijs in de a Bibliothèque nationale »
berustende, en door Huet in zijn Catalogue beschreven
onder n"" Sg (2). Het hs. is van papier; het meet +140 milli-
meter hoog bij + 100 breed, en telt 80 blaadjes. Achter-
aan is er een gedrukte tekst uit het begin der I7« eeuw
bijgebonden, nl. de Copye van // het breve aposto-
LYCK // van 't Jubileum des jaers 1600 gesonden / by
onsen Heyligen vader in Godt Clement j den viij. Paus
van Roome / aen alle Christegeloovige menschen des Ne-
(1) In 1895 had D' L. Scharpé, mijn vriend en ambtgenoot, een
afschrift vervaardigd van het lis. , waar de hierna afgedrukte liederen
in voorkomen; hij heeft mij nochtans welwillend de uitgave overge-
laten. Ik betuig hem hier daarvoor mijn oprechten dank. Evenzoo
bedank ik allen die mij bij het bewerken van deze uitgave behulp-
zaam zijn geweest, inz. de heercn Prof. J. Verdam, te Leiden, en
Prof. W. L. DE Vreese, te Gent, voor het verschaffen van menige
nuttige inlichting.
(2) G. Huet, Catalogue des manuscrits néerlandais de la Bibliothèque
nationale, Parijs, z886, bl. 44-45.
Digitized by VjOOQIC
— 24 —
derlants ende andere j begost wesende solemnelyck te
houden inder Collegialer Kerke van S. Goedelen te Brus-
sele I ten tweesten dach Martij. i6o3. — Tot Bruessel//
By Rutgeert Velpius I .... M. D. C. JJJ. De keerzijde
van dit blaadje is wit ; de verordeningen tot het verdienen
van gezegden aflaat staan op de zeven volgende blaadjes.
Met dit stuk hoeven wij ons niet langer bezig te houden.
Van de 80 blaadjes, die het eigenlijk hs. telt, zijn
I ro tot 48 r^ beschreven, evenals 56 r° tot 80 v^; de
overige zijn wit. In het boeksken staat niets anders dan
gedichten, behalve een stuk in proza op bl. 76, waar wij
verder op terugkomen. Het schrift, zeer goed leesbaar,
schijnt te wijzen op het einde der i5e of het begin der
i6€ eeuw. De regeling van het hs, is met inkt geschied
van bl. 77 T^ tot 80 v^; elders met potlood. Van /o/.
I ro tot 55 vo staan 19 regels op elke bladzijde; van
56 r® tot 76 V® eveneens 19 regels, maar op eenige blad-
zijden twintig; van bl. 77 r^ tot het einde slechts 16 regels.
Bl. I ro tot 45 v° zijn door eene en dezelfde hand
beschreven. Bl. 46 r» tot 48 v» zijn in een andere hand,
die op 56 r® opnieuw begint, en tot 76 r^ heeft voort-
gezet. Eindelijk, bl. 77 ro tot het einde verraden eene
derde hand.
De prozatekst op bl. 76 r*» en V» schijnt later geschre-
ven; het is een « bedinghe » tgt Maria, en vertoont veel
gelijkenis met andere soortgelijke stukken, zooals o. a,
D*" DE Gheldere er verschillende in zijn Dietsce Rime
heeft medegedeeld (i). Ook op de keerzijde van fol. 22,
28 en 80 komen eenige regels voor in een jonger schrift
(I) Dr K. DE Gheldere, Dietsce Rime, Geestelijke gedichten uit
de XIW, XlVe en XVe eeuw (Brugge, 1896^ bl. 39 sqq., 70 sqq.,
lOI — III.
Digitized by VjOOQIC
25
(ongeveer uit het midden der i6e eeuw); zij geven ons
inlichtingen over personen die het boekje in hun bezit
hebben gehad (zie verder bl. 26-27).
Het hs. heeft geen versieringen. Alle stukken beginnen
(éen uitgezonderd, bl. 47 v**) met een groote hoofdletter
in rooden inkt; door elke aanvangletter van een vers (ge-
woonlijk een hoofdletter, op bl. 45 r** en vo een kleine
letter) loopt een roode streep. De titels van eenige stuk-
ken en de zangwijzen zijn in rooden inkt; sommige regels,
als b. V. de « repeticies », zijn met rooden inkt onderlijnd.
Deze eenvormigheid wordt op ééne plaats afgebroken, nl.
op bl. 77 r<>, waar het stuk met een groote sierlijke J
in rooden inkt begint.
Over de gebruikte afkortingen is niet veel te zeggen.
Geregeld komen voor en=^ende, waarnaast zeer vaak en^
zonder afkortingsstreep ; het streepje boven de letter om
een volgende n aan te duiden, of een enkele maal
m (bl. 2 v<>, ome, en bl. 10 v® nemermeer)\ het teeken
voor de er, aer; de gewone afkortingen voor de eigen-
namen Jhesus en Cristus (ih's, Ihus; xpc, xpus). Vaak
ook treft men het teeken ^ aan voor et, iet, at, en h^
voor den uitgang heit. Eens staat 9 voor as (bl, i5 r®
jt^g^=was), en eens een p met doorstreepten staart, de be-
kende afkorting voor per (bl. 46 v^ psone). In de titels van
sommige stukken sca=^sancta; en ten slotte, KyrieT of
eenvoudiger KV = Kyrieeleison ; alfa of af = alieiuia.
Wat de interpunctie betreft, van bl. i tot 45 v° staat
een punt bijna achter. eiken regel; van bl. 46 r^ tot het
einde, geen leesteekens meer, behalve hier en daar een punt
aan het slot van een strophe of van een gedicht.
Het stevig, fijngeribd papier van het hs. vertoont drie
watermerken, namelijk :
lo) een schild met drie leliën, met een sieraad gedekt
(bl. 1-16 en 33-76). Dit papiermerk komt geheel overeen
Digitized by VjOOQIC
- 26 -
met het onder n^ 288 afgebeelde bij Midoux en Matton (i);
het is, naar hun zeggen, te vinden op papier in Frankrijk
gebruikt van 1494 tot 1499. Ook de Stoppelaer (2) geeft
dit merk op (nl. n*" 10 van plaat XIV), en verklaart
(bl. 87) het papier, waar het op voorkomt, slechts één-
maal te hebben aangetroffen, nl. in een stedelijke rekening
van Middelburg over het jaar 1486;
2°) een kannetje, waarboven een sieraad in den vorm
van een kruis (bl. 17-32). Een in alle opzichten hiermede
overeenkomend watermerk heb ik bij de Stoppelaer niet
gevonden; best gelijkt het op het onder n*" i3 afgebeelde
op plaat XIII. Bij Midoux en Matton staan verschillende
er min of meer mede overeenkomende, inz. n^ 201 ; zij
vonden dit merk op papier in de laatste jaren der iS^ eeuw
in Frankrijk in gebruik (1494.-1496) ;
30) een P, waarboven een soort van kruisdolk (bl.
77-80). Zie bij de Stoppelaer verschillende er naar ge-
lijkende op plaat XII, inz. n9 12; bij Midoux en Matton
het onder n^ 334 afgebeelde (3). Het is genoeg bekend
dat de P een watermerk is van een papier, dat gedu-
rende twee eeuwen in onze gewesten zeer gezocht werd.
Nu moeten wij een paar inlichtingen bespreken, die wij
in het hs. aantreffen aangaande personen die het in haar
bezit gehad hebben.
Op bl. 22 v^ onderaan staat geschreven :
Dit leiisenbuecsken hoert toe
suster liisbet ghoeyuaers
(i) E. Midoux et A. Matton, Essai sur les fiUgranes des papiers
employés en France au XI Ve et XVc siècles, Parijs, 1868.
(2) Mr. J. II. DE Stoppelaer, Het papier in Nederland gedurende
de middeleeuwen, in:{onderheid in Zeeland, Middelburg, 1869.
(3) Cfr. voor dit laatste watermerk Sotheby, Principia typographica
(Londen, i858}, III, 77, nrs 3 en 6.
Digitized by VjOOQIC
27
Op bl. 28 V® heeft dezelfde hand een dergelijke mede-
deeling begonnen, ma^r over het schrift heeft men ge-
wreven als om het onleesbaar te maken of uit te doen.
Men kan nochtans goed zien dat er staat : dit leysen-
buxsken hoert toe.
Op het vo van bl. 80 onderaan hehben wij iets uit-
voeriger; daar luidt het :
Dit boexskens hoert toe
suster Johana Cueliens
suster elisabet ghoeijuaers
heuet my gegeuen
waarop nog volgt : qui patitur vindt onia / de absentibus
nil I nisi bonum.
Deze laatste regels zijn door een andere hand geschreven.
Ons « leysenboekske » (i) heeft dan aan twee « susters »
toebehoord; de eerste heeft het aan de tweede gegeven.
Wie echter die « susters » Culiens en Ghoejruaers geweest
zijn, daar is mij niets van bekend (2). Hare mededeelin-
gen zijn van geen nut om de herkomst van onze ver-
zameling te bepalen, behalve tot het staven van het feit
dat zij aan kloosterzusters heeft toebehoord.
II) J. Verdam, in zijn opstel Middelnederlandsche geestelijke poé:{ie,
in de « Verslagen en mededeelingen der Kon. Akad. van Wetenschappen,
afdeeling Letterkunde », 4e reeks, D. II (Amsterdam, 1898), bl. i53,
heeft er al op gewezen dat deze vermelding van leiisenbuecsken niet
zonder eenig belang is in verband met Acquoy's verklaring van leis
(Zie het opstel Kerstliederen en Leisen in de Verslagen en mededeelingen
der Kon. Acad. te Amsterdam, afdeeling « Letterkunde », 3© reeks,
D. IV, Amsterdam, 1887, bl. 352-404).
(2) In de Dietsche Warande van 1897 (bl. 261-288, 38i-393, 446-461)
heeft de heer H. Roes een Tilburgsch liederenhandschrift bekend
gemaakt en er uittreksels uit medegedeeld. Dit hs. dagteekent uit
de laatste jaren der i6e eeuw. Prof. Verdam, t. a.pl., bl. i54, noot i,
vraagt of het toeval is dat dft hs. in het bezit is van den heer
Digitized by VjOOQIC
— 28 —
Wanneer wij den tekst zelf van de liederen beschouwen,
zien wij ook al spoedig dat het hs. uit een klooster moet
komen. Blijkbaar werden sommige liederen vervaardigd
ten behoeve van en ook wel door kloosterzusters, met
name door Clarissen.
Dit moeten wij besluiten uit hetgeen op meer dan éene
plaats te lezen staat. Zoo wordt, op bl. 35 v^, een bede
tot den h. Franciscus, als patroon van de orde, gericht :
Nu helpt ons suete heilege vader / In u orden soe wel
staen / Dat enz ; elders, bl. 3o r**, heet hij suete vader ....
weert patroen; bl. 34 \'^ wordt hij wederom aangeroe-
pen : nu hulpt ons heilege vader {C/r. nog bl. 35 v©).
— De heilige Clara heet, bl. 36 v», onser moeder; op
bl. 38 ro, ons lief moeder sinte Claer ; een weinig verder,
op bl. 39 ro, staat het nog veel duidelijker in een lied
haar ter eer : Gruet ons Franciscus onsen vader / Ons
patroens sidi bey gader; en om als *t ware allen twijfel
weg te nemen, volgt daarop : bevolen blive u al ons
covent. Ook op een andere plaats, nl. bl. 3i v^, wordt
aan de h. Clara het « co vent » aanbevolen, terwijl ten
slotte hetzelfde verzoek, op bl. 27 v^, tot Maria gericht
wordt. Ook uit andere nog dan de tot dusver bespro-
ken plaatsen schijnt afgeleid te mogen worden dat de
liederen door nonnen geschreven worden; heele stukken,
als b. V. dat waar de bundel mede begint, passen uit-
stekend in den mond van kloosterzusters.
L. GOVAERTS te Tilburg, en dat het Parijsche hs. heeft toebehoord aan
Lijsbeth Guoevuaers? — Daarop zal wel bevestigend moeten geant-
woord worden. Immers, de heer Leo Goyaerts schrijft mij dat hij het
in de Dietsche Warande besproken hs. destijds van een familie heeft
ontvangen, welke er niets anders van wist dan dat het voorheen in
die familie van ouder tot ouder was overgegaan. Uit verschillende
ondcrteckeningcn in het hs. zelf blijkt verder dat hel met den naam
van den heer Goyaerts niets gemeens heeft.
Digitized by VjOOQIC
— 29 —
Op grond van den inhoud mogen wij dan m, i. gerust
aannemen dat de verzameling uit een Clarissenklooster
afkomstig is. Maar er komt in het hs. geen enkele aan-
duiding of zelfs toespeling voor met betrekking tot de
vervaardigers van de liederen, zooals dit vaak in andere
bundels aangetroffen wordt. Door wie ze gedicht werden
is dus niet na te gaan; waarschijnlijk hebben wij met
een eenvoudig afschrift te doen, m. a. w. in ons boeksken
— blijkbaar een verzameling door verschillende personen
aangelegd, waar nu en dan aan geschreven werd, en die,
te oordeelen naar de voorloopig wit gelaten bladzijden,
onvoltooid is gebleven — werden versjes uit andere verza-
melingen overgeschreven; niets bevestigt dat de nonnen-
copiïsten er van eigen maaksel bijgevoegd hebben, hoewel
natuurlijk de mogelijkheid daarvan niet uitgesloten is. —
Ook voor eene nadere bepaling van de plaats van herkomst
hebben wij geen gegevens. Wanneer wij er op letten dat,
achteraan het hs., een te Brussel gedrukte tekst voorkomt ;
dat, zooals wij verder zullen zien {Cfr. § 2), de taal der
liederen over het algemeen Brabantsch gekleurd is, schijnt
het niet vermetel te vermoeden dat het uit een Brabantsch
Clarissenklooster komt.
2. — De inhoud.
Het hs. bevat een reeks geestelijke liederen (i), allen
in het Mnl. opgesteld, behalve een stuk, nl. een Latijn-
sche lofzang, tot de heilige Barbara gericht. De tekst
(i) Gemakshalve heb ik de voorkomende stukken met Romeinsche
cijfers genummerd (van I tot XLVI), en zal er voortaan aldus naar
verwijzen; de gewone cijfers duiden de versregels aan. liet stuk in
proza staat onder nr XLIV ; een ander (nl. nr V) is niet opgenomen.
Digitized by VjOOQIC
— 3o —
van deze hymne heb ik elders niet teruggevonden (i).
Eenige liederen hebben een gemengden Nederlandschen
en Latijnschen tekst, nl. n" IV, VI en XXXIX. Een
lofzang tot den heiligen Franciscus komt tweemaal voor
(n" XIII en XLVI), zonder afwijkingen van belang (2);
op bl. 12 r° heeft de copiïste een stuk begonnen (n*" V),
maar het bij de eerste strophe er van gelaten; een weinig
verder begint zij het nog eens, en schrijft het dan in
zijn geheel. Allerlei andere zaken getuigen nog dat de
afschrijfsters met weinig nauwgezetheid te werk gingen.
Tamelijk veel plaatsen zijn niet in orde wat het rijm of
de volgorde der rijmen beti-eft; elders hebben de strophen
een verschillend getal verzen (aldus b. v. n^ X); nu en
dan zijn verzen uitgevallen; een stuk zelfs (n** XXVI) werd
geschreven alsof het gewone proza was, zonder te letten
op maat of rijm.
Naar hunnen inhoud kan men de liederen van onzen
bundel aldus rangschikken :
a) Ten eerste komen er een aantal voor met betrek:
king tot Christus; éen is een weeklacht op zijn lijden
(n^ XLV), de andere zijn Kerstliederen, in eigenlijke of
breedere opvatting; zij bezingen nl. niet alleen de ge-
boorte zelve van Christus, maar ook al wat daarmede in
verband staat. Tot dit soort behooren de n" III, IV,
VI, VIII tot X, XXIX tot XXXII, XXXVI. XXXIX,
XLI-XLÏII. Zooals men ziet, vormen zij alleen reeds meer
dan het derde gedeelte van de heele verzameling. Dat
zal niemand verwonderen die bedenkt, dat de geboorte
van Christus gedurende de gansche middeleeuwen gaarne
(1) In de twee groote verzamelingen van J. Julian, A dictionary
of hymnology (Londen, 1892) en U. Chevalier, Repertorium hym-
nologicwn (Brussel, 1889 vlgg.) heb ik vergeefs gezocht.
12) Zie verder de aanteekening bij nr XIII. Uit de afwijkingen
blijkt dat naar twee verschillende redacties werd afgeschreven*
Digitized by VjOOQIC
— 3i —
door dichters bezongen werd, en dat die liederen ook in
andere bundels zeer talrijk zijn. Zooals elders worden
ook hier allerlei legenden uit de pseudo-evangeliën en
andere werken met het verhaal van het Nieuwe Testament
verbonden; ja, in n' X o. a. treffen wij bijzonderheden
aan uit, naar het schijnt, nog tot heden onbekende bron-
nen. In dit opzicht brengt onze verzameling iets nieuws,
b) In de tweede plaats hebben wij de liederen tot
de heiligen. Een viertal zijn eigenlijke Marialiederen,
n« VII, XXXIII tot XXXVIII (i). Andere zijn lofzangen
gericht tot den h. Franciscus (n" XIII-XVII en XLVI),
tot de h. Clara (n« XVIII-XX), tot de h. Barbara
(n" XXI = Lat. hymne, en XXII-XXVII). Daar komen
enkele niet onaardige onder voor. De stof van die liede-
ren werd grootendeels ontleend aan legenden met be-
trekking tot de bezongen heiligen in omloop; zoo worden
o. a. de aanroepingen tot de h. Clara, in de « litanie »
die haar ter eere vervaardigd werd (nl. met toespeling op
haren naam : Clara ^ aeternae lucisjilia, / Clara, stella claris-
sima, I Clara, stella meridiana), ook in een van de hier
aangetroffen liederen verwerkt (n*" XIX, 17 sqq,).
c) De overige stukken zou men tot de groep kunnen
brengen van de gedichten door Hoffmann von Fallers-
LEBEN (Hor. Belg., X, 3) en Jonckbloet (Gesch. der
NdL letter k , 2« uitg., II. 3 10) « liederen der minnende
ziel » geheeten. Het zijn de n" I, II. XI, XII, XXVIII.
XXXVII, XL. Zij bevatten, zooals andere versjes van
dit soort, godvruchtige bespiegelingen, opwekkingen tot
de deugd, rouwklachten over bedreven zonden of over de
bedorvenheid van de wereld, tafereelen van de vreugde
des hemels, enz. De uitdrukkingen en beelden, die daar-
(i) Eenige van de liederen, onder de rubriek cc Kerstliederen »
gebracht, konden even goed bij de Marialiederen gerangschikt worden.
Digitized by VjOOQIC
— 32 -
bij gebruikt worden, zijn ons genoeg uit andere dergelijke
stukken bekend.
Verschillende onder de hier voorkomende liederen kennen
wij al uit andere bundels; aldus n" VI tot IX en XIII.
Vergeleken met die reeds bekende teksten, vertoont de
redactie van onzen bundel nog al afwijkingen, die, op
meer dan éene plaats, niet zonder belang zijn (i). Aldus
eindigt n^ VIII (de leis Laet ons met herten rejrne) in
het Parijsche hs. met die strophen, welke elders aan het
begin komen, en die werkelijk beter aan het slot passen;
de volgorde in de tot dusver bekende teksten zal dan,
naar den nieuwen, best veranderd worden. N^ XIII (de
lofzang op den h. Franciscus) komt hier veel vollediger
voor dan in het Deuoot ende profiteljrck boecxken van
iSSg, door Scheurleer opnieuw uitgegeven (2). Andere
liederen daarentegen hebben in ons hs. een minder goe-
den of volledigen tekst, b. v. n^» VI en IX (3).
Van de vijf zangwijzen, die in de Parijsche verzame-
ling voorkomen, is slechts éene mij van elders bekend,
nl. die van n*" XXXIII, wie wilt horen singen van eenen
tjrmmerman (zie o. a. Hor, Belg , XI, 246).
Wat de taal van onze gedichten betreft, daarover kan
ik kort zijn. Over die van de reeds bekende liederen
valt niets te zeggen. De andere vertoonen een taal met
(i) Zie de aanteekeningen bij den tekst der verschillende liederen.
(2) D. F. Scheurleer, Een Deuoot ende Profitelyck Boecxken.
Geestelijk Liedboek met melodieën van i53g, opnieuw uitgegeven en van
eene inleiding, registers en aanteekeningen voorpen, Den Haag, 1889,
bl. 128.
(3) Het verwondert mij dan ook dat, in zijn reeds vermeld opstel,
bl. i53, Verdam van dit laatste vers (de leis Een kindeken es ons
geboren) zegt dat in het Parijsche hs. er een w veel vollediger tekst
[van] aangetroffen wordt dan in de Hor. Belg. ». Zie de aanteeke-
ningen bij het stuk zelf.
Digitized by VjOOQIC
— 33 —
veel Brabantsche vormen. Wij vinden nog al vaak « um-
laut » van de a waar hij in andere dialecten dan het
Brabantsch (en het Limburgsch) zelden is; b v. vóór
ch = got. ht, als gedechte (XLII, 8), mechtich (II, 44;
XII, II), geslechte (XKY, 3i; XXVII, 5 en passim)\ verder
nog in tpermen (XXXII, 21), helsken (XXXIX, 23), lemme-
ken (XXV, 38), enz. Ook a umlaut » van d treffen we aan,
als b. V. me(e)ghden (XVIII. 28; XIX, 22; XLIII, 42
en elders), genedich (XXX, 24), m^r = maer (XLIII, 19),
vercleeren (XXII. i3), de uitgang ere =^ are (b. v. son-
deers, VIII, 96). Brabantsch (ook Limburgsch) zijn nog
de vormen waarin u{e) = Onfr. uo (Germ. o, Ndl. oe),
als hueden (I, 12; II, 48), sueken (II, 9), grueten (XXXI,
8 en passim), minderbrueders (XVI, 21), suet (I, 55; II,
II, i5; XXV, 14, 17. 22 en vaak elders). Andere Bra-
bantsche vormen zijn gescepen (XXXVIII, i3), wet (imper.
van o weten », XVI, 9, 22; XVII, 8; XIX, 18, enz.),
5^/^/2 = zullen (XVI, 10 en elders). Brabantsch (hoewel
niet uitsluitend) is ook de spelling oi voor o, als in hoige
(XXIX, 34), voir (X. 90, 95; XV, 24), voirsien (XLI, 25),
voirwaer (XVI, 9). Brabantsch eindelijk is nog de assimi-
latie nn uit nd in XLV, 4 waar honden staat, rijmende op
sonnen; men zal wel moeten lezen als stond er honnen.
Naast die groote hoeveelheid Brabantsche vormen komt
er een enkele Vlaamsche voor, zooals b. v. of voor af
(XXXII, 7), misschien ook versiegen (II, 3i) en ghijt (I,
48). Doch zij bewijzen niet veel, te meer daar zij (behalve
versiegen) aan rijmdwang toe te schrijven zijn (i).
Wij hebben boven gezien (§ i) dat de uiterlijke gesteld-
heid van het hs. op + i5oo wijst. De inhoud zelf zal
niet veel ouder zijn, en niet vóór de i5e eeuw opklim-
(i) Zie beneden, bl. 35, aan het slot van deze paragraaf, en
vooral de noot bij I, 48.
Digitized by VjOOQIC
- 34 -
men. In zijn bespreking van de leis Laet ons met herten
reyne (= alhier n^ VIII), heeft Acquoy (Kerstliederen en
leisen, bl. 371) insgelijks de i5« eeuw als tijdperk van
ontstaan er van aangenomen. « Woorden als o ghepresen-
teert » en « ghefigureert », a conforteerde » en « respon-
deerde », zegt hij, zijn echter niet de eenige aanwijzingen
van een jongeren datum. Reeds het drieregelig keervers
voor alle stemmen duidt een lateren oorsprong aan. »
Dit is ook toepasselijk op de andere leisen van onzen
bundel, en op de overige liederen; niets noopt ons een
ouderen oorsprong aan te nemen. Dit wordt nog gesteund
door sommige taaiverschijnselen, als b. v. de apocope
van de onduidelijke e in de uitgangen der werkwoorden
(vormen als heb = hebbe, XXIX, 34 ; begonst, XXXIX,
22, enz. Zie van Helten, Mnl, Spraakk., § i83). Aan
den anderen kant vinden wij nog niets van den invloed
der Rederijkers, zooals in de meeste bekende geestelijke
liederen, tenware men daaraan wou toeschrijven het soort
van middenrijm dat enkele malen in n*" XV voorkomt.
Ten slotte blijven nog eenige woorden te bespreken die
wij in onze verzameling aantreffen. Ik wijs vooreerst op het
woord r oliën (X, 84), dat tot dusver als een hapax lego-
menon beschouwd werd; het staat tweemaal als opschrift in
een fragmentarisch hs.. door Verwijs destijds besproken (i).
De lezing aldaar — waar Verwijs aan twijfelde — wordt
door deze tweede plaats op welkome wijze bevestigd.
Een ander tot nog toe onbekend woord is stedelijn (III, 40).
Het komt, meen ik, nergens elders voor, hoewel het wel
(i) Verwijs, Van Vrouwen ende van Minnen (Groningen, 1871),
Inleiding, bl. XI. — Dit was reeds gedrukt, toen mij Prof. W. L. de
Vreese opmerkzaam maakte op den titel van een traktaat van Jan
van Leeuwen (hs. nr 667 van de Konink. Bibliotheek te Brussel) :
Die rolie vander wallende woedegher hertelike berrende minne te Gode
wert, en mij tevens mededeelde dat in de daarin voorkomende werken
van Jan van Leeuwen rolie verscheidene malen aangetroffen wordt.
Digitized by VjOOQIC
-- 35 -
kan bestaan hebben met de beteekenis van « plaatsje ». De
vorm heeft niets ongewoons. Doch in verband met den vol-
genden regel, die blijkbaar corrupt is {cfr, den tekst verder)
is het moeilijk met zekerheid over het woord te oordeelen.
Het WW. beelden komt op eene plaats van ons hs. voor
(nl. I, 7) in de intransitieve opvatting van a een gestalte
verkrijgen ». Dat het elders met die beteekenis gevonden
werd, denk ik niet; Verdam (MnL Wdb,, I, 677) kent
het alleen in transit, zin : a) een bepaalde gedaante ge-
ven, vormen; b) afbeelden, voorstellen. — Het w. beelde
(XVn, 17) heeft wel niets merkwaardigs, maar de opvatting :
« gedaante, gestalte » schijnt ongewoon; Verdam {ibid.^ I,
676) geeft het enkel op in de beteekenis « vrouwenbeeld »
en als elliptisch gebruikt voor « vrouw ». Plaatsen, waar
het voorkomt met de opvatting die hier past, ontbreken.
Bullen (XVn, 26), d. i. lat. bulla^ verdient, om dezelfde
reden, vermeld te worden. Het beteekent hier niet a zegel
eener oorkonde », noch « de oorkonde zelf » (zie Verdam,
ibid,^ I, 1476), maar zooveel als « schriftelijke bewijzen voor
de authenticiteit eener zending ». God wordt hier bij een
aardsch geestelijk vorst vergeleken. — Evenzoo komt blejrne
(VIII, 55) voor met de figuurl. beteekenis van « schande,
smet », welke het MnL Wdb,, I, 1291-92, niet opgeeft.
Ik wijs eindelijk nog op den praeteritumsvorm ha (XIII,
19) van « hebben », die, voor zoover ik weet, enkel op een
paar plaatsen van de « cluchte » van Playerwater voor-
komt, w. 277 en 3i5, alsmede in Hennen van Merchtenen's
Cornicke van Brabant (uitg. Gezelle, Gent, 1896), v. 279
en passim, en welken Verdam (MnL Wdb., III, 194) schijnt
te mistrouwen (i), en op een rijm als hovescheit : ghijt
(d. i. gaat) (I, 46, 48), dat een diphthongische uitspraak
der e bewijst (2).
(i) Dit wantrouwen is niet gerechtvaardigd. Zie de aanteekening
bij XIII, 19.
(2) Cfr, de aanteekening bij I, 48.
Digitized by VjOOQIC
— 36 —
3. — De uitgave.
Op de volgende bladzijden is de tekst van het hs. nauw-
keurig afgedrukt. De afkortingen zijn zonder nadere aan-
wijzing opgelost; waar het nuttig kon wezen, is telkens
aangeduid wat de schrijfwijze van het hs. is. Ook het
onderscheid tusschen de u en p, i en y, is opgegeven.
De interpunctie is door mij aangebracht; wat in opzicht
daarvan in het hs. staat, is hooger medegedeeld (§ i). De
spelling heb ik ongewijzigd gelaten, hoewel verschillende
schrijfwijzen van hetzelfde woord soms in hetzelfde stuk
voorkomen, en men daardoor zou geneigd zijn er een zekere
eenheid in te brengen. Aan het begin van eiken versregel en
bij eigennamen heb ik een hoofdletter gezet. Alle verbete-
ringen, doorhalingen, enz. die in het hs. voorkomen, staan
onder aan de bladzijde vermeld. Op eenige plaatsen zijn blijk-
bare fouten verbeterd, maar telkens met aanduiding, aan den
voet van de bladzijde, van de oorspronkelijke lezing. Plaat-
sen die mij bedorven schijnen of onbegrijpelijk voorkomen
laat ik ongewijzigd, doch bespreek ze met een woord in de
noten ; een enkele aanvulling, in den tekst, die ik mij ver-
oorloofd heb, staat cursief en tusschen haakjes gedrukt.
Digitized by VjOOQIC
- 37 -
[Fol. I r»] Alle creatueren willic ave gaen,
Ende mijn herte in duechden keeren.
Moditicker inne volstaen
5 Edel herte houdt u vry
Van eertschen creatueren,
Ende laetse beelden niet in di.
Ende dwinct dijn edele natuere;
Si mocliten di verweeren
lo Al in die eewege doot.
Heere God, doer dine edelhede
Huedt ons van selker noeti
Als der minnen trane
Dat aenschijn overgaen,
i5 Soe comt die minnere selve
Ende geet hem scincken saen.
Wat geeft hi hem drincken?
Hem selven geeft hi al.
Die wel te rechte wil dincken,
[i v«>] 20 Sijn loen en es niet smal.
Kinder, laet ons Gode minnen,
Het dunct my wesen meer dan tijt.
Mochten wi den hogen loen gewinnen,
Soe souden wi leven sonder nijt.
25 Vroude ende groot jolijt.
Es hen altoes bereit
Die daer dient, sonder vermijt,
Den Heere daert al an steit.
N' I. — V. 3 Na dit vers schijnt, te oordeelen naar den zin en de
volgorde der rijmen, een regel uitgevallen.
V. 7 Beelden hier met de intrans. opvatting van « eene gedaante,
gestalte verkrijgen ». C/r, Inleiding, bl. 35.
v. 9 Verweeren. Men zal wel moeten lezen verwerren, d. i. « ver-
strikken ». De beteekenis van verweren : « verdedigen, afweren, ver-
hinderen » past hier kwalijk.
Digitized by VjOOQIC
— 38 -
Ie wille den Heere alleene
3o Te male getrouwe sijn;
Ie minnen alte eleene :
Dat es die seade mijn.
Nu willic my gaen voegen
Te male in eenicheit;
35 In wil voert meer niet proeven
[2 r^] Der mensehen ongestadicheit.
Hi es te male alleene
Die my vervrouden mach;
Der menschen troest es eleene,
40 Dies proevic al den dach.
Nu laet ons gerne doghen
Liden ende ongelije,
Ende doet die ziele hoeden
Ende maeese in duechden rij e.
45 En wils niement clagen
Dan siere hovescheit;
Hi saelt my hulpen dragen
Alst my over ghijt.
vv. 37-40 In het hs. R der Gentsche Universiteitsbibliotheek,
dat een werk van Ruusbroec bevat (nl. de Cierheit der gheesteliker
brulocht) en door Prof. W. L. de Vreese beschreven wordt in zijn
monographie over Ruusbroec (bl. i85) komt, op een perkamenten blad
vooraan, een rijmpje voor dat treffend op deze vier regels gelijkt :
Het is die suete Jhcsus alleyne
die my verbliden mach : der
Menschen troest is also cleyne
Dat ondervindic al den dach.
V. 48 Lees alsof er stond gheijt, d. i. *gheyt, d. i. *gheit, d. i. geit,
d. i. geet. Zie voor deze ei, Kern, Limb. Serm,, Inleiding, § 222; van
Helten, Mnl, Spraakk., §241. Deze diphthongische uitspraak der e
bestaat, sedert de middeleeuwen reeds, in Vlaanderen en blijkbaar ook
in Limburg, maar niet in Brabant ; op deze plaats zal zij wel toe te
schrijven zijn aan rijmdwang, evenals 0/ voor af in XXXII, 7.
Digitized by VjOOQIC
- 39 -
Nu en es hier geen dueren
5o In deser nederheit;
En es maer een ure
Tsegen die eewicheit.
[2 voj Ie bidde u, hoge natuere,
Maect my van duechden rijc,
55 Dat ie suete ende suere
Mach liden al gelijc.
Sceiden.
Dat ie van her Jhesus sciet,
Daeromme mach ie wel weenen;
Ende ie hem in goeder trouwen liet,
60 Daerin soe bleevic cleene.
Ie sciet van hem, ende hi niet van my.
Ie doelde in dit allinde.
Soe ie my meer keerde van hem,
Soe ie my min bekende.
65 Ie hielt van my, doen viel ie saen :
Toeval woude my bedriegen.
Gracie en si es my opgedaen
v: 56 Met dezen regel eindigt blijkbaar het gedicht. Het tiental
verzen, dat nog op deze bl. staat, is een soort van « bladvulling »,
die zelfs onvoltooid schijnt. Cfr. v. 67.
V. 57 Hs. Sceiden dat ie enz. Het eerste woord beschouw ik
als den titel.
V. 63 Deze regel eindigt in het hs. met keerde; v. 64 begint
met Van hem.
v. 66 Toeval, d. i. invallende gedachten, j^innelijke voorstellingen
die \ich meesier maken van iemands gemoed. Vgl. Geest. L. (hs.),
2 rö : « alle toeval vreemder beelden werden u afghenomen w.
V. 67 Ik weet niet wat deze regel beteekent. Waarschijnlijk ont-
breekt een vers, te oordcelen naar het rijmschema.
Dialect. 2
Digitized by VjOOQIC
— 40
II
[3 r*] Het es daer in den sonnenscijn
Claer en fijn
Daer die weerde heilege sijn.
Na dat sint Jan daer sach,
5 Eest daer altoos eewich dach;
Daer en es anxte noch genen noet,
Maer vroude groet;
Hi es daer, diet al vermach.
Si sueken raste in haer begin,
10 En goede weyde es haer gewin;
lu sijn suete menscheit daer
Ende godheit claer,
Daer gaense altoes uut ende in.
Si sugen uut siere herten fijn
i5 Balseme ende oversueten wijn,
Die daer in der minnen groeyt
Ende overvloeyt
[3 yo] Doer alle heilegen die daer sijn.
Hi biet daer sinen sconen mont,
20 Sijn claer aenscijn, sijn hertegront.
Die wilt, die mach genade ontfaen
Het es al voldaen,
Hi es van minnen al doerwont.
Si eten daer dat hemelsche broet ;
25 Sijn herte es al bloedich roet;
Die si minnen, sijnse bi,
Ende altoes vri;
Si vallen al in sinen scoet.
Nr II. — V. 8 Na dien regel heeft het hs Repeticie heetes,
V. 9 Si zijn de weerde heilege van v. 3, en door haer begin
wordt God bedoeld.
V. 12 Hs. claerheitf blijkbaar eene vergissing.
Digitized by VjOOQIC
— 41 —
Hi sach dat edel, weerde lam,
3o Hoet ons menscheit anenam.
Dat doer ons versiegen was,
Ons sonden genas,
Ende tot sijnder vrouden quam.
Hi versach den hoechsten trone,
35 Dat God was hare alre crone,
[4 r®] Sittende in sijn conincrike,
Sonder gelike.
Dat eewich woert, des Vaders sone.
Die scone coninginne es daer
40 Gecleet al metter sonnen claer;
Haer bruydegoem, wel bereet,
Scone gecleet,
Gecroent al openbaer.
Si es daer mechtich ende alte groot,
45 Si heeft getorden des draken hoot,
Ende gebonden in den bant
Met hare hant.
Si huede ons in die ure der doot. Amen.
Het es daer in der sonnen scijn
5o Claer en fijn
Daer die weerde heilegen sijn.
V. 29 Hi, nl. sint Jan van v. 4.
V. 39 Hs. Die scone coninginne es daer gecleet
V. 42 Hs. Scone gecleet aldaer.
V. 46 Hs. bant. met hare.
V. 47 Hs. Hant. Si huede ons in die ure.
V. 47 Hs. Der doot. Amen.
Digitized by VjOOQIC
42 —
III
[4 v«] Alder werelt Heylant Kyrieleison
Heeft ons sinen bode gesant. Alleluia
Geloeft sidi Maria,
Die bode, hi was een yngel;
5 Geheeten was hi Gabriël.
Geloeft sidi Maria.
Hi quam tonser liever vrouwen;
Men machse gerne aenscouwen.
Geloeft sidi Maria,
lo Hi quam daer hise besloten vant;
Hi versceen haer altehant.
Geloeft sidi Maria,
Die maget haer seere ontsach,
Doen si den ingel bi haer sach.
[Sro] iS Geloeft sidi Maria.
<c Gegruet bestu, maget fijn,
« Du sult baren een kindekijn. »
Nu bidt vor ons Maria,
Dies nam si doen groot wonder an,
20 Want sine kinde genen man.
Geloeft sidi Maria,
Nr III. — w. 1, 2 De verkortingen KyrieV en all zijn met roodcn
inkt onderstreept, en worden bij elke strophc aan den rand herhaald
(Kr en aira).
V. 3 Geloeft sidi maria staat na elke der eerste vijf strophen
herhaald. Men zou, in overeenkomst met de symmetrie der volgende
strophen (str. 7-9. 10-12, enz.), dit enkel na str. i en 4 verwachten;
na str. 2 en 5 : God gruete u maria., en na str. 3 : Nu bidt vor oiis maria.
V. II Hs. h scheen.
Digitized by VjOOQIC
• - 43 -
O Dat moet een groot wonder sijn!
« God heeft die reynichede in my ».
God gruete u Maria.
25 Doen sprac die ingel daerna :
« Ave, plena gratia I
Nu bidt vor ons Maria.
[5 v«] « Nu saltu di houden wel ;
« Met u blijft genade ende spel ».
3o Geloeft sidi Maria,
« Na dine woerden moet my gescien.
« Hevet God ane my versien,
God gruete u Maria,
o Gods deerne willic gerne sijn.
35 « Gescie my na den woerden dijn ».
Nu bidt vor ons Maria,
Si knielde neder op eenen steen;
Hare gebet was suver ende reen.
Geloeft sidi Maria.
40 Si ginc te hare stedelijn
Jhesus .iij. namen soete ende fijn
[6r«] God gruete u Maria.
V. 23 Hs. heeft. Misschien verkeerd afgeschreven voor (h)eert;
misschien verandert men even goed in loeft. Het ww. hebben schijnt
in alle geval hier niet te passen.
V. 28-29 Deze regels, evenals eenigc andere verder, 37, 40-41,
zijn niet duidelijk.
V. 40 Stedelijn. Zie de Inleiding^ hl. 34-35.
V. 41 De lezing is blijkbaar bedorven; wat er oorspronkelijk
gestaan heeft, schijnt moeielijk aan te wijzen. Men bekomt een ge-
zonden zin door te veranderen in : Jhesus die quamer; maar, het
moet gezegd, die wijziging is graphisch niet te verklaren.
Digitized by VjOOQIC
— 44 —
Si droegen, mach men spreken,
Ixxxix weken.
45 Nu bidt por ons Maria.
Si droegene te hare herte
Al sonder eenege smerte.
Geloéft sidi Maria,
Si droegene onder hare gere,
5o God, alder weerelt Here.
God gruete u Maria.
Dat was wel een salich nacht.
Dat geboren was die dracht.
Nu bidt vor ons Maria.
[6 vo] 55 Doen si des kindekijns genas,
Maget bleef si alsi was.
Geloeft sidi Maria,
Si want in haer doekelkijn
Jhesus, dat soete kindekijn.
60 God gruete u Maria.
Sijn wiege was een crebben;
Hine woude geen beter hebben.
Nu bidt vor ons Maria.
Si soechden met haren borsten,
65 God, alder weerelt vorste.
Geloejt sidi Maria.
V. 44 Moet men wellicht lezen xxxix? In alle geval bekomt
men, door die geringe wijziging, een minder fantastisch getal.
V. 61 Hs. crebbekijn; lees «crebben» wegens het rijm op «hebben»
in den volgenden regel.
V. 65 Hs. voerste; lees « vorste » om het rijm te hebben met
vorigen regel.
Digitized b'y VjOOQIC
- 45 -
Si sette tkint op haren scoet
Die ons, sondaren, halp uter noet.
[7 r«l God gruete u Maria.
70 Wie sal dat kint behoeden dan?
Joseph, die goede, gerechte man.
Nu bidt vor ons Maria,
Wie sal des kindekens pleger sijn?
Dat sal Maria die maget sijn.
75 Geloeft sidi Maria.
Wie sal doepen dat kindekijn,
Dien sal des conincs rike sijn?
God gruete u Maria.
Dat sal sijn Baptiste sint Jan,
80 Al in die flume van Jordan.
Nu bidt vor ons Maria.
[7 vo] Het scheen een lichte sterre
In orienten, herde verre.
Geloeft sidi Maria.
85 Si wijsde die coningen op die vaert,
Doen dat kint geboren waert.
God gruete u Maria.
Si offerden hem een rike scout :
Wieroec, mirre ende gout.
90 Nu bidt vor ons Maria,
V. 80 Hs. fluine.
V. 86 Hs. waert aldus voluit geschreven.
Digitized by VjOOQIC
m^'^
- ^6 -
IV
Joachims ende sinte Annen bloet,
Ave Maria
Heeft gedaen ons allen goet.
Gratia plena
5 Nu bidt vor ons Maria.
[8 rö] Doen dat kint ter werelt quam,
Ave Maria
Die hemel was vroe, die helle wert gram.
Gratia plena
lo Geloeft sidi Maria.
Die maecht wies in doechden voert;
Ave Maria
Gebenedijt si haer geboert.
Gratia plena
i5 Nu bidt vor ons Maria.
Die maecht lach in orisoen ;
Ave Maria
Die ingel quam uut shemels troen.
Gratia plena
20 Geloeft sidi Maria.
[8vo] Hi sprac : « God gruetu, reyne wijf,
Ave Maria
u Al vol gracien es dijn lijf; »
Gratia plena
25 Nu bidt vor ons Maria,
Nr IV. — V. i8 Hs. h-oen.
Digitized by VjOOQIC
- 47 -
« Du sult ontfaen dat eewege woert. »
Ave Maria
Die maget bleef hieraf acoert.
Gratia plena
3o Geloef t sidi Maria,
Tote Gabriël soe sprac si :
Ave Maria
t Een kint tontfane verwondert my.
Gratia plena
35 Nu bidt vor ons Maria.
[groj tt Want ie en kinde nye man,
Ave Maria
« Die vrucht ane minen live wan n,
Gracia plena
40 Nu bidt vor ons Maria.
Die ingel sprac : « blijft onbevreest,
Ave Maria
« In di soe comt die Heilege Geest;
Gracia plena
45 Geloejt sidi Maria.
« Des Heilichs Geests cracht sal di
Ave Maria
« Verlichten, reyne maget vri ».
Gracia plena
So Nu bidt vor ons Maria,
V. 38 Hs. mine
V. 40 In plaats van Nu bidt enz. zou men, volgens de symmetrie,
Geloe/t enz, verwachten; de « repeticie » werd tweemaal herhaald,
vermoedelijk wel uit verstrooidheid, ten gevolge van het beginnen
op een nieuwe bladzijde. Eene strophe is, blijkens het verband, niet
weggevallen. C/r. verder, w. io5 en iio, dergelijke herhaling.
Digitized by VjOOQIC
»>■
- 48 -
[9 vo] (( Siet hier die deerne ons Heren gi ;
Ave Maria
« Na dinen woerden gescie my ».
Gratia plena
55 Geloeft sidi Maria.
Tehant ter stede si ontfinc
Ave Maria
Jhesum Kerst, den jongelinc.
Gratia plena
6o Nu bidt vor ons Maria.
Nochtan bleef si reyne maecht;
Ave Maria
Dat wonder die natuere claecht.
Gratia plena
65 Geloeft sidi Maria.
[lor**] Dgelas doerscijnt die sonne claer,
Ave Maria
Ongebroken , openbaer ;
Gratia plena
70 Nu bidt vor ons Maria.
Alsoe geheel ende niet som
Ave Maria
Behielt si haren magedom.
Gratia plena
75 Geloeft sidi Maria,
Si droegen jonc, si baerden out,
Ave Maria
V. 76 Dit vers moet, dunkt mij, aldus opgevat worden : zij, die
jonc was, droeg en baarde Jezus, die out was, daar hij, als God,
van alle eeuwigheid bestond.
w. 66-68 zullen, voor den zin, met vv. 71-73 moeten verbonden
worden; zij vormen daarmede een soort van vergelijking.
Digitized by VjOOQIC
— 49 —
In eenen wintersnachte cout,
Gratia plena
80 Nu bidt vor ons Maria,
[10 yo] Ongequetst ende sonder wee.
Ave Maria
Dat wonder en valt nemmermeer.
Gratia plena
85 Geloef t sidi Maria.
Edel, teeder was dat reyne bloet,
Ave Maria
Dat Jhesus ane die maget loet.
Gratia plena
90 Nu bidt vor ons Maria,
Ghebenedijt soe si die nacht,
Ave Maria
Dat Jhesus was ter werelt bracht.
Gratia plena
gS Geloe/t sidi Maria
[iiro] Nie en wert ter werelt kint
Ave Maria
Van moederherte soe seere gemint.
Gratia plena
100 Nu bidt vor ons Maria,
Want doen hi ane den cruce hinc,
Ave Maria
Een sweert al doer haer herte ginc.
Gratia plena
io5 Geloejt sidi Maria,
V. 81 Hs. ongeqiiets
V. 100 Nu ontbreekt in het hs.
Digitized by VjOOQIC
#■■■■
— 5o —
Dat was van menegen pinen groot,
Ave Maria
Ende boven [al] haers kints doot.
Gratia plena
iio Geloef t sidi Maria,
[iiv<»] Ewangeliste sint Jan
Ave Maria
Sprac der droever moeder an :
Gracia plena
iiS Nu bidt vor ons Maria,
a Troest u, lieve moeder mijn ;
Ave Maria
« Vervult moet die scriftuere sijn.
Gracia plena
I20 Geloejt sidi Maria.
« Want ghi sult scouwen sonder waen
Ave Maria
« Den soeten Jhesus opverstaen ».
Gracia plena
125 Nu bidt vor ons Maria.
[i2r°] Mettien sheilichs Vader cracht,
Ave Maria
Haer droeve herte wert versacht.
Gracia plena
i3o Geloe/t sidi Maria.
V. io8 lïs. doots. — Al ontbreekt in het hs. De inlassching er van
wordt door den zin gevorderd ; boi*en alleen is niet te verklaren.
V. iio De t< rcpeticie )) der vorige strophc wordt hier herhaald,
wel door vergissing van den afsclirijver.
v. ii3 Hs. moeder ian.
Digitized by VjOOQIC
— 5i —
V
Geloeft soe si di maget Maria
VI
[i2vo] Nu laet ons singen, het es tijt :
Est puer natus hodie
Die ons allen heeft verblijt,
Pro nostrorum crimine
5 Hodie hodie natus est rex glorie.
Die vader in der eewicheit,
Est puer natus hodie
Ontfermde onser allindicheit.
Pro nostrorum crimine
lo Hodie hodie.
Dat Adam in den appel beet,
Est puer natus hodie
Dat mocht ons allen wesen leet
Pro nostrorum crimine
i5 Hodie hodie.
Want wi daerom hier te voren
Est puer natus hodie
[i3ro] Moesten alle sijn verloren.
Pro nostrorum crimine
20 Hodie hodie.
Nr V. — Van dit stuk, dat verder in zijn geheel voorkomt, onder
nr X, staan op dit blad slechts enkele regels. Cfr. de Inleiding, bl. 3o.
Nr VI. — Deze (c leis » komt ook voor, met sommige afwijkingen, in
het Sutierlyc Boecxken van i5o8, bl. 27-33. De tekst er van werd door
AcQUOY reeds gedeeltelijk afgedrukt in zijne verhandeling Kerstliederen
en Leisen, t. a. pi., bl. 367 vlg., alwaar ook nadere inlichtingen, gemeld
Boecxken betrefifende, te vinden zijn. In den tekst van i5o8 staan drie
strophen, die hier ontbreken; zie de aanteekening bij w. 100 en ii5.
V. 18 In plaats van verloren had de copiïste een ander woord be-
gonnen; zij heeft het geschrevene uitgekrast, en er verl in de plaats
voor gezet.
Digitized by VjOOQIC
- 52 —
Die Godssone van hemelrike
Est puer natus hodie
Woude werden ons gelike.
Pro nostronim crimine
25 Hodie hodie.
Daerom es hi hier nedercomen,
Est puer natus hodie
Ende heeft menscheit aengenomen.
Pro nostrorum crimine
3o Hodie hodie*
Tot eender maget altehant
Est puer natus hodie
Heeft hi sinen ingel gesant
Pro nostrorum crimine
35 Hodie hodie,
[i3vo] «God gruetu », sprac die ingel saen,
Est puer natus hodie
« Van Gode doe ie u verstaen.
Pro nostrorum crimine
40 Hodie hodie.
« Ghi sijt vol gracien sonder waen,
Est puer natus hodie
« Want ghi den Godssone selt ontfaen;
Pro nostrorum crimine
45 Hodie hodie,
« Want hi u daertoe heeft vercoren,
Est puer natus hodie
« Dat hi van u wilt sijn geboren ».
Pro nostrorum crimine
So Hodie hodie.
Digitized by VjOOQIC
— 53 —
Als Maria dat verstoet,
Est puer natiis hodie
Wert si vervaert in haren moet,
[141**] Pro nostrorum crimine
55 Hodie hodie.
Met vreesen sprac si den ingel an :
Est puer natus hodie
« Hoe sal dat sijn? En kinde noyt man ».
Pro nostrorum crimine
60 Hodie hodie.
Die ingel sprac haer toe mettien :
Est puer natus hodie
« Maria, en wilt u niet ontsien;
Pro nostrorum crimine
65 Hodie hodie.
« Die Heilege Geest sal u omvaen;
Est puer natus hodie
« Met sijnder cracht seldine ontfaen.
Pro nostrorum crimine
70 Hodie hodie,
« In u sal groot wonder gescien
[14V0] Est puer natus hodie
« Van Gode, dat noit en was gesien,
Pro nostrorum crimine
75 Hodie hodie,
« Noch nemmermeer en sal gescien ;
Est puer natus hodie
» Want ghi sult moeder ende maget sijn »,
Pro nostrorum crimine
8q Hodie hodie.
V. 66. Hs. omvaë»
Digitized by VjOOQIC
- 54 -
Als Maria dat verboerde,
Est puer natus hodie
« Her engel », sprac si, « mettien woerde
Pro nostrorum crimine
85 Hodie hodie.
« Soe moet my hierinne gescien;
Est puer natus hodie
« Die deerne Gods soe willic sijn ».
Pro nostrorum crimine
[i5ro] go Hodie hodie.
Doen si dat sprac oetmoedelike,
Est puer natus hodie
Ontfinc si Gode van hemelrike.
Pro nostrorum crimine
95 Hodie hodie.
Sonder pine ende sonder vaer
Est puer natus hodie
Ruste hi .ix, maent in haer.
Pro nostrorum crimine
100 Hodie hodie.
In der nacht dat si gelach,
Est puer natus hodie
Van rouvi^e en was daer geen gewach.
Pro nostrorum crimine
io5 Hodie hodie.
Die ingelen Gods van hemelrike,
Est puer natus hodie
[i5vo] Si songen alle blidelike :
Pro nostrorum crimine
iio Hodie hodie.
V. 100 Na dit vers komt in het Suuerlyc Boecxken van i5o8
éene strophe, die hier ontbreekt.
Digitized by VjOOQIC
— 55 —
« Gloria in der eewicheit
Est puer natus hodie
(( Si der heiliger triniteit! »
Pro nostrorum crimine
iiS Hodie hodie.
Die herden op den velden lagen;
Est puer natus hodie
Groote claerheit dat si sagen :
Pro nostrorum crimine
I20 Hodie hodie.
Met vreesen soe waren si bevaen.
Est puer natus hodie
Die ingelen quamen bi hem staen :
Pro nostrorum crimine
125 Hodie hodie.
[i6ro] « Ghi herden, en wilt u niet vervaren I
Est puer natus hodie
a Van Gode bringen wi u niemare :
Pro nostrorum crimine
i3o Hodie hodie.
« Want ons es een kint geboren
Est puer natus hodie
« Van eender maget uutvercoren ».
Pro nostrorum crimine
i35 Hodie hodie natus est rex glorie.
V. ii5 Na dit vers staan in den tekst van i5o8 twee strophen,
die hier zijn weggevallen.
V. ii6 Hs. opder
Dialect. 4
Digitized by VjOOQIC
— 56 -
Vil
Kinder, nu loeft die maecht Marie,
Si heeft vervult die prophecie.
Si droech een kint, die maecht Marie
Dat wonder en gesciede nie.
5 Maria es eene sterre scone.
Die ons verlicht aen den trone;
[i6vo] Wie haer aanbeet, hi heeft te lone
Jhesus Cristus, Marien sone.
Kinder
lo Maria es eene dageraert,
Die vor der middernacht opstaet;
Wie haer aenbeedt, hi heeft aflaet
Van alder sundeliker daet.
Kinder
i5 Maria es eene triniteyt.
Moeder van alder ontfermichey t ;
N' VII. — Deze lofzang is ons al bekend uit het Deuoot ende
Profltelyck Boecxken van iSSg; in Scheurleer's bovenvermelde
uitgaaf, bl. 268. Onze tekst telt eene strophe meer, nl. de zevende,
vv. 35-39. Ook de volgorde der strophen verschilt een weinig; bij
Scheurleer staan de vierde fvv. 20-24) en de vijfde (vv. 26-29) in om-
gekeerde volgorde. De afwijkingen zijn zonder belang. — BauMKKR,
in zijn Niederldndische geistïiche Lieder, nebst ihren Singweisen (in
het Vierteljahrschv.für Miisikwissenschaft, D. IV, 1888), bl. 192, deelt
insgelijks de eerste strophe van dit vers mede, met verwijzing, wat
de melodie betreft, naar zijn ander w^erk : Das KathoHsche deutsche
Kirchenlied, Freiburg i. B., i886-i883, 2 dln.
V. 4 Hs. gesciei. Het praesens past niet; men zou een imperf.
verwachten, zooals dit ook werkelijk staat in dezelfde strophe, die
aan het slot van het lied herhaald wordt (v. 52). Met het oog daarop
leze men ook hier gesciede,
V. 10 IIs. dageraert. In dezen vorm komt het woord wel in
andere Mnl. geschriften voor (zie het Mnl. Wdb., i. v.); doch door
de r hier te schrappen, zou men een zuiverder rijm bekomen.
V. i3 Hs. sunderliker
Digitized by VjOOQIC
- 57 -
Si es soe vol alder heilicheyt :
Dats ons een groote salicheyt.
Kinder
20 Maria es eene volle vloet,
Daer God aen nam vleesch ende bloet;
Dat sal dengenen wesen goet,
Die dienen om dat eewege goet.
Kinder
[17 r«] 25 Maria es eene rosé sonder doren,
Die God tot eender moeder heeft vercoren.
Eer Jhesus Cristus was geboren,
Was dese werelt al verloren.
Kinder
3o Her Joseph viel neder op sijn knien :
Hine conste dat wonder niet aensien.
Dat kind, dat in de crebbe lach,
Hi wiste wel, dat die Godssone was.
Kinder
35 Die ingelen die saten daer alle bi :
Met grooter vrouden wiechden si;
Met wonder waren si bevaen.
Dat haren scepper soe was ghedaen,
Kinder
40 Die ingelen songen alle : « Sanctus !
« Die Heilege Geest es hier int huys,
(( Geboren van eender jonger maecht,
[17 vo] « Die onsen Vader soe wel behaecht.
Kinder
45 « Sijt willecome, her jongelinc,
a Die ons van boven es ghesint,
« Der reynder maget Marien kint,
« Ende alder yngelen coninc ».
w. 35-39 ontbreken bij Scheurleer. Cfr. de aanteekening op de
vorige bladzijde.
Digitized by VjOOQIC
sè
Kinder, nu loeft die maecht Marie,
5o Si heeft vervult die prophecie.
Si droech een kint, die maecht Marie
Dat wonder en gesciede nie.
VIII
Laet ons met herten reyne
Loven dat suete kindekijn;
Het brinct ons uter weyne.
Die vader van hierboven
5 Sprac sinen ingel an :
[i8 r®] «Ie wille die helle scoren,
« Verlossen wijf ende man.
« Gaet wech toter fonteynen,
« Marien claer aenschijn,
lo « Ende segt haer wat ie meyne.
Laet ons
N' VIII. — Deze leis komt voor in het Suuerlyc Boecxken van i5o8,
bl. 7-1 1 ; door Aquoy werd zij medegedeeld in zijne verhandeling Kerst-
liederen en Leysen, t. a. pi., bl. 368-371, en later opgenomen, met de
melodie, in zijn bundel Middeleeuwsche geestelijke liederen en leysen,
met eene klavierbegeleiding naar den aard hunner tonen (Den Haag,
1888), onder nr XXIV. Ook BauMKER, Niederl. geist. Lieder, t. a. pi.,
geeft het onder nr 48. Verder komt het nog in andere oude liederver-
zamelingen voor. — De tekst van i5o8 telt slechts tien strophen (die,
welke aan de zesde en de negende van onze redactie beantwoorden,
ontbreken); bij BauMKER staan er twaalf, zooals hier. De volgorde
der strophen wijkt in het Parijsche hs. merkelijk van die der andere
redacties af; maar zij schijnt beter dan overal elders; immers, de
strophen, die in de andere teksten aan het begin komen (nl. de
eerste twee), passen werkelijk beter aan het slot. Daar werd reeds
boven, bl. 32, op gewezen. — Wat de afwijkingen in den tekst zelf
betreft, zij zijn nog al talrijk en niet zonder belang ; zij worden hier
echter niet in bijzonderheden medegedeeld en besproken, evenmin
als die van de andere stukken, waar nog elders de tekst van voorkomt.
Digitized by VjOOQIC
- 59 -
« Gruet my wel vriendelike
a Die suete, suver juecht,
« Ende segt haer blidelike,
iS «Si mach wel sijn verhuecht;
« Want si, ende el negeene,
a Gods moeder moet si sijn ».
Laet ons
20 Al binnen Nazarette
Quam dingel Gabriël.
Hi gruete die violette
Met suete woerden snel :
« God gruete u, suver reynel
[18 vo] 25 «Vol graden es u schijn!
« God es met u gemeyne!
Laet ons
« Bi u soe sal becliven
« Dat Adam heeft ontvrijdt;
3o « Want boven alle wiven
« Sidi gebenedijt.
« Ghi selt ontfaen een greyne
« In 'uwer herten scrine,
« Ende bliven een maget reyne ».
35 Laet ons
Si sprac oetmoedelike :
« Hoe soude dat gescien?
« En kinde sekerlike
« Noyt man; des wondert mie
V. 17 Hs. sine. Lees echter sijn (zooals beneden, v. 41) ; het wordt
vooreerst door de grammatica voorgeschreven, en verder bevestigd door
de rijmen van w. 9, 25, 41, enz. Vgl. BjIumker, t. a, pi., bl. 25o. — Na
dit vers is blijkbaar een regel weggevallen. In het Suuerlyc Boecxken
van i5o8 luidt hij : cc ick ben met haer gemene ■ .
v. 33 Men zou, met het oog op de vv. 9 (aenschijn), 25 (schijn),
enz. hier scrijn verwachten, en evenzoo beneden, vv. 49 kindekijn,
57 en 81 pijn, 65 mijn, 89 fijn, 97 medecijn.
Digitized by VjOOQIC
— 6o —
40 « Dat ie, ende el negeyne,
a Gods moeder soude sijn.
« Mijn herte es cout als steyne ».
[19 fo] Laet ons
Die ingel sprac tot hare :
45 «O weerde, suver maecht!
a En sijt in genen vare.
« Hets wonder dat ghi claecht;
» Want ghi selt sonder peyne
(( Baren een kindekijn,
5o « Ende bliven maget alleyne,
Laet ons
« Die Heilege Geest sal comen
«In u, wel suver wijf,
« Ontfaen, tot onser vromen,
55 « Aen u menscheüjc lijf,
« Hi wilt afdwaen die bleyne,
« Verlossen uter pine
« Alle sine vrienden gemeyne ».
Laet ons
60 Die maecht haer conforteerde
[19 vo] In dat haer dingel seide,
Ende si respondeerde :
« Tot Gode benic bereit.
« Na uwen woerden reyne,
65 « Stellic den willen mine;
« Siet hier Gods deerne cleyne ».
Laet ons
V. 47 Hs. Het
w. 48-49 Het hs. heeft resp. pine en kindekine. Zooals blijkt uit het
rijmschema der overige strophen, rijmt pine niet op kindekine, maar
op alleyne van v. 5o. Men leze daarom peyne en kindekijn, welk
laatste rijm gesteund wordt door die van vv. 9, aS, enz. Zie boven
de aanteek. bij vv. 17 en 33.
v. 56 Voor de beteekenis van bleyne , zie de Inleiding, bl. 35.
v. 59 De verzen 52-59 staan in het hs. vóór de vv. 44-5i; dat
zal wel eene vergissing van de afschrijfster zijn.
Digitized by VjOOQIC
f
— 6i —
Die yngel sciet van daer;
Maria bleef bevrucht.
70 Sonder wee oft vaer,
Oft sonder herteversucht,
Baerde die edel, suver greyne
Den hemelschen drochtijn,
Des Vaders Sone alleyne.
75 Laet ons
Ons es een kint geboren,
Een sone gepresenteert,
Hi comt die helle scoren,
[20 r°] Als mensche gefigureert.
80 Hi wilt ons alle gemeyne
Verlossen uter pine.
Met sinen bloede alleyne.
Laet ons
Dies mogen wi wel dan eken
85 Der maget, diene droech
In haer wel suver lancken :
Die dracht haer niet en verwoech.
Nu laet ons, groot ende cleene,
Loven die maget fine;
go Si brinct ons uter weyne.
Laet ons
Gelooft soe moet si wesen,
Nu ende in alder tijt!
Bi haer sijn wi genesen,
95 Ende bracht in dit jolijt.
O weerde, suver reyne,
[20 vo] Des sondeers medecine,
Bidt vor ons gemeyne!
Laet ons
V. 89 Hs. ionen
V. 96 Hs. suner
Digitized by VjOOQIC •
62 —
IX
Een kindeken es ons geboren
In Bethleëm;
Dies hadde Herodes toren,
Dat scheen aen hem.
5 Als Herodes dat vernam,
Dat dat kindeken geboren was,
Dies was hi tornich ende gram.
Want hi ontsach hem das,
Dat hi verliesen soude
lo Sijn rike, was groot.
Hi peinsde hoe hi mocht bringen
Dat cleyne kint ter doot.
Een kindeken
[21 r^l Drie coningen uut orienten
i5 Quamen te Jherusalem.
Si vraechden waer hi was geboren.
Die coninc der Joden.
Si sagen in orienten
Die sterre fijn;
N' IX. — Dese leis komt voor in het Suuerlyc Boecxken van i5o8,
bl. 3-7, alsmede in verschillende liederboeken van lateren tijd (XVIe-
XVIIe eeuw). Hoffmann, Hor, Belg», X, 27 sqq., en BauMKER,
Niederl. geistl. Lieder, t. a. pi., onder nr i3, hebben haar ook op-
genomen. Overal elders heeft het stuk ééne strophe meer dan in
ons hs. — C/r, bl. 32, noot 2.
V. 10 Over het uitlaten van het relatieve voornaamw., zie Stoett,
Mnl. Syntaxis, § 193. — C/r. XXII, 22, waar wij een dergelijke
constructie hebben.
V. II Hs. moch
V. 19 Hs. Die verbeterd uit de, dat eerst geschreven stond; van
de e werd eene i gemaakt, en daar dan eene e aan toegevoegd.
Digitized by VjOOQIC
— 63 —
20 Si wilden hem aenbeden :
Hi es soe fijn.
Een kindeken
Herodes sprac den coningen toe
(( Nu gaet ende soeket tkint
25 « Met alsoe grooter weerdicheit.
« Men seit, hi es coninc;
« Coninc boven alle coningen,
a Soe es hi fijn.
a Men seit, hi sal besitten
3o « Dat rike mijn.
Een kindeken
[21 v«] « Als ghi dat kint hebt vonden,
« Keert vvreder tote my,
« Dat ie, in corten stonden,
35 « Mach weten waer het si;
ff Dat ie mach aenbeden
(( Dat suete kindekijn.
a Het heeft soe seer doersneden
« Dat herte mijn! »
40 Een kindeken
Alse die coningen quamen
Buten Jherusalem,
Met vrouden dat si sagen
Die sterre gaen vor hem,
45 Toter tijt dat si vonden
Dat suete kindekijn
In doekelkine gewonden,
Al bider moeder sijn.
Een kindekijn
Digitized by VjOOQIC
p
^
w
m
i
ê-
- 64 -
[22 r*] 5o Die coningen aenbeden tkint
Van .xiij. dagen out;
Si ofiferden hem met onsten
Mirre, wieroec ende gout,
Ende al met grooter vrouden.
55 Het scheen wel sijn noet :
Si vondent daer ter stede
Van haven bloet.
Een kindeken
Tsnachts, alsi slapen souden,
60 Quam dingel tote hem.
Dat si niet keeren en wouden
Al dore Jherusalem.
By eenen anderen wege
Soe sijn si gekeert
65 Al in haer coninckrike,
Soe men ons leert.
Een kindeken
[22 V®] Nu bidden wi den kinde,
Dat Jhesus es genamt,
70 Dat hi ons wille bringen
Al in dat soete lant,
Daer die ingelen loven
Gode in alder tijt.
Des onne ons die Vader, die Sone,
75 Die Heilege Geest gebenedijt.
Een kindeken es ons geboren
In Bethleëm;
Dies heeft Herodes toren,
Dat scheen aen hem.
V. 69 Hs. genaemt; lees « genamt j> wegens het rijm op « lant »,
V. 71. Vgl. Mnl. Wdb.y op genaemt en gênant.
Digitized by VjOOQIC
65
[23 r®] Gelooft soe si die maget Marie
Van hemelrike.
Her Jhesus was van haer geboren
Op erterike.
5 Maria, maget uutvercoren,
Ghi hebt verlost dat was verloren,
Bij uwer dracht.
Ons es Her Jhesus Kerst geboren,
In deser nacht;
lo Ons es Her Jhesus Kerst geboren,
Ter middernacht,
Doen die yngel Gabriël
Ter maget quam,
Daer hise in haer heymelijcheit
iS Alleene vant,
Hi sprac : « God gnietu, reyne maecht;
<i Ghi sult van my sijn onversaecht
[23 vo] « Van uwer dracht ».
Ons es
Nr X. — w. 17-18 Men zou kunnen lezen alsof met onversaecht de
zin uit is, en er daarom een punt achter plaatsen. R. 18, van uwer
dracht, schijnt er moeielijk mede verbonden te kunnen worden, en zou
er maar staan, omdat het als refrein noodig is, zooals het verder nog
voorkomt, zonder eigenlijk te passen bij de voorafgaande verzen (zie
b. V. beneden, v. 71). — Verbindt men echter de twee regels, dan
wordt de zin : a Gij zult door mij van vrees (of schaamte) over (of ten
opzichte van) uwe dracht bevrijd worden ». Doch het schijnt mij
hoogst twijfelachtig dat de dichter juist zulke woorden in den mond
van den engel wil leggen ; het zou in alle geval, wel . een weinig
vreemd mogen heeten. Andere soortgelijke plaatsen uit onze verzame-
ling (Nrs III, i3; IV, 41; VI. 63; VIII, 46; XXXI, 18) steunen die
opvatting niet; evenmin de Bijbelsche teksten.
Digitized by VjOOQIC
^
— 66 —
20 Maria, sine antworde niet;
Si sweech al stille,
Vor si des ingels woerde verstoet
£nde sinen wille;
Hi seide, si soude een kint ontfaen,
25 Dat Jhesus soude heeten al sonder waen,
Een edel dracht.
Ons es
Alse Maria dat verstoet
In haren moet,
3o Sprac si : « Hoe mochtic dies geloven ?
« Maect my des vroet.
« Want ie noit man en hebbe bekint,
« Noch begeert, noch gemint,
« Oft eenege dracht ».
[24 r«] 35 Ons es
Die ingel sprac : « Wilt my verstaen :
« Die cracht des Heren sal u omvaen,
a Daermede suldi geheilicht sijn,
« Ende bliven maget fijn,
40 a Van uwer dracht ».
Ons es
Als Maria dat verstoet
In haren moet,
Sprac si : « Siet hier die deerne Gods
45 a In der oetmoet.
vv. 20-26 Deze strophe telt acht verzen in het hs. De afschrijfster
heeft V. 25 over twee regels verdeeld :
Dat Jhesus soude heeten
Al sonder waen.
V. 38 Hs. stdi
vv. 36-40 Strophe van slechts vijf verzen. Vermoedelijk is echter
niets uitgevallen, evenmin als beneden, vv. 66-71 en io5-no, aan welke
strophen ook in het hs. éen regel ontbreekt. Men zou, om zeven regels
te hebben, zooals in de andere strophen, verstaen (v. 36) en omvaen
(v. 37) elk als een afzonderlijk vers kunnen tellen.
Digitized by VjOOQIC
- 67 -
« Aldus soe moet my vergaen,
« Dat ie mach moeder ende maget volstaen
a Van deser dracht »,
Ons es
5o Maria droech die edel dracht
Der negen maent.
, Te Bethleem lach si daer af
[24 v**] Al onvervaert.
Doen waren vervult die saken
55 Daer die propheten te voren af spraken,
Van dese dracht.
Ons es
Te Rome stont een huys gemaect
Van stenen gedaen.
60 Daer stont met letteren ane gescreven :
« Dit huys sal staen,
« Ende en sal nimmermeer vergaen,
« Vor een maecht heeft een kint ontfaen,
« Een edel dracht ».
65 Ons es
Die propheten seiden overwaer,
Dat dat huys meer hadde gestaen
Dan dusent jaer.
Als Maria was gelegen,
70 Viel dat huys altemale terneder,
[25 r*] Van hare dracht.
Ons es
Den heiden op den velde soe dede
Dingel cont,
75 Dat God geboren ware van eender
Maget jonc.
vv. 66-71 Strophe van zes regels. Te oordeelen naar den zin, is echter
niets uitgevallen. Van hare dracht moet zooveel zijn als : (« ten ge-
volge van, door hare dracht ». Vgl. boven de noot bij vv. 17-18. — Door
van overwaer (v. 66) een afzonderlijken regel te maken, zou men zeven
verzen hebben, evenals in de andere strophen. Zoo ook beneden, v. io5.
V, 73 soe dede staat in het hs. op den volgenden regel, en evenzoo
van eender van v. 75.
Digitized by VjOOQIC
— 68 —
Die ingelen, die hier boven sijn,
Dreven bliscap sonder keeren
Al voer die dracht,
80 Ons es
Ter selver uren spranc een fonteine
Van oliën,
Als ons doet weten die scriftuere
Der rolien.
85 Die olye der ontfermherticheit,
Die es geboren der menschelijcheit,
In deser nacht.
Ons es
[25 vo] Men leide dat kint in doekelkine
90 Al voir die coude,
Omdat den adem van den beesten
Verwermen soude.
Daer mocht men groot wonder sien :
Die beesten vielen op haer knien
95 Al voir die dracht.
Ons es
Het stont een sterre in orienten
Wel wonderlijc;
Si was soe claer, dat si verlichte
100 Der sonnen blic.
Als Balam hadde geseet te voren,
Daerbi wiste men dat was geboren
Die edel dracht.
Ons es
io5 Die prophete Balam seide overwaer,
Dat die sterre niet en stont
[261^] Daer dander staen;
Si stont beneden in die locht;
vv. 77-78 Deze regels zijn niet in orde met betrekking tot de versificatie.
V. 84 Over rolien (d. i. c< rol »), zie de Inleiding, bl. 34.
Digitized by VjOOQIC
- 69 -
Si leiden die coningen in die crocht,
iio Daer tkint in lach.
Ons es
Alse die coningen hadden gedaen
Haer offerande,
Sijn si wederomme gekeert
ii5 Tot haren lande.
Doen quamen si tNapels ane ;
Te Colene liggen si begraven,
In een dierbaer gracht.
Ons es
I20 Nu bidden wi der moeder Gods,
Al sonder verlaet,
Dat si ons hoeden wille
Van alre quader daet,
[26 v**] Soe dat wi alle comen mogen
12S Daer die ingelen Gode loven
Nacht ende dach.
Ons es Her Jhesus Kerst geboren
In de^er nacht.
XI
Die dorstich sijt draecht bliden moet :
Men biedt u drincken;
Uut levende vijf rivieren
Wilt men u scincken.
vv. io5-iio Strophe van zes regels. Doch vermoedelijk is niets uit-
gevallen; cfr. boven vv. 36-40. Men leze overwaer, v. io5, als een
afzonderlijk vers. In het hs. is het v. 109 over twee regels verdeeld :
Si leiden die coningen
In die crocht.
Nr XI. — w. 1-2 Hs. Die dorstich sijt draecht bliden
moet. Men biedt u drincken.
V. 3 De « levende vijf rivieren » zijn de vijf wonden van Christus.
C/r. Nr XII. 17 en XLV, 29.
Digitized by VjOOQIC
~ 'JO —
5 Hi jiep met luder stemmen :
« Die dorst, die come tot myl
« Mijn herte es u ontploken,
« Ie wille u maken vry.
a Ie vloye al vol genaden;
lo « Waerom ontloepti my?
« Al sidi vol mesdaden,
« Ie stonde u gerne bi.
[27 r<>] « Comt hier, ie ben u eygen,
« Drinct uter volder vloet!
i5 «Ie wille my tuweert neygen,
« En seineken mijn hertebloet.
« Mijn aderen sijn al open,
« Si vloeyen edelen wijn;
« Drinet alle uut desen nappe,
20 « Hi en moeht niet edelder sijn.
« Mijn arme sijn u ontploken;
« Ie waehte oft ghi yet eomt;
« Met openen banieren
a Bied ie u minen mont ».
25 Hi en eonste niet langer geliden.
Van minnen vloeide hi al;
Hi nam u menseheit ane, ,
Ende liet der ingelen val.
V. 28 Het hs. heeft duidelijk den (lees der) ingelen val. Ik vermoed
dat het zonderlinge val niets anders kan zijn dan het Fr. val =^ « vallei ».
Der ingelen val is dan eene omschrijving voor « den hemel ». Wel heb
ik geen tweede bewijsplaats voor die verklaring, en Prof. J. Verdam,
dien ik raadpleegde, heeft evenmin val met die beteekenis aangetroffen ;
doch het woord kan wel bestaan hebben. In het Leven van sinte Fran-
ciscus komt, v. 1487, de dat. vale voor, en, v. i534, de nom. vael (onz.).—
Ik zou het in alle geval, met het oog op deze plaatsen, niet gerechtvaar-
digd vinden de lezing te wantrouwen, en te veranderen in dal, hoewel
die emendatie doodeenvoudig is, en de zin dezelfde blijft.
Digitized by VjOOQIC
— ^1 —
Hi beete tot hier neder;
3o Een vrouwe hadden gevaen.
[27 V*} Hi makese coninghinne,
Ende woude te haren wille staen.
Bewijst, o edel vrouwe,
Dat ghi ons moeder sijt;
35 Leit ons nu vor den Here :
Ghi sijt gebenedijt.
Dat vaderlike vloeyen
In meechdeliker wijs
Hebdi ons nedergetrocken,
40 Der hoger genaden rijs.
Ghi sijt soe overedel
Ende hebt den meesten prijs,
Ende 00c sonder gelike
Int hemelsche paradijs.
45 U scoen genadege ogen
Slaet neder in dit dal,
Uwer edelder milder herten
Blive ons co vent bevolen al.
XII
[28 ro] Die spiegel der genaden sijt,
Helpt ons noch na deser tijt,
Daer die bliscap niet en yndt.
Die vroude en nemt daer geen inde;
5 Daer en es siecheit noch allinde
In die hemelsche, suete stat.
V. 43 Versta : « Ende (ghi sijt) 00c sonder gelike », enz.
Dialect. 5
bigitized by VjOOQIC
— 72 •-
Sonder mate es daer jolijt,
Eeweüjc duerende sonder tijt;
Die coninc hout daer altoes hof.
lo Sonder sorge mach men daer hoven;
Die mechtich coninc van hierboven,
Hi betaelt altoes gelach.
Sijn open herte, edel en fijn,
Dat scinct daer den coelen wijn
i5 Die daer altoes overvloeyt.
Een levende fonteyne daer altoes groyt,
Met .v, aderen si overvloeyt;
Daer leet die scat des hemels in.
[28 v**l Dat sterven es daer al verdreven ;
20 Men can daer niet dan blidelic leven
In den sconen, bloyenden mey.
Hitte, noch coude, noch geen verdriet,
En heeft die lieve geselscap niet;
Si sijn in vroudich sonnescijn.
25 Ie ben daer ballinc (dats my te sware)
In die suete, hemelsche scare,
Daer ie kint der genaden soude sijn.
Die Heere heeft ons daer terwe geset,
Daer die ingelen houden die wet.
3o Lieve Heere, w\lt ons daer ontfaen
Als ons ziele uten lichame sal gaen.
Amen.
V. 25 Hs. sw\
V. 17 Vgl. Nr XI, 3 en de aanteekening aldaar.
V. 28 Vgl. Nr II, 24.
Digitized by VjOOQIC
73 -
XIII
|29ro] Kinder, loeft den ingel fijn;
Hi vliecht soe hoge vof Gods aenscijn,
Ende es hem soe bequame.
Dat hiten scierde hem selven gelijc;
5 Franciscus es sijn name.
Wi vinden alleen van hem bescreven.
Dat hem die Godssone woude geven
Sijn wapen al ongebroken;
Daerom es hi hem meest gelijc,
lo Heeft ons scriftuere gesproken.
Nu laet ons eeren den ingelscen man.
Die den hemel versieren can
Met wapenen sonder gelike;
Hi leit ons vor den ingelen rey,
i5 En ciert dat hoge rike.
[29 y^] Als ie doergae dat hemels lant,
Ende aensie soe menegen sant
Geciert met duechden scone,
N' XIII. — Dit gedicht komt tweemaal voor in ons hs. {c/r, de
Inleiding, bl. 3o).- De afwijkingen zijn zonder belang, en betreffen
meest de spelling. — Ook in de liederverzameling van i539 wordt dit
vers aangetroffen; in Scheurleer's uitgave op bl. 128. Onze tekst is
echter veel vollediger ; hij heeft negen strophen, terwijl er daar maar vijf
staan, van welke vijf er slechts vier met de onze overeenkomen; de
strophen i, 2, 3, 4, 5 bij Scheurleer beantwoorden resp. aan strophen
z, 5, 4, 7 van onzen tekst; de 5^ strophe bij Scheurleer ontbreekt
in onze redactie.
v. 4 Hs. hiten (In nr XLVI, v. 4, staat eveneens hijten). Vgl.
in het Haarlemsch hs. der Pelgrimage (te Brussel, ao 1453 geschreven),
f. 76 ro : dat ghijten (den staf nl.) nederleggen sout
V. 12 Nr XLVI heeft Die hem selven verschieren can
v. 14 Nr XLVI Hij leet nu voer
Digitized by VjOOQIC
- 74 -
Soe en ha nieman die wonden dan hi,
20 Gelijc den sueten Godssone.
Recht armoede was sijn scat,
Want hi niet en woude, noch niet en besat
Van geenen eertschen dingen;
Daerom es hi nu hoechst gecroent,
25 Aldaer die ingelen singen.
Niet gelijc den gemeynen sant
Es sinen loen int hemels lant,
Maer van den hoechsten steden;
Hi heeft met siere oetmoedicheit
3o Den hemel al doertreden.
[3o r"] O suete vader, o weert patroen,
Bidt uwen broeder, den Godssoen,
Dat hi ons wil vergeven
Ons mesdaden menichfout,
35 Al in dit broesche leven.
O suete vader, bewijst u duecht,
Want ghi vor alle man vermuecht
Comen ten veegevier stringe,
Alle jare op uwen dach;
40 Bewijst aen ons u minne!
V. 19 Nr XLVI, V. 19, heeft insgelijks den praeteritumsvorm ha. Zie
daarover de Inleiding, bl. 35, waar al gezegd werd dat het wantrouwen
tegen dien vorm mij ongerechtvaardigd schijnt. Immers, in Hennen
VAN Mbrchtenen's Comikc van Brabant, uit de i5eeeuw, treffen wij dit
practeritum reeds herhaaldelijk aan, en in de i6e eeuw komt het bij
Brabanders en Vlamingen tallooze malen voor; die vorm moet dus
al vóór de i5e eeuw ontstaan zijn. In zijne Middelnederlandsche
geneeskundige Recepten en Tractaten (Gent, 1894) geeft Prof. W. L. de
Vreese een vorm ghe op (nr ii5, bl. 40), imperat. van gheven;
de voor deed is in de i6e eeuw ook zeer gewoon. Ha, ge en de
nu zijn in overeenstemming met onze tegenwoordige dialecten; zoo
is, in verschillende Zuidndl. dialecten, het praeterit. van hebben niet
had, maar ha. De vorm is dus oud.
Digitized by VjOOQIC
r
- 75 -
Als wi sijn in die groote noet,
En liggen in die bitter doot,
O ingel vol genaden,
Toent ons dan u wondeken roet
45 Ghi sijt vol cantaten.
XIV
[3o vo] Ghi sijt daert alle tijt es mey,
O minnere der drie persone,
Verheven in der yngelen rey
Met sonderlingen lone.
5 Als ie aensie vore ende nae
Alder heilegen leven,
Soe en quam niegeen [te] soe hogen stae,
Daer ie af vinde bescreven.
Die ewangelist scrijft openbaer,
10 Alsr wi lesen en singen,
Dat hi sach, in der sonnen claer,
Neercomen den anderen ingel.
En quam nie heilich overwaer
Tot soe grooter eeren,
i5 Dat hi heymelic, oft openbaer,
f3i T^] Die .V. wonden droech ons Heeren,
Nr XIV. — V. 7 Stae is op te vatten als een substantief; het staat
voor stade, en dit voor state, dat. van staet, d. i. « plaats, rang ».
Vgl. Pro^a-Reinaert (uitg. Muller en Logeman, Zwolle, 1892),
bl. iSg, aanteek. op 7,5 en bl. 211. Het voorzetsel, dat ontbreekt,
is door mij bijgevoegd.
V. 13 Hs. dan
Digitized by
Google
- 76 -
Dan alleen die ingelsche man,
Franciscus als ie bekinne, .
Uut den seraph die tot hem quam;
20 Dat dede sijn groote minne.
Die minne was seker groot,
Die hi droech ten cruce ons Heren;
Daerom, twee jaer vor sine doot,
Wouden God hiermet eeren.
25 O rosé roet, geeft ons u hant;
O ingel der genaden,
Trect ons in dat hemels lant.
En wilt ons niet versmaden.
O lielie wit, o claer fonteyne,
[3i V*] 3o Ghi vloeyt tallen boerden,
Ghi sijt suver ende re3me,
Vol godliker woerden,
O violette, doer u oetmoet,
In u soe staet mijn hopen;
35 Wi souden alle, waren wi vroet.
Tot uwer genaden lopen.
Al ons covent bevelic u,
O bloeme scoen van goude,
En can u niet volloven nu :
40 U doget staet menichfoude.
vv. 21-24 Een hiermede ongeveer gelijkluidende strophe treffen
wij in het volgende stuk aan, vv. 21-24. Zie aldaar.
V. 3o Tallen boerden d. i. tallen boorden^ tallen kanten; de fontein
vloeit aan alle kanten over.
Digitized by VjOOQIC
— 77 -
XV
Franciscus in den beginne sijn sinne
Gaf Gode al sonder waen;
Hoge volmaecte minne daerinne
Déde hem al volstaen.
[32 r®] 5 Wat men Franciscus dede,
Dat stont hem al gelijc;
Hi wist der minnen sede;
Hets recht, hi was seer rijc.
Minne die hadden gebonden,
lo Verslonden uut hem selven al;
Hi bleef sonder sonde ten stonden
Doen hi van minnen qual, .
Die brant der hoger minnen
Die hadden soe ontsteken,
i5 Dat hi droech van binnen,
Dat moeste ooc uutbreken.
Dat was wel inschine
Doen sijn herte was gewont;
Hande ende voete die sine,
20 Daer hi pine aen hadde menege stont.
[32 vo] Tote den cruce ons Heeren
Was sine minne groot;
God wouden hiermet eeren
Twee jaer voir sijn doot.
Nr XV. — V. I Sijn sine staat aan den rand bijgeschreven. Met het
oog op het middenrijm van w. lo, 20, 26, 28, 34, 36, 42 en 44 zou men
met die woorden misschien r. 2 kunnen beginnen, en r. 4 met daer inne.
w. 21-24 Cfr, de regels 21-24 van het vorige stuk, die hiermede
een treffende overeenkomst vertoonen.
Digitized by VjOOQIC
- 78 -
25 Nie man en was geboren,
Te voren oft na in deser tijt,
Die daertoe was vercoren :
Wilt horen dat die scriftuere lijt.
Hi was al sonder hebben,
3o Want hi niet en besat;
Ie wils seker seggen :
Reyniche)rt was sijn scat.
Daerom der mechden crone
In den trone hi sonder twifel draecht,
35 Daer hi heeft te loene
Gods sone, dien hi wael behaecht.
[33 ro] Dafgront sijnre oetmoedicheit,
Die heeft dat vercregen,
Dat hi es in der eewicheit
40 Seer hoechlijc verheven;
Daer hi met waerheiden
Der weiden godlij es wesens pleecht,
Daer hi moet, sonder beiden,
Geleiden alle dat nu leeft.
XVI
Laet ons eeren ende loven
Eenen hogen sant;
Hi siert met edelen doechden
Al dat hemels lant.
V, 34 Hs. draget; lees draecht wegens het rijm op behaecht van v. 36.
V. 42 De zin is : Hij gebruikt daar de weide, het veld, de plaats
waar God is, d. i. hij is in den hemel.
Digitized by VjOOQIC
— 79 —
5 En hi sal comen ten ordeel Gods
Beteekent metten teeken
Des eewichs n/oorts.
Metten heiligen .v. wonden;
[33 v<>] Dat wet voirwaer^
10 Dit selen wi daer scouwen openbaer,
In erterike ende in hemelrike
En vint men niet,
Dat dese groote eere
Yemende es gesciet.
i5 En hi sal comen
Hi heeft verlicht al kerstenheit,
Dese hoghe man,
Met drien heilegen ordenen
Die hi stichte dan.
20 En hi sal comen
Hi es een vader der Minderbrueders
Ende der Claren, dat wet,
Ende ooc der Derder Orden
Es hi een prinse geset.
25 En hi sal comen
[34 ro] Franciscus es een bloeme
Der genadicheit gepresen.
Die willen, mogent
In sijn leven lesen.
3o En hi sal comen
Int hoechste willich armoede
Soe was hi geraect,
w. 5-10 Aan het «refrein» moet geknoeid zijn; ten opzichte van
de versificatie is het blijkbaar niet in orde.
Digitized by VjOOQIC
— 8o —
Van miltheden ende van minnen
Was hi al volmaect.
35 En hi sal comen
Franciscus es een die meeste
Geminde in hemelrijc,
Want die almechtich coninc
Tsierden hem selven gelijc,
40 En hi sal comen
In handen, in voeten, int herte fijn.
Hi mach wel een claer spiegel sijn,
Die al verblijt dat hemelsce hof;
f34 vo] Des heefti eere ende lof.
45 En hi sal comen
Nu hulpt ons, heilege vader,
Noch na deser tijt
Onder u banieren,
Want si es herde wijt.
5o En hi sal comen
XVII
Nu laet ons sinte Franciscus loven
Met overgrooter werdicheit.
Want hi es int hof daerboven
Alte blidelijc gemerct.
5 In den alderoversten trone
Es dander ingel nu geset;
Daer ontfeet hi sinen lone
Vor Gods aenscijn int rike, dat wet.
Nr XVII. — V. a Hs. w dicht
Digitized by VjOOQIC
— 8i —
[35 r^] Des conincs banieren sijn üutgesteken
lo Anderwerf in desen sant,
Daermet es dese ridder geteekent
In dat rike vaders lant.
Hierin en heefti geen gelike
In al dat keyserlike hof,
i5 Noch ooc hier op erterike;
Dies moet hi hebben eewich lof.
Dit beelde gelijct den levenden God,
Men nemmermeer voleeren en can;
Dat es Franciscus, ons heilege vader,
20 Dees weerde, hoge vercoren man.
Hi heeft drie ordenen hier gesticht,
Ons heilege vader openbaer;
Daer es al erterike mede verlicht,
[35 vo] Ende ooc den hemel, dat es waer.
25 Franciscus es die ander ingel,
De levende Gods bullen dat hi droech.
Want dander ingel was soe geteekent,
Dat vinden wi in die scriftuere genoech.
Nu helpt ons, suete heilige vader,
3o In u orden soe wel staen.
Dat wi, na dit broessche leven,
In uwe baniere worden ontfaen.
V. 10 Hs. sanc
V. II Hs. geteeken
V. 17 Beelde, d. i. «gedaante, gestalte»; cfr, d^ Inleiding, bl. 35,
voor die ongewone opvatting.
V. 21 Vgl. nr XVI, w. 18-24.
V. 26 « Bullen » d. i, zooveel als de schriftelijke bewijzen der
authenticiteit zijner zending. Cfr. de Inleiding, bl. 35.
Digitized by VjOOQIC
— 82 -«
XVIII
Tot sinte Cl aren.
Laet ons sinte Claren loven,
Die gloriose maecht;
Si regneert int rike daerboven,
Daer si haren lieve behaecht.
[36 ro] 5 Si es int licht der heilicheit,
Ende een lielye scone;
Si blict in hoger weerdicheit
Als een vergulden crone.
Eerse haer moeder soude gebaren,
10 Sprac God, dat si was een licht.
Dat die werelt soude verclaren;
In huer was sijn duecht gesticht.
O edel violette,
Vol der oetmoedicheit,
i5 Een spiegel al sonder smette,
Een bloeme der reynicheiti
God woude haer vroude meeren
Met grooter weerdicheit;
Si sach die crebbe ons Heeren
20 In harer allindicheit.
Nr XVIII. — V. 5 Hs. int licht. Dat klinkt wel een weinig vreemd;
zou men niet beter lezen een licht, en dien regel verbinden met
den volgenden? Voor licht op een persoon toegepast, z\t Mnl. Wdb.,
IV, 469, en verg. hier v. 10, alsmede nr XIX, 10.
v. 13-14 I" ^6t lis. op één regel; een dubbelpunt na violette.
Digitized by VjOOQIC
— 83 —
[36 vo] Si was zeer gemint met trouwen
Van al den roemschen hove,
En geëert vor alle vrouwen
Met wonderliken love,
25 Het besochse in hare doot,
Die vrouwe es van den trone;
Met haer quam een geselscap groot
Van meechden alte scone.
XIX
In die hoge weelde
Laet ons vermeyen gaen;
Wi vinden daer onser moeder
Seere hoechlijc ontfaen.
5 Van hoge geslechte geboren
Es dese joncfrouwe fijn;
Al van ridders arde ja,
[37 r^] En mocht si niet eelder sijn.
Dese joncfrouwe, eerse op erterijc quam,
10 Een licht geheeten was;
Dat heefse alleen vor alle vrouwe,
Daer men noyt af las.
Clara es die hoechste bruut
Daerboven int sconincs hof;
i5 Want van grooter heilicheit
Soe heefse daer den lof.
Clara, claer in haer begin,
Noch claerder in haer middelt, wet;
Claerst na haer verweende doot
20 In den hoechsten troon geset.
Nr XIX. — V. 7 Hs. ja achter aan het vers bijgeschreven.
Digitized by VjOOQIC
J
- 84 -
Nu esse bi den coninc
[37 V*] Aen der meechden rey,
En heeft haer lief te haren wille
Al in den eewegen mey.
25 Doen Clara sterven soude, "^
Die hoge coninc quam
Met scaren van jofFrouwen;
In haren arm dat hise nam.
Die coninginne vrouwe
3o (Dit wonder es ongehoort),
Die diende haer te stride daer,
Al in haer weeldege doot.
Wi bidden u, suete moeder,
Ons vor u kinder ontfaet,
55 En bidt uwen edelen bruygoem ^
Te vergeven ons mesdaet.
XX
[38 ro] Loeft alle die hier bi my sijn
Een joncfrouwe edel ende fijn,
Die scoenste van den troene.
Wi en vinden niet in al die scrift,
5 Dat eenich joffrou soe was begift
Met duechden alsoe scone.
Als ons lief moeder sinte Claer
Wert geboren, dats openbaer,
Es haer haer naem gegeven.
V. 29 Hs. Der
Digitized by VjOOQIC
— 85 —
lo Wat Cristus sprac met woerden soet,
Al aen dat cruce daer hi stoet,
Dat Clara haer naem soude wesen,
Claer was si in dit gesticht;
Veel claerder es si int eewich licht
[38 v«] i5 Vor alle santinnen verheven.
Dat bewijsde haer in dit leven
Die Heere, daer hemel ende eerde vor beven,
Doen si lach in haer crancheit groot,
Daer si begeerde met herten zeere
20 Aen te siene die crebbe ons Heren,
Dat haer gesciede, claer ende bloet.
Die coninginne van den trone
Bracht haer een vergulden crone,
Daer si lach in haer weeldege doot.
25 Si sprac : « Ver ziele^ nu vaert gereet;
tt Ghi en dorft ontsien rouwe no leet ;
« Ontfaet den loon sonder genoot.
[39 r®] « Want Cristus steet na u en beyt ;
« Hi wilt u leiden daer men meyt,
3o « Al in sijn eewich rike ».
Daer ghi nu sit ter rechter hant,
Hulpt ons, moeder, uut sviants bant,
In vrouden sonder gelike.
Gruet ons Franciscus onsen vader;
35 Ons patroens sidi bey gader;
Bevolen blive u al ons co vent.
Amen.
V. 20 Qr. Nr XVIII, w. 19-20.
V. 22 sqq. Zie nr XIX, 29 vlgg.
Digitized by VjOOQIC
T
— 86 —
XXI
Van sinte Berbelen.
Congratulemur hodie
Martin egregie,
Devote mentis jubilo
Unite Dei filio,
[39 vo] 5 Hinc sacrate virgini
Applaudunt cetus celi,
Barbare vocate,
Meritis omate.
O beata Barbara
lo Tui non est altera,
Rubens velud rosa,
Vultu speciosa,
In te non fuit uUa fex;
Idcirco companiavit rex
i5 Candentem plus quam lilium
In numero te milium.
O castitatis speculum,
Tu ducis omne seculum,
Flos virginum, post Mariam
[40 r®] 20 Ad veritatis viam.
O lux mundi deifica,
Es lucis trine nuncia,
Fenestris iam paratis,
Ad laudem trinitatis.
Nr XXI. — V. i5 Hs. Gaudente
V. 18 Hs. dicis
Digitized by VjOOQIC
- 87 -
25 Hinc a patre impio
Qui Dei iudicio
Occideris et crudeli
Consumitur igne celi.
Tu vero supra sydera,
3o Tibique celi curia,
Ad spoDsum tuum scandis,
Defertur honor grandis.
Ibi pro nobis omnibus,
[40 v®] Pie recolentibus,
35 Ora semper Deum,
Martiris tropheum.
O virgo multipharia,
Est nobis necessaria
Tua miseratio,
40 Egentibus solacio.
Quam potens et quam pia es!
Deus per te mirans res
(Nequit lingua fari)
Non cessat operari.
XXII
Barbara, die reyne maecht,
Een edel bruyt ons Heeren,
Haer leven dat heeft God behaecht
Hets recht dat wise eeren.
V. a8 Hs. igno
Nr XXII. — V. I Hs. de; de i werd later boven den regel, tus-
schen de d en de e, bijgeschreven.
V. 2 Deze regel moet als bijstelling bij v. i opgevat worden. In
proza zou het luiden : « Het leven van Barbara, die reyne maecht,
enz., dat heeft.... behaecht».
Dialect. 6
Digitized by VjOOQIC
— 88 —
[41 r®J 5 Baptista, die heilege man,
Boven al si minde,
Wiens leven si anenam,
Want si hem groot bekinde.
Goet ende hoge edelheit
10 Dat wou si al versmaden.
En haer scone minlijcheit
Keerde si in genaden.
Gods wijsheit had si diep vercleert
In der hoechster eenicheit,
i5 Dat haer was geopenbaert
Dat wesen der Drievuldicheit.
Si es een reyn rosé roet,
Want God sprac in haer liden,
Dat van harer pinen groot
I41 vo] 20 Die ingelen souden verbliden.
God sant haer al overluut
Een cleet, was minnelike;
Hi sprac : a Nu comt, mijn scone bruut,
« Hierboven in mijn rike ».
25 Si heet der menschen toeverlaet;
Van Gode heeft sijt vercregen.
Die tot haren dienste staet,
Haer sonden sal God vergeven.
V. i3-i6 Si kan eerste nv. wezen; dat, van v. i5, is het conse-
cutieve voegw. joodat {Zie Mnl. Wdb. II, 87 op dat, en Stoett, Mnl.
Syntaxis, § 352). Doch het schijnt mij beter si als vierden nv. op te
vatten, als bepaling bij vercleert; mij dunkt dat het natuurlijker is te
verklaren : Gods wijsheid had haar, Barbara, «vercleert», d. i. verlicht
met bovennatuurlijke kennis. Dit wordt gesteund door twee soortge-
lijke plaatsen beneden, nl. XXVI, 25 sqq. en XXVII, i3-i6. Over 5z als
accus. van het pers. vnw., c/r. van IIelten, Mnl. Sprkk., § 337 ^•
V. 22 Over het uitlaten van het relatieve pron., zie Stoett,
Syntaxis, § 193. Cfr. dergelijke constructie in IX, 10.
Digitized by VjOOQIC
- 89
XXIII
Kinder, al siwi in dit sneven,
Wi selen Gods bruyt glorie geven;
Si es soe hoechlic verheven,
Dats sin te Barbara int eewich leven.
5 Alle die heilegen die sijn daerboven,
[42 r*J Die willen haer dogen eewelic loven;
Si wilt dat wi daer met haer hoven;
Die viant wilt ons al beroven.
Van Gode was si groot geacht;
10 Si hadde in haer die godlike cracht;
Ons broescheit, dier heeft si gedacht,
Ende ons remedie daerjegen bracht.
Nu laetse ons dancken, want wi wel weten
Dat si ons niet en heeft vergeten;
i5 Si es nu in die weelde geseten,
Haer giften die sijn ongemeten.
Haer scoen gewaden die sijn bereet;
Si draecht der coninginne cleet;
Tot haren hoechsten dienste si steet,
20 Want si altoes daer naest haer geet,
[42 vo] Si es als een fijn gulden crone,
Geset int scoenste van den trone;
Si es daer van den hoechsten lone,
Haer verdiente es soe scone.
Nr XXIII. — V. 6 Het hs. heeft duidelijk dogen. Het gebruik van
dit woord hier kan wel verklaard worden, maar men verwacht veeleer
doget, dat beter in het verband past.
V. 14 Hs. want si
V. 18 Hs. dracht, met eene kleine e boven den regel, tusschen
de a en de c, bijgeschreven.
Digitized by VjOOQIC
mp^
— 90 -
25 Die godlike eere die was soe groot
Van harer pinen ende harer doot;
Wi bidden haer hulpe in onser noet,
Ende soeken genade in haren scoet.
XXIV
o Barbara, ons herte verblijt,
Want ghi der werelt troestelic sijt.
Reyn edel maecht, gi sijt soe fijn;
Die coninc begeert u scoen aenscijn.
5 Uwer werdicheit wi niet en connen
Geliken dan der heiliger sonnen.
[43 ro] Van beginne waerdi vercoren,
Ende in die stat der sonnen geboren.
O scone sonne, nu openbaert,
10 Ende ons duysternesse die verclaert.
Naest Gods moeder hier aen u staet
Der armer zielen toeverlaet.
O medecine, der zielen cracht,
U eygen es dwingen des viants macht.
XXV
Wi vermanen harer doecht,
Alderscoenste rosé,
Die de werelt al verhoecht,
Milde graciose,
Nr XXIV. — V. 5 lïs. niet en connen. geliken
Digitized by VjOOQIC
— 91 —
5 Vroude alder kerstenheit.
[43 v«] Glorie in den trone,
Dat een rosé ons geleit
Tot soe hogen lone!
Die dus suverlike blijct,
10 Dats dese lielie reyne,
Die de werelt al verlicht;
Si es ons gemeyne.
Si es scone ende minlijc,
Suete violette,
i5 Si heeft al te sterkelijc
Gestoert des viants nette.
Dese kersouwe, suet en goet,
Miltheit es haer leven.
Met harer salven dat si doet
20 Ons wonden al genesen.
[44 r^] Dese acoleye heeft ons bracht
Sueten dau in deser tijt,
En daernae der sonnen cracht,
Die de eerde al verblijt.
25 Dese goutbloeme wert bekint
Metten guldene schine;
Si heeft hoechleec gemint :
Dat bewijst haer pine.
Dese blau bloeme, hemels gedaen,
3o Es edelijc vercoren;
Int geslechte moet si staen
Daer God af was geboren.
Barbara, die dierbaer steen,
God jonde haer der eeren,
35 Dat haer doepte mensce negeen
[44 VJ Dan die doeper ons Heeren.
Digitized by VjOOQIC
— 92 —
Si minden meest in deser tijt
Die dat lemmeken wijsde;
Cristus wert sine herte verblijt,
40 Als si sint Janne prijsde.
Wi bevelen alle ons noet
Uwer beider minnen;
Hoet ons vor die haestege doot,
Geeft ons claer bekinnen.
XXVI
Barbara, die clare sonne,
Die doet ons leven,
Want si mach ons hitte
En haer claerheit geven.
5 Ons allen die es wel gesciet
Dat die Heilege Geest dat riet;
I45 ro] Haer beede die en ontseit hi niet;
Alle menschen tot haer vliet.
Si es der werelt hope
10 Ende gewaregen troest;
Si heeft soe menege ziele
Uter hellen verloest.
vv. 37-38 De zin is : Zij beminde meest Joh. den dooper, die het
« lemmeken m, d. i., Christus, «wijsde» d. i., aantoonde, nl. door
de woorden : (c Ecce Agnus Dei », enz. (Joh. I, 29).
V. 40 Hs. hi Uit het verband blijkt, dunkt mij, dat het sinte Barbara
moet zijn die « sint Janne prijsde»; lees daarom si; hi van het hs.
zou op Christus slaan, wat niet schijnt te passsn.
Nr XXVI. — Met uitzondering van de tweede strophe, is dit heele
stuk geschreven als een doorloopende tekst in proza. Elke strophe
is over drie regels verdeeld, behalve de tweede en de laatste, die
vier regels tellen. De aanvangsletters van elk eerste en derde vers,
zelfs midden in den regel, zijn meestal rood doorstreepte hoofdletters.
V. 7 Hs. ontsiet; lees : ontseit, d. i. « weigert », wat blijkbaar door
den zin wordt gevorderd.
Digitized by VjOOQIC
- 93 -
Die levende borne can si
Geven ende scincken,
i5 Alsoe vele als sijs begeert,
Soe mach sijs drincken.
Dese overscone, suete maecht
Es ons gegeven,
Dat si ons vercrige biechte
io Ende eewich leven.
Gewarich kinnesse ende rouwe
Sijn haer giften;
Het es haer eygen dat si
Mach die ziele verlichten,
[45 w^] 25 Haer was die hoge Triniteit
Hier onverholen;
Die eewege wijsheit was
Haer meester in der scolen.
Dese reyne lilie es
3o Naest onser Vrouwen gelijc,
Want si doet den sondaren op
Dat hemelrijc.
O scone rosé, u verdiente
Es edel ende groot,
35 Daeromme sijt daer jegenwoerdich
In onser doot.
O scone sonne, geeft
Dat wi u licht ontfaen,
Want wi dolen, wi en weten niet
40 Werwert dat wi gaen.
vv. 25-28 C/r. een soortgelijke plaats in nr XXII, i3-i6, en
XXVII, i3-i6.
V. 27 Hs. wijsheit, de sh is uit een g verbeterd.
Digitized by VjOOQIC
— 94 —
Si hadde tot hoger minnen spoet,
Die altoes in haer herte stoet;
[46 r«] Sy dranc van der vollen vloet
In dat overweselic goet.
Amen.
XXVII
Dits pan sinte Berbelen.
Scoender maeght, voer noch na.
En was noyt geboren
Dan die edel Barbara,
Wonderlijc vercoren,
5 Sy was van den geslechte
Der coninginne Marien;
Wy moetense wel met rechte
Alle gebenediën.
Sy was van allen consten wijs,
10 Wel geleert al openbare,
Van allen doeghden heeft sy prijs,
[46 v^] Geen gebrec en was in hare.
Bovenal, die Heilige Geest,
Hy leerese van binnen,
i5 Met sinen lichte aldermeest,
Die Godheit claer bekinnen.
Haer was gesonden herde snel
Een ingel uten troone,
Diese int gelove stercte wel
20 Der hoger drie persone.
w. 43-44 In moet met dranc verbonden worden (het is het praet.
van het ww. indrinken).
N«" XXVII. — Titel in rooden inkt.
w. i3-i6 Zie het vorige gedicht, w. 25-28.
Digitized by VjOOQIC
- 95 -
Ende sy sach ter selver stont
Enen edelen jongelinc,
Die aent cruce was doerwont,
Dat haer diep int herte ginc.
25 Barbara, die edel joncfrouwe,
[47 fo] Heeft Gode boven al gemint,
Ende hem gehouden vaste trouwe,
Als men in haer leven vindt.
Die minne was soe overgroot
3o Als sy wel dede inscijne,
Sy en ontsach torment noch doot,
Noch geenderande pine.
Gheen mertelarse en was soe gelijc
Der passien ons liefs Heeren,
35 Die nie quam op eertryc;
Wine connense niet voleeren,
Barbara, rosé ende lelie wit,
Alder sielen vrouwe,
Waer ghy onsen Heere voer bit,
40 Gecrijcht van sonden rouwe.
V. 37 Hs. wijt
V. 40 Hs. Gecrijcht, aaneengeschreven, wat dan zou op te vatten
zijn als de imper. van gecrigen. Doch een imperat. past hier kwa-
lijk; door te lezen ge crijght d. i. gij (ver)krijgt wordt de zin dui-
delijk : Wat gij ook vraagt, gij bekomt het, nl. van sonde rouwe, enz.
Dat Prof. J. Verdam (Mnl. Wdb., II, 1943) den toonloozen vorm ge
(voor gi) in goed Mnl. (althans in de schrijftaal) nog niet gebruikt vindt,
dunkt mij geen voldoende bezwaar om hem hier niet aan te nemen. —
Nog een andere verklaring kan gegeven worden. Gecrijcht nl. kan
3« pers. enkelv. wezen van het praes. van gecrijgen, met verzwegen
onderwerp hi; de zin zou dan zijn : « Voor wien gij onzen Heer bidt,
de^e (hij bekomt van sonde rouwe, enz. ». Doch de eerste opvatting
schijnt mij beter : met het oog op : i») het heele verband ; 29) de con-
structie van V. 39 ; 3o) men in v. 43 ; 40) eene andere soortgelijke plaats,
nr XXVI, w, 19-20.
Digitized by
Google
- 96 -
[47 ^] Ende sijn heilich sacrament,
Ons Heeren lichame ende sijn bloet,
Daer men ewich leven in vint,
Ende oec overvloedich goet.
45 O dierbaer steen van doodenrijc,
Wilt ons te Gode leiden,
Der maget Marien meest gelijc
Van genedicheiden.
Cristus sprac in sijnder doot :
5o a Vergeeft dese sonde, vader mijn ».
Also dat die in uwer noot
Voer alle die in sonden sijn.
XXVIII
Ie hebbe een lief in minen sin gedaen,
Ie wilder my aen houden,
Ende die valsce werken uut my sluten
Want sy es loos ende ongetrouwe
[48 ro] 5 Heer God, nu staet ons allen by,
Ende maect ons herte van allen sonden vri !
V. 45 Hs. dooden rijch; het eerste woord uit doeden veranderd.
V. 47 Hs. gelijch
V. 5o Hs. des
V. 5i-52 Wat die twee regels moeten beteekenen begrijp ik niet ; de
plaats schijnt verdorven. Men bekomt een zin, die in het verband
past, wanneer men v. 5i aldus leest :
Also daedi in uwer noot
d. i. « evenals Christus op het kruis voor de vergiffenis der zonden bad,
evenzoo deed Barbara voor ons allen, zondaren, in hare doodsure».
Nr XXVIII. — Dit stuk begint zonder hoofdletter; cfr. de
Inleiding, bl. 25.
V. 4 Hs. Want sy es loos ende ongetrouwe, welke regel hier kwalijk
past. Verder, v. 20, komt hij ook voor, en daar geschikt. Er is mis-
schien een ander vers uitgevallen. Wil men toch den regel opnemen,
dan kan men hem in het verband doen passen door in plaats van
werken t in v. 3, werelt te lezen.
Digitized by VjOOQIC
— 97 -
Soe wie dat creaturen gelooft,
Hy dunct my sijn al buten keere,
Ende dien edelen brudegom laet,
10 Die heere is boven alle heeren.
Ie hebbe een lief
Soe wie dat dwingen wilt sijn natuere,
Het sal hem costen vleesch ende bloet;
Het is den menigen worden tsuere,
i5 Eer hise heeft bracht al onder voet.
Ie hebbe een lief
Soe wie dat Cristus minne wilt hebben,
Ende hem wilt houden trouwe,
Soe sie, dat hy .... die valsce weerelt,
20 Want sy es loes ende ongetrouwe.
Ie heb J, lief
XXIX
[56 r®] Op de wise. Het is goet
sijn int rijke daerboven,
Kinder, nu zijt allegader vroe :
Een nyeu jaer comt ons inne.
God die gever ons geluc,
Daermet sijn hoechste minne.
V. 19 Aan het vers ontbreekt blijkbaar een woord : men lassche
vlie^ late, schouwe^ of iets dergelijks, na hy in.
V. 20 Hs. Want hi
Nr XXIX. — De aanduiding van de zangwij ze in rooden inkt.
V. 4 Hs. hoechte
Digitized by VjOOQIC
- 98 -
5 Die hoge Godheit sy gelooft.
Die van minnen hiemeder quam,
En wert een clene kindekijn,
Ende ons natuere in hem nam.
Dit knechtken is soe overscone :
lo Men vint aen hem niet dat messteet;
En quam noyt mensce op eertrike,
Die enige ontrouwe van hem weet.
Hij es die overvloedige vloet
[56v®l Vol weelden even rijcke,
ï5 Hy vervult met sijnder doeght
Hemel ende eertrijke.
Hy es die veltbloeme ons gemeyne
Ende dat suete hemelsbroot,
Daermet die heylige weertscap houden;
20 Die weelde is daer even groot.
Dit es dat armste suete kindeken;
Het leedt van coude grooten noot,
En hadde noeyt so vele gemaecs
Als in sijnder moeder scoot.
25 Dees edel, scone jongelinc,
Sijn herte is vol minnen,
Hy sueght in siere moeder scoot,
Der edele coninginnen.
[57 ro] Al dat in den hemel es
3o En men in der weerelt vindt,
Dat en waer al te achten niet,
En daet dat aldersuetste kint.
V. lo Hs. mesteet
V. 23 Hs. gemacts.
Digitized by VjOOQIC
— 99 —
Lof ende danc ende eeuwige eere,
Heb die hoige Drivuldicheit,
35 Die ons den Sone hier heeft gesondpn
Te dragen onze jammerlicheit.
XXX
Een kindeken es geboren,
Een volle vloet;
Die van hem es vercoren,
Hy mach wel dragen hoogen moet
5 Dit kint compt ons nu coopen
Met grooter macht;
Het was hem al ontloopen,
f57 vo] Hij heeft ons weder bracht.
En wien mach nu ontbliven
10 Dese vuile vloet?
Hy liet hem doch ontliven,
Dees hoge minneer goet.
Nu es hy nedercomen
Ende seere gebeet,
i5 Dit wonder es vernomen :
Die Godssone is met ons gecleedt.
Een kint es ons gegeven,
Dat aensach onsen noet,
Van sinen volke verdreven :
20 Dat dunct mij jammer groot.
Nr XXX — V. 5 Hs. besoeken; doorgehaald en vervangen met un
coopen,
V. 12 Hs. minneer aldus voluit geschreven.
Digitized by VjOOQIC
— lOO —
Nu leit hy gebonden
[58 ro] En weynet seere,
In arme doexken gewonden :
Genedich God, geweldich Heere!
XXXI
Die Vader in der ewicheit,
Die heeft van minnen der menscelicheit
Sinen enigen Sone gesant van boven;
Daerom soe helpten my alle loven.
5 Hy sprac totten engel Gabriël :
« Doet my een bootscap (ende sijt snel)
« Tot Maria in eertrijc;
« Gnietse my seer ende ootmoedelijc.
« Gruetse my seere al in den name mijn,
lo a Ende segt haer dat hi wil sijn
« Geboren van haren reynen live;
« Nochtan soe salsi maget bliven ».
[58 vo] « O Vader Heere, wat ghy gebiet,
« Des en willic laten niet;
i5 « Die bootscap die is wel bewaert,
« Ie vaerse doen met snelre vaert n, —
« God gruetu, overscone maghet!
« Sijt vrolic ende niet versaget,
« Want ghy sijt tot deser tijt
20 « Boven allen vrouwen gebenedijt.
Nr XXXI. — V. 9 Hs. m al
V. 10 Hs. dat ie. Daar het de c< Vader in der ewicheit » (v. i),
de « Vader Heere » (v. i3) is die spreekt, past ie niet; met hi wordt
de a enigen Sone » (v. 3) bedoeld.
V. 19 Hs. Wan t, de t met rooden inkt bijgeschreven.
Digitized by VjOOQIC
— lOI —
« U mach te moede sijn herde wel.
« Ie ben die engel Gabriël;
« Van Gode ben ie tot u gesint,
« Als dat ghy ontfaen sout een kint.
25 « Ontfaen suldi met deser spraken,
a Sonder toeval van anderen saken,
« Ende dat Idnt sal Jhesiis heeten.
[59 ro] « Dit hebben voerseit die propheten ». —
a Scoen bode van den paradijs,
3o « Hoe geerne soudic werden wijs,
« Hoet wesen mocht ende oec gescien;
(( Dat wonder en wert nie gesien,
« Noch gehoort, noch oec gelesen,
« Dat een maget soude moeder wesen;
35 « Want ie doch noeyt by man en quam.
« Desgelijc, voerwaer, ie noeyt en vernam.
« O scone bode, ie seggu dat
cc Ie hebbe minen Heer, minen God
« Gelooft te houden reynicheit;
40 « Daertoe ben ie altoes bereit » —
« Maria, blijft sonder ontsien,
[59 V®] « Dit sal emmer aldus gescien :
« Die Heilige Geest sal u omvaen,
« Van hem suldi dit kint ontfaen.
45 « Ghy sult des kints, dat seggic me,
tt Genesen sonder enich wee
a Jegen der natueren sede.
« Dat noeyt vrouwe van kinde en dede.
V. 23 Hs. gesent, lees a gesint » wegens het rijm op c< kint » in
den volgenden regel.
V. 43 Omvaen voluit aldus geschreven in het hs.
Digitized by VjOOQIC
— 102 —
« Maria, blijft sonder vreesen;
5o « Ghy sult sijn salige moeder wesen,
« En hy u kint ende daertoe Godt;
tt Maria, dits Gods gebodt ». —
o Scoen ingel, na dat ie u sie,
« Gods wil altijt in my gescie,
55 a Minen dienst altijt te sijnder eeren;
« Siet hier die dienstmaget ons Heeren.
[60 ro] « God heeft my vaderiic versien ;
« Na dinen woerde moet my gescien.
« Tot nu was hy die vader mijn :
60 « Nu salie sijn die moeder sijn ».
XXXII
Laet ons met vollen chore
Singen nuwen sanc,
Want God es ons geboren,
Een kindekijn;
5 Dies moet hy hebben danc.
Wy mogen wel vrolic leven,
Ie segge u wel waerof,
Want God heeft ons gegeven
Den Sone sijn :
10 Dies moet hy hebben lof.
Hy nam uut goeder minnen
[60 v<>] Onse menscheit an;
Hets recht dat elc met sinne
Dit kindekijn
i5 Loeft als hy best can.
Nr XXXII. —V. 1 waerof. Zie boven, bl. 33 en de noot bij I, 48.
Digitized by VjOOQIC
— io3 —
Wel hem, die suete ende sachte
Dit kindeken antieren sal!
Want wie met reynen gedachte
Dit kindekijn
20 Wiecht, hij lovet al.
Wy willen dit kindeken wermen
Met onser minnen gloet,
Soe sal hy onser ontfermen :
Huut minnen fijn
25 Gaf hy doer ons sijn bloet,
Laet ons dit kindeken baden
[61 r®] Met onsen tranen nat,
Ende bidden om genade
Met herten fijn :
3o Ons werdes wel te bat.
O rosé sonder dooren
Boven de leliën soeti
God was van u geboren
(Dats wel aensdjn)
35 Doer u groet oetmoet.
O Maria, lief moeder
Ende maget reyn,
By u wert God ons broeder;
U kindekijn
40 Verlost ons al gemeyn!
O vrouwe, der doecht gewone,
[61 vo] Wilt altijt sijn bereyt,
Te bidden uwen sone,
Dat sijn aenschijn
45 Ons niet en werde ontseit.
V. 18 Hs. wy
V. 32 Hs. suet; lees soet wegens het rijm op oetmoet, v. 35.
V. 37 Hs. reen ; lees reyn om het rijm te hebben op gemeyn van v. 40.
Dialect. 7
Digitized by VjOOQIC
— !Ó4 —
XXXIII
Op Wie wilt horen sinj
gen van enen tymmerman.
De sancia Maria virgine.
Wie wilt horen singen
Van enen leeu seer gram,
Hoe die maget Maria
Aen sine minne quara,
5 Dat vernam een bode,
Die engel Gabriël;
Hy was gesonden van Gode,
Al toe der maget snel.
[62 r^] « God gruet u, vol genaden »
10 Sprac hy ter maget fijn,
« Die Heere is van den trone,
«Wilt sijn u kindekijn ».
Nr XXXIII. Zangwijze en titel in rooden inkt.
V. I Hs. \Vi,
V. 2 De « leeu zeer gram » is natuurlijk Christus. Elders nog
wordt Christus bij eenen leeuw vergeleken, zooals b. v. in het vol-
gende gedicht tot Maria gericht (in het Gheesteliick Paradiisken der
Wel'lusticheden, Antwerpen, 1619, 4e deel, bl. 16) :
Ghedanckt / ghelooft / ghepresen /
Moet zijn den weerden pant /
U vreucht reyn uytghelesen /
Jesus u kindt plaisant :
Die als een Leeu vaillant /
Heeft ontdaen den helschen bant.
De oorsprong van die vergelijkingen moet in de bekende Bijbelsche
uitdrukking : « de leeuw uit Juda » (S. Jans Openb. V,' 5) gezocht
worden.
Digitized by VjOOQIC
— io5 —
Ghy droecht negen maenden
Der engelen coninc,
i5 Van u soe was geboren
Jhesus de jongelinc.
Ghy leit dat kindeken cleyne
Al in een crebbekijn,
Al voer twee stomme beesten,
20 Die ewege sone fijn.
Hoe wel was u te moede,
O moeder ende maget fijn,
Doen u dat kindeken cleyne
[62 v«] Boet sijn root mundekijn.
25 Ghy moest van vrouden beven
(Dat es wel openbaer),
Doen op u sloech sijn Ogen
Die ewige godheit claer.
Ghy naempten in uwen arme,
3o Ende gaeft hem in uwen scoot
U meechdelike borste
Al in sijn mundeken root.
Sijn bruyn oegxken scone
Sloech hy in u aenschijn;
35 Hij was u eigen sone,
Die ewige godheit fijn.
Als ghy den kindeken cleyne,
[63 ro] O moeder wel gedaen,
Met uwen handen reyne
40 Sijn voetken wilt gaen dwaen :
V. 34 Hs. in sijn aenschijn. Het verband eischt u in plaats van sijn,
V. 40 Hs. wil
Digitized by VjOOQIC
— io6 —
Verleent my, scone vrouwe,
Die ogen alsoe nat,
Dat ie met minen tranen
Bereiden mach dat bat.
45 Als ghijt heft uten bade,
Dat proper kindeken cleyn.
Wilt hem van mijnder herten
Maken een beddeken reyn.
XXXIV
Op Her esel ghy moet
een esel sijn.
De sancta Maria virgine.
Die dageraet geet op ende fijn
Daeruut soe compt des hemels scijn :
[63 vo] Dat is der maget sone.
Hy woude hier nedercomen tons
5 En laten sinen troone.
Die overscone bruet ende maegt,
Sy heeft den coninc best behaecht;
Daerom heeft sy sijn minne.
Sy es gemaect ons advocaet,
10 Der ingelen coninginne.
Die coninc sach die scone sale;
Sy beviel hem alsoe wale,
Dat hi er in wonen quam;
Boven alle creaturen
i5 Ghenuechte hy in haer nam.
" jjr XXXIV. — Titel en zangwij ze in rooden inkt.
V. 9 Hs. sijn advocaet. Blijkbaar eene vergissing ; de zin eischt ons,
Cfr. XXXVIII, 30.
Digitizqd by VjOOQIC
— I07 —
Sy brachte dat suete, cleine kindekijn,
Des Vaders Sone, een eeuwich scijn;
[64 r^] Sy es soe wel geraect.
Al woude hy suegen in haren scoot,
20 Hy heeftse selve gemaect.
Ghy sijt dat hemelsce paradijs;
In u soe wies dat godlijc rijs,
En quam in deser tijt.
Die in dat paradijs mocht gaen,
25 Hy waer te mael verblijt.
O sterre der zee, ghy sijt soe scoone,
Ghy verblijt daer al den troone.
En, die te water sijn,
Sy hebben hope en troost alleene
3o Aen uwen scoenen scijn.
O scone wingaertrancke, ghy sijt soe fier,
U rueke verdrijft dat helsce dier
[64 vo] Ende houtten in uwen bant.
Edel vrouwe, ghy mochten dwingen,
35 "Want hy ontsiet u hant.
Ghy sijt die roose in Jherico,
Ghy maket hemel ende eerde vro,
Met uwer sueticheit.
Hulpt ons, vrouwe, na deser tijt,
40 In de eeuwige salicheit.
V. 29 Hs. hebbe
Digitized by VjOOQIC
— io8 —
XXXV
[65 T^] Die metten sterren is opgegaen,
Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen
Uten troone,
En hem boven al behaecht :
5 Des draecht sy croone.
Hy es eene fierder maget kint,
Al uut des vaders hert gesint;
Hets wonder groot,
Dat hy woude suygen als een cleyn kint
lo In uwen scoot.
Sy es een edel coninginne;
Haer oetmoet ende haer groote minne
Die heeft ons bracht,
Die hemel ende eerde alleyne
i5 Heeft in siere macht.
[65 vo] Sy es die overscone stadt,
Die God seere minde en oec besat
Nr XXXV — V. I sqq. De eerste strophe luidt aldus in het hs. :
Die metten sterren is op gegaen
Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen
Moeder ende maget
Des vaders sone quam uten troone
En die hem boven al behaecht
Des draecht sy croone.
Die, in het voorlaatste vers, werd boven den regel in kleine letters
bijgeschreven. — Dat er aan den tekst geknoeid werd, is duidelijk;
ik heb de lezing gewijzigd in overeenkomst met den bouw der vol-
gende strophen.
Digitized by VjOOQIC
— log —
Als sinen troen;
Si heeft daerboven in sijn rijc
20 Den hoechsten loen.
Sy es die borre en die fonteyne,
Die overvloe}^! ons allen gemeyne,
Dies es ons noot;
Wy vinden overvloedich goet
25 In haren scoot.
O poorte des hemels, ghy sijt soe scone;
Doer u soe comen wy in den troone
Na deser tijt;
Nu hulpt [ons], vrouwe, doer die scoen poorte,
3o Die ghy selve sijt.
XXXVI
[66 ro] O eeuwige wijsheit, daer menich jaer
Die oude vaders openbaer
Om riepen met penitencien swaer,
Ghy sijt ons nu gegeven.
5 O Adonay, o Heere groot,
Ghy hebt aensien ons groote noot.
En sijt in eender maget scoot
Als een cleyn kint gelegen.
V. 19 Hs. Hi heeft, blijkbaar eene vergissing van de copiïste.
Het verband eischt si,
V. 20 De afschrijfster had eerst geschreven Den eewigen loen;
de twee laatste woorden werden met rooden inkt doorgehaald, en
vervangen door hoechsten loen.
V. 22 Hs. gemeyne
V. 29 Ons door mij ingevoegd ; het wordt door den zin vereischt.
Digitized by VjOOQIC
— IIO —
o wortel van Yesse, ghy sijt
lo Die suete, weerde, gebenedijt,
Daer God af woude, in deser tijt,
Mensceliker natueren leven.
O sloetel, heer Davids ewich goet,
Ghy hebbet uwen grammen moet
iS Al gewandelt in oetmoet,
[66 vo] En onsen val vergeven.
O blickende raey des hemels troon,
Ghy sijt die eeuwige sonne scoen,
Ende eender puerder maget soen,
20 Daer hemel ende eerde voer beven.
O coninc des volcx, gelooft sydy,
Dat ghij ballinge maket vri;
Des moet u een yegelijc, wie hy sy,
Ewige glorie gheven.
25 O edel coninc Emanuël,
Wy weten allegader wel,
Dat ghy ons moecht ende niement el
Die ewige glorie geven.
XXXVII
[67 ro] Hed es natuere met u solaes
Wijslistich es u leere;
Al heb ie u wijs noch gedient,
Tot God wil ie my keeren.
Nr XXXVI — V. 9 Hs. want ghy sijt Het eerste woord staat er te veel.
V. 12 Mensceliker natueren; versta : volgens, overeenkomstig met de
mensch. nat. C/r, voor derg. genitieven, Stoett, Mnl, Syntaxis, § 26.
V. 14 Hs. En ghy
Nr XXXVII — V. I Dezen regel begrijp ik niet; ik vermoed dat de
plaats verdorven is, maar zie niet hoe ze in orde kan gebracht worden.
Zou men niet aldus kunnen verbeteren : Uut est, natuere, met u solaes ?
Digitized by VjOOQIC
— III —
5 Ie heb gemint, ie was verblint;
Natuere en wouts niet laten;
Doen ie tot minen gronde quam,
Doe moest iet varen laten.
Een knagen, een wroegen gine my an,
10 Als ie mijns gronts neme ware;
Dat ie met herten heb gemint,
Dat wil ie laten varen.
Oeh, dat ie van hem ye seiet,
Die my soe seere minde,
i5 En heb gedaen natueren raet,
[67 v<>] Gevoleht mier dommer sinne I
Soe warie ga, soe warie ben,
Altoes soe moet ie dineken,
Die God met al sier herten mint,
20 Hem selven hy hem moet seineken.
Ie hebbe gemint den eertseen troost,
Daerop gerust met minnen,
Gevoleht al mijnre sinlieheit;
Hoe soudie God bekinnen ?
25 Oeh Jhesus, alderliefste Heer,
Ie en wil u niet verliesen;
Voer al dat in die weerelt es,
Wil ie u uutverkiesen.
Digitized by VjOOQIC
1
— 112 —
XXXVlll
En baet egeen castten dese wise
De sancta Maria.
[68 r»] Met herten ende met sinne
Sinden wy u ewige lof,
Vri edel coninginne,
Daerboven in u hof.
5 Hiertoe sijn wy te cleyne,
Als wy bedincken dat,
Dat ghy sijt vrouwe alleyne
Van al soe hoger stat.
Die coninc es u sone,
lo Dat vaderlike woort;
Naest hem draeght ghy de crone.
Want u dat rijc behoort.
Die alle dinc heeft gescapen.
Dat es u enich kint;
i5 U meechden ende u knapen
[68 \^] Sijnt al dat men daer vint.
Ghy hebt alleene die eere.
En sijt daermet verhoeght;
Uwen stoel steet bi den Heere,
20 Daer ghy gebieden moeght.
N' XXXVIII. — De titel en de aanduiding der zangi^'ijze zijn in
rooden inkt.
V. II Hs. hem dragic de; stellig eene vergissing.
V. i3 Hs. gescepen. Om het rijm te hebben met knapen van
V. i6 lees ik gescapen.
Digitized by VjOOQIC
— ii3 —
Ghy droechten, scone reyne,
En waert sijn voesterkijn met,
Want God hadde u alleyne
Te selken dienst geset.
25 Daerom moet u van rechte
Al te dienste staen;
Die ingelen sijn u knechten,
Ende altoes onderdaen.
Ghy sijt des hemels chierheit,
[69 f*] 3o En ons een advocaet,
Ende een vloet der mildicheit;
Geeft ons tot duechden raet.
Nu hulpt ons, scone vrouwe,
Daerboven by u lief kint,
35 Daer men sonder rouwe
Gebruuct dies men daer vint.
XXXIX
Dat scoenste kint es ons geboren,
Dat alresoetste mannekijn;
Die sijn herte aen hem wilt keeren,
Hy sal hem getrouwe sijn.
5 Deus eterne tu püssime
Die wilt goeden huwelic doen,
Ons vrouwe sal hem beraden;
Sy heeft soe sconen jongen soen,
Die wilt sy alom bestaden.
[69 v^^J 10 Deus eterne tu püssime
Nr XXXIX — V. 5 Naast Deus eterne tu pijssime, dat met rooden
inkt onderstreept is, heeft men rechts, aan den rand, met kleine letters
de repeticie bijgeschreven.
V. 10 Hs. tu, boven den regel in kleinere letter bijgeschreven.
Digitized by VjOOQIC
1
— 114 —
Mach men goeden houwelic doen
Aen een arm gesellekijn ?
Het es van haven also bloot,
Dat leet in een arme crebbekijn.
i5 Deus eierne
Al es dit soete knapelkijn
Alte arm van goede,
Hy es doch edel ende fijn,
Ende alte fier van moede.
20 Deus
Sijn voetkens waren dicwile cout,
Doen hy begonst te gane,
Ende altoos was sijn helsken bloot,
Ende luttel hadde hy ane.
25 Deus
Sijn groot armoede maect ons rijcke;
Dat heeft ons sijn minne gedaen.
[70 ro] Van liefden en consti niet gerusten
Totdat hy hadde die doot ontfaen.
3o Deus
Die hemel vloeyde honechvloet,
God vergaf den toren,
Doen die ewige wijsheit weert
In eenen stal geboren.
35 Deus
O ewich ende genadich God,
Wat hebdi voer den mensce gedaen!
Als wy te male niet en sijn,
Wat suldij dan van ons ontfaen?
40 Deus eterne tu piissime.
V. 33 Hs. weert aldus voluit geschreven.
w. 37-39 Versta : als wij in het geheel niets zijn, wat moet Gij
dan van ons krijgen in de plaats van het vele dat Gij voor ons,
menschen, gedaan hebt?
Digitized by VjOOQIC
- ii5 -
XL
Ie bidde den oversten Heere,
Dat hy mijn sinne
Volcoinelyc wil keeren
Aen sijn minne.
[70 y^] 5 Hy es een eewige weelde
Sonder gelike,
Van Gode moet hy vloeyen :
Hy es soe ryke.
Nemmermeer en wert verstaen
10 Sijn ongemetenheit,
Hy es soe oversoete
Van rechter edelheit.
Van minnen woudi oec sterven
Die hy tot ons droech,
i5 Op dat hy rechter trouwen
Altoes waer genoech.
Het es een hemelsce oone
Daer hy met loonen sal,
Soe wie die mach besitten,
20 Hi heeft vercregen al.
Ie bidde den oversten Heere.
N^ XL — V. 2 Hs. sijn minne doorgehaald, en daarnaast verbeterd
in mijn sinne.
V. 7-8, 9-10, 11-12 op één regel geschreven.
V. 17 Hs. Hy es — vv, 17-18 op één regel geschreven.
V. 19 Hs. mah
Digitized by VjOOQIC
— ii6 —
XLI
Ie vruchte der weerelt gemeyne.
Die godheit vant der gracien vont;
Van enen behoudere es ons nu cont,
[71 1^] Des hebbe God danc.
Een maget sal ons een kindeken bringen
5 Eer iet lanc.
Ons boetscap es wel gedaen ;
Her Gabriël is wel ontfaen;
Des hebbe God danc.
10 D
Des selen wy alle sijn verblijt;
Die coninc comt ons in corten tijt,
Geloeft sy hy.
Wy dancken u, Jhesus, soete vruecht,
i5 Die ons es by.
Des sijn verblijt der ingelen scaren,
Dat een maget sal coii: gebaren;
Gelooft sy sy.
Wy dancken u, et cetera.
Nr XLI. — De zangwij ze met rooden inkt onderstreept.
V. I Der gracien vont beteekent, meen ik : « de gift, de schat der
genade» (cfr.y voor die opvatting van vont, Maerlant's Martijn, I,
358) ; en vinden is « scheppen » (c/r. o. a. Martijn, II, 86).
V. 10 In de ruimte, tusschen strophen 2 en 3 (en die niet grooter
is dan de ruimte tusschen de andere strophen), heeft men, op een
regel afstand van v. 8, een D bijgeschreven.
V. 19 Hs. dancke — «Et cetera » in dit vers en verder met de
gewone afkorting geschreven.
Digitized by VjOOQIC
— 117 -
20 Al gheet dese maget met kinde groot,
[71 V®] Sy es ombesorgt van alre noot;
Gelooft sy sy,
Wy dancken u, et cetera.
Dit kinderbedde moet hebben lof;
25 Daer en es voirsien huys noch hof.
Gelooft sy sy.
Wy dancken u, et cetera.
In armoeden wil hy sijn geboren,
Die alle rijcheit soude behooren.
3o Gelooft sy sy.
Wy dancken u, et cetera.
Her Josep heeft een goet geval,
Dat hy dit kindeken voesteren sal.
Gelooft sy hy.
[72 r®] 35 Wy dancken u, Jhesus.
Her Jhosep is ten dienst bereet,
Sijn couse moet sijn des conincx cleet.
Gelooft sy si.
Wij dancken u, et cetera.
40 Dese edele vrucht die moeten [wi] loven
Metter moeder int rijcke daerboven.
Gelooft sy sy.
Wy dancken u.
Die godheit vant der gracien vont,
45 Van eenen behoudere es ons nu cont;
Des hebbe God danc.
Een maget sal ons een kindeken bringen
Eer iet lanc.
V. 21 Hs. ombesorgt voluit geschreven.
V. 36 Hs. ihosop
V. 40 wi ontbreekt in het hs.
V. 44 Hs. heeft, doorgehaald en vant 'm kleinere letter daarboven
geschreven.
Digitized by VjOOQIC
- ii8 -
XLII
[72v<>] Van den Kerstdach.
Doen Cristus was geboren,
Keerdi sinen toren
Van menscheliken geslechte;
Daertoe was vercoren,
5 In ewicheit te voren,
Een maget reyn van rechte ;
Soe scone, edel creatuere
Quam noyt in Gods gedechte.
In den couden middernachte,
10 Doen die maget haer soenken brachte,
Sceen die sonne claer
Van dat ongescapen licht.
Dat hemel ende eerde heeft gesticht,
Alst was gebootscapt daer
i5 Van den ingel in der locht
Den herdeken openbaer.
[73 ro] Si leide dat kindeken in haren scoot,
Ende (dies sy hadde deeren groot),
Op hoeyken in der cribben,
20 In doexkens naect gewonden,
Al daeren die herdeken vonden,
Soe ons scriftuere seggen.
Ghebenedyt soe moet hy sijn
Diet aldus woude hebben.
Nr XLII. — Titel in rooden inkt.
V. I Hs. xprisius, voluit aldus geschreven.
V. 3 Hs. geslachte; lees geslechte wegens het rijm op vv. 6 en 8.
V. 12 Hs. Want dat
v. 14 Hs. gebaotscap
Digitized by VjOOQIC
— 119 —
25 Op u herte woude hy buygen,
Ende u soete borsten suygen,
Daer die engel voer beven.
Vloedege genade es u bewijst;
Ghy hebt dat hemelsbroot gespij st,
3o Daer wy alle by leven.
En die levende fonteyne gedrinct :
Dats u alleene gegeven.
[73 vo] Die ingele van den troone
Sy loefden den Gods sone,
35 Doen hy was geboren;
Sij songen nuwen sanc,
Dat in den hemel clanc,
Alst men wel mocht horen :
« Allen goeden menscen vrede »,
40 Die nie en was te voren.
Maria, hemels paradijs,
In u wies dat vaderlijc rijs
Ende die godlike fonteyne,
Men mach geen milder vinden;
45 Ghy vloeyt in allen inden
Den creatueren gemeyne.
Hoe uwen herten te moede was
Bekinnedy alleyne.
[74 r®] Desen soeten nacht ende dach
5o Niement te vollen loven en mach
Na sijn groote weerde,
Doen dat soete hèmelslam
In den scoot der maget quam
Hier neder op dees eerde;
55 Wy mogen wel oetmoedich sijn,
Ende laten al hoverde.
V. 48 De zin is : « Dat wist gij alleen; dat kon geen ander begrijpen ».
Dialect. 8
Digitized by VjOOQIC
1
— 120 —
Dees coninc sonder gelike
Quam uut sinen rijke
In desen droeven dale;
60 Hy ginc in een roxken bloot
Van dore te dore om sijn broot;
Hy en hadde huys noch sale;
Maer als hy [te] sinte Maerte quam,
Deedse hem alte wale.
f74 v*^] 65 Doen Jhesus, dese jongelinc,
In allen landen preken ginc,
Versach hem een minnersse,
Die hij boven al vercoes
Om te bliven alletoos
70 Der hoger minnen meestersse,
Sente Marien Magdalene,
Ende oec een groote leerersse.
XLIII
Van Jhesus Kerst Marien sone.
Jhesus Kerst, Marien kint,
Die nu was geboren,
Hy heeftse boven al gemint;
Daertoe essi vercoren.
Hy nam raste in haren scoot,
Hy soegh der maget borste,
Die selve was dat levende broot
Ende alder weerelt vorste.
V. 63 te ontbreekt in het hs. ; door mij ingclacht wegens den zin.
V. 71 Hs. magd,
V. 72 Hs. leèresse; lees leerersse om een zuiverder rijm te heb-
ben met vv. 67 en 70.
Nr XLHI. — Titel in rooden inkt.
Digitized by VjOOQIC
— 121 —
[75 r*] Noch beter, noch scoender, noch sueter en quam
lo Nie in deser weerelt wijt,
Dan Jhesus, dat hemelsce lam,
Die ons van sonden heeft gevrijt.
Hy quam uut sijns vaders herte
Liggen in der crebben,
i5 Daer hij coude ende groote smertte
Van armoeden wouden hebben.
Noch bedde, noch pueluwe, stoel noch banc,
En waren in desen armen stal,
Mer der heyliger ingelen sanc
20 Was gehoort al over al.
Die stomme beesten (dat is waer)
Knielden voer onsen Heere;
Sy bekinden dat God was daer,
[75 vo] Ende boden hem lof ende eere.
25 In deser hoger nacht
Heeft die maget pure
God ende mensce ter weerelt bracht;
Daeraf vereyst natuere.
In deser nacht, dat groote licht,
3o Dat niemen en can begripen.
Die sonne ende mane heeft gesticht,
Hy woude hierneder blijken.
In deser nacht es opgedaen
Fonteyne der genaeden;
35 Die dorstich sijt gaet drincken saen :
God saelt noch al beraden.
V. 14 Hs. cribben; lees a crebben» wegens het rijm op «hebben»,
van V. 16.
V. 3o Hs. tan
Dialect. 8 .
Digitized by VjOOQIC
— 122 —
Die scone wijngaert es volvloeyt,
[76 T<^] Die druve es gesneden,
Daer der graden wijn uut vloeyt
40 Op den dach van heden.
O o o o o et o.
Allen meghden vrode,
Benedicant Domino,
Van allen sinen goede.
45 O o o o o et o,
Die Gode willen minnen,
Sy selen altoos wesen vroe,
Ende dragenen int herte binnen.
XLIV
O edel coninghinne der hemelen cnde reyne maghet, /
moeder alre ontfermicheit ende mildicheit, om / den
bitteren rouwe ende groote bedroevenisse dijns / herten
ende dijnre zielen, die ghy hadt doen ghy / saghet
5 uwen lieven sone, Jhesum Cristum, hangende / aen
den cruce jammerlike stervende, ende om / dat groote
[76 V®] medeliden dat u lieve kint // met rechter minne tot u
hadde doen hy u sach in grote / bedroevenisse, daer
hij u beval sinte Jan ewangeliste / tot eenen behoe-
10 der : soe waerlike biddic u, edel vrowe, / maghet Maria,
dat ghij u ontfermetighe oghen ƒ ^'ylt keeren op my,
arme sondighe mensche, ende ^^'ylt / mij trosten in
allen minen bedroevenissen, ende hulpt / my uut allen
V. 37 Volvloeyt klinkt vrij zonderling ; wellicht moet men volbloeyt
lezen; ^ en j; kunnen gemakkelijk verward zijn geworden.
V. 48 Na dezen regel staat, door een andere hand, in geschrift van
jonger dagteekcning : Nota, waarop dan de prozatekst begint.
Nr XLIV — r. I Hs. coninghe
r. II Hs. Maria dat ghy wilt u; het ww. (wilt) werd door ver-
gissing eens te veel geschreven.
Digitized by VjOOQIC
— 123 —
mynen noden, want ghy een milde / moeder syt alre
1 5 bedroefde herten. Daerom wilt mij / verboeren, o werde
maght Maria, in mijnen noot, / in mijnen bedroevenisse
ende myn scrien, ende mijn carmen; / want ie [met]
groote zwaerheit in mjmre zonde bin, ende / ie en wet
niet tot wyen dat ie vlien sal anders dan / tot u, lieve
20 edel vrouwe Maria, moeder Jhesum Cristum, / want du
best een troosterse, ende een vremakerse tussehen / den
zondare ende uwen lieven soen. Daerom, kert uwe
ontferm/herteghe ooren tot my, ende hoort mijn ghebet,
ende bewerft mi / genade, om de ontsprekelike minne
25 diens lievcs kint / die hij hadde
tot allen menscen doen hij nederquam uut synere glo-
rien, / ghesent van sinen Vader metten Heijleghen Geest
in u, / Maria, menscelike nature aen te nemene ende
op IX / maenden van u, edel vrowe, ons gheboren wert,
3o doer / alle dat liden dat hy doer ons gheleden heft, /
doer den groeten anxt die u lieve soene hadde opten /
berch van oli veten, doen hy sinen lieven vader aen . .
XLV
[77 r®] In eenen boghaert quam ie ghegaen
Des morghens voer der sonnen,
Daer ie vant eenen edelen hert
Omvaen met feilen honden.
5 Die eerste, die hem volgde nae,
Was Judas, die felle quade;
Hy heeften in sijn doot ghejaeght
Met sinen valschen rade.
r. i5 Hs. o werde zeer onduidelijk,
r. 17 met ontbreekt.
r. 25 Na hadde een witte ruimte van anderhalven regel.
Nr XLV — V. 4 Omvaen voluit geschreven. — Voor het rijm
honden op sonnen, zie de Inleiding, bl. 33.
Digitized by VjOOQIC
— 124 —
Doen slpeghen al die honden aen,
10 Die daer waren comen,
En hebben desen scoenen hert
Sijn edel lijf ghenomen.
[77 V*] Aen een calummen was dese hert
Seer felleclich ghebonden;
i5 Met gheeselen, met slaghen swaer
Ontfinc hy diepe wonden.
Dese overedel, scoene hert,
Van eender maght gheboren,
Hy was ghecroent al op sijn hoot
20 Met tweenseventich doren.
Op sijn scouder moest hy draghen
God en creatuere,
Dat cruce swaer, daer hy aen sterf,
Als ons ghetught scryfture.
[78 r®] 25 Al op dat cruce wert hy gheleet ;
Met naghelen vast ghebonden;
Daer liet hy hem sijn mijnlijc hert
Met eenen speer doerwonden.
Daer spronghen vijf rivieren claer,
3o Die ons van sonden vrien;
Diese sdaechs niet eens en gruet,
Hy maechs hem wel vermien.
Daeronder stont sijn moeder goet,
Met liden swaer bevanghen;
35 Sy liet dat s weert des rouwen swaer
Al doer haer herte ganghen.
V. 24 Hs. ghtught
V. 29 Vgl. boven, XI, 3, en de noot aldaar.
V. 36 Hs. herte, de laatste e in plaats van een andere, uitge-
kraste letter (eene a?), geschreven.
Digitized by VjOOQIC
— 125 —
f78 voj Neven haer stont sijn minnersse groot,
Die droeve Magdeleene;
« Sy heeft dat alderbeste deel »,
40 Sprac God van haer alleene.
Cristus sprac aldaer hy hinc :
« Wijf, sieter uwen sone » ;
Tot sinen jongher sente Jan :
« Siet daer dijn moeder schone ».
45 O moeder Gods, o reyne maeght,
Met uwen kinderen beyde
Compt, in dure van onser doot,
Onser zielen doen gheleyde.
47 Hs. in, verbeterd uit int; de t is zwart doorstreept.
Digitized by VjOOQIC
ALPHABETISCH REGISTER
DER LIEDEREN IN HET HANDSCHRIFT VOORKOMENDE.
III Alder werelt heylant BI. 42
Heeft ons sinen bode gesant
I Alle creatueren willic ave gaen » 37
Ende mijn herte in duechden keeren
XXVI Barbara die clare sonne die n 92
doet ons leven. Want si mach ons
XXII Barbara die reyne maecht » 87
Een edel bruyt ons Heeren
XXI Congratulemur hodie » 86
Martire egregie
XXXIX Dat scoenste kint es ons geboren » ii3
Dat alresoetste mannekijn
XXXIV Die dageraet geet op ende fijn » 106
Daeruut soe compt des hemels scijn
XI Die dorstich sijt draecht bliden » 69
moet. Men biet u drincken
Digitized by VjOOQIC
— 127 —
XLI Die Godheit vant der graden vont BI. ii6
Van enen behoudere es ons na cont
XXXV Die metten sterren is opgegaen » io8
Sy heeft den eeuwigen soen ontfaen
XII Die spiegel der genaden sijt » 71
Helpt ons noch na deser tijt
XXXI Die Vader in der ewicheit » 100
Die heeft van minnen der menscelicheit
XLII Doen Cristus was geboren » 118
Keerdi sinen toren
XXX Een kindeken es geboren » 99
Een volle vloet
IX Een kindeken es ons geboren » 62
In Bethleem.
XV Franciscus in den beginne sijn sinne » 77
Gaf Gode al sonder waen
V, X Geloeft soe si die maget Marie » 5i,65
Van hemelrike
XIV Ghi sijt daert alle tijt es mey » *]5
O minnere der drie persone
XXXVII Hed es natuere met u solaes » iio
Wijslistich es u leere
Digitized by VjOOQIC
— 128 —
II Het es daer in den sonnenscijn BI. 40
Claer en fijn.
XL Ie bidde den oversten Heere » ii5
Dat hy mijn sinne
XXVIII Ie hebbe een lief in minen sin gedaen n 96
Ie wilder my aen houden
XIX In die hoge weelde » 83
Laet ons vermeyen gaen
XLV In eenen boghaert quam ie ghegaen » i23
Des morghens voer der sonnen
XLIII Jhesus Kerst Marien kint 9 120
Die nu was geboren
IV Joachims ende sinte Annen bloet » 46
Ave maria
XXIII Kinder al siwi in dit sneven » 89
Wi selen Gods bruyt glorie geven
XIII (XLVI) Kinder loeft den ingel fijn » 73
Hi vliecht soe hoge vor Gods aenscijn
VII Kinder nu loeft die maecht Marie » 56
Si heeft vervult die prophecie
XXIX 'Kinder nu zijt allegader vroe » 97
Een nyeu jaer comt ons inne
Digitized by VjOOQIC
— 129 —
XVI Laet ons eeren ende loven BI. 78
Eenen hogen sant.
VIII Laet ons met herten reyne » 58
Loven dat suete kindekijn
XXXII Laet ons met vollen chore n 102
Singen nuwen sanc
XVIII Laet ons sinte Claren loven » 82
Die gloriose maecht
XX Loeft alle die hier bi my sijn » 84
Een joncfrouwe edel ende fijn
XXXVIII Met herten ende met sinne » 112
Sinden wy u ev^ige lof
XVII Nu laet ons sinte Franciscus loven » 80
Met overgrooter werdicheit
VI Nu laet ons singen het es tij t «Si
Est puer natus hodie
XXIV O Barbara ons herte verblijt » 90
Want ghi der werelt troestelic sijt
XXXVI O eeuwige wijsheit daer menich jaer » log
Die oude vaders openbaer
XXVII Scoender maeght voer noch na » 94
En was noyt geboren
Digitized by VjOOQIC
— i3o —
XXV Wi vermanen harer doecht BI. 90
Alderscoenste rosé
XXXIII Wie wilt horen singen
Van enen leeu seer gram
» 104
LIJST DER VOORKOMENDE ZANGWIJZEN.
En baet egeen castien . . . . N^ XXXVIII, bl. 112
Her esel ghy moet een esel syn » XXXIV, » 106
Het is goet sijn int rijke daerboven » XXIX, » 97
Ie vruchte der weerelt gemeyne » XLI, » 116
Wie wilt horen singen van enen
tymmerman » XXXIII, » 104
OPGEMERKTE DRUKFOUT.
Nr IV, V. 81 (bl. 49), lees ongequets en schrap de
noot bij dit vers.
Digitized by VjOOQIC
^-^r
-J^
GUDRUN.
8i, 4.
De uitgevers hebben daardoor dat zij in 81, 4 lebeten in
lobeten veranderden zelf nog eene a nichtssagende vierte
Zeile » gemaakt.
Aan 81, I « e\ ist só geschehen,
da^ wirunser schenken / selten haben gesehen
noch unser truhsoeien, / die uns solten tragen spise. »
sluit zich :
o si lebeten gotes güete j und wdren in ir tumben jaren wtse. »
zeer goed aan.
lebeny met den tweeden naamval, komt in het Mhd. zoo
vaak voor, dat ik geen plaatsen moet aanhalen (i) (spise,
trinkens, wes, des). Met een abstractum verbonden zooals
giiete vind ik het in Willehalm, 340, 4-8 :
Terramêr den stuol dd ^Ache
wolt besit^n und dan \e Rome varn^
sinen goten prts alsó bewarn,
die Jêsus helfe wolde lebn,
dai die dem tóde wurde gegebn.
(i) Over leben met den partitief-instru mentalen tweeden naamval
(Genitif des Mittels) spreekt H. Winkler in zijne uitstekende Ger-
manische Casussyntax, I, bid. 526-27.
Dialect. 9
Digitized by VjOOQIC
— l32 —
82.
De Nibelungenstrophe 82 is zoo moeielijk te verstaan
omdat degene die haar heeft overgeschreven enkelvoud
en meervoud dooreen heeft gehaald. Als wij in 82, 4
lezen : e^ was ein vremede sptse, die im diu junc-
vrouwe truoc, dan moeten wij bepaald in 82, 3 lezen :
des si dd lebeten (i, e. de drie jonkvrouwen in het alge-
meen) des brdhtes im genuoc. Hier is Martin in de on-
zekerheid, welke jonkvrouw bedoeld wordt; volgens den
geheelen samenhang van het gedicht kan slechts Hilde
bedoeld worden; vgl. 169, 4 :
diu heteer^ogeninselben; jjd wuohserbt ir harte sor cliché;
170,2 : sie het im ofte liebe / in groter nót getdn,
dó er si aller êrste / vant in einem steine (vgl. ook 1 85, 3).
In 82, 1-2 kan het meervoud blijven staan, omdat wij
ons kunnen voorstellen dat die drie jonkvrouwen geneigd
waren, Hagen op te voeden, en daarom voedsel voor hem
zochten. Het vers 82, 2 a, zou men in bi in si nern wolden
veranderen kunnen (vgl. Nibel., 141, i); kêrte : nerte vindt
men al in Parzival, 6o3, 11-12; werte : kêrte in Wille-
HALM, 82, 11-12.
482.
Martin houdt deze strophe « mit ihren verschrankten
Construct ionen » voor een « Muster des Interpolatorenstils»;
zooals allen, die deze strophe verklaren (i), ze opvatten,
is zij even zoo weinig mooi als waar. Ik zou ze zoo lezen :
(i) Ook Paul, Mhd, Gramm.^, § 382.
Digitized by VjOOQIC
— i33 —
In guoten siten schone / grüe\en dó began
diu stt bi im truoc króne / der woetliche man.
die maget minnecliche / — des in wol geluste —
er besl6\ mit armen; I der schoenen lip vil süe\ecltch er kuste.
Over diu in 2 a vgl. Paul, § 343; buitendien nog
Parzival, 109, lo-ii :
wan si truoc in ir libe
der aller ritter bluome wirt enz,
ibid. 60, 16-17 : ^^^ ^ot !(wei lant unde ir lip
swer da den pris be:j[alte.
W. BANG.
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
OVERZICHT VAN TIJDSCHRIFTEN.
I. NEDERLANDSCHE PHILOLOGIE.
VERSLAGEN EN MEDEDEELINGEN DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE
ACADEMIE, 1898.
G. Segers, De ontwikkeling on\er taal, bl. 108-145. Onder dien
titel, welke, zooals Schr. zelf opmerkt, meer belooft dan men beko-
men zal, worden « eenige beschouwingen over het onderricht onzer
Moedertaal in het Lager en Middelbaar Onderwijs » gegeven. « Eerst
zij gezegd, dat, wil men uitslagen in het taalonderwijs bekomen, het
vooral noodzakelijk is, dat de onderwijzers en leeraars volkomen op
de hoogte hunner taak zijn ». Dit is wel het geval, maar « voor
een niet gering aantal onderwijzers, [zullen] eenige wenken niet
geheel nutteloos... zijn ». Die wenken bestaan hierin dat o. a. de
onderwijzers de « letterkundige » taal moeten spreken, geen dialect ;
dat zij den « taalschat » der leerlingen moeten uitbreiden; dat de
« leesboeken » die zij gebruiken, « proeven van plaatselijk dialect »
zullen opnemen; dat «de verheffing van de gewestelijke taal tot
letterkundige, het hoofddoel der school hoeft te zijn », welk doel
voornamelijk door « vertellen » zal bereikt worden. Verder wordt er
op gedrukt dat, naast de moedertaal, men niet cc al te vroegtijdig
een tweede taal zal invoeren » ; ck het wezen van het lager onder-
wijs sluit [dat] overigens uit ». In het middelbaar onderwijs worden
de meeste vakken in een vreemde taal onderwezen; Schr. wijst op
de nadeelen van een dergelijk onderricht, en handelt daarna over
het onderwijs van het Nederlandsch in de middelbare scholen, cc eene
bij uitstek zware taak » voor den leeraar. Hij « aanziet » niet alleen
het spreken van de taal cc als den grondslag voor alle taalonder-
richt », maar ook het zingen, en inzonderheid letterkundige ont-
ledingen van schrijvers, vooral van Vondel; verder zullen opstellen
gemaakt worden, en ook cc het onderricht der spraakleer mag natuur-
lijk niet ontbreken ».
DiaUct. 10
Digitized by VjOOQIC
— i36 —
In zijne « Lezing » Eene kortsrvijlige verhandeling over het partikel
« Qp », bl. 377-385, zet D. Claes de verschillende beteekenissen
en het gebruik van dit woordje « bij de spraakmakende gemeente »
uiteen; het is een reeks van uitdrukkingen waarin dit voorzetsel
aangewend wordt.
Th. J.-I. Arnold handelt over Het Nederlandsch in de Gentsche
dagbladpers, bl. 3o6-37o; eene lange lijst, in alphabetische volgorde,
van allerlei barbarismen (meestal gallicismen), die Schr. « gegaard
[heeft] in den lusthof der Gentsch-Vlaamsche dagbladpers », maar
die vaak ook elders aangetroffen worden. Vooraf gaan eenige be-
schouwingen o. a. over het belachelijke van Zuidnederlandsche
dagbladen die bij de Noordnederlanders het gebruik van bastaard-
woorden (inz. Fransche) wraken, terwijl zij er zelf zooveel (ofschoon
andere) schrijven, en, wat erger is, door allerlei barbarismen hun
« Vlaamsch » ontsieren ; over de « zuiveringswoede » bij sommige
Vlaamsche dagbladen, enz.
D' L. Simons, Een blik op Vondel, als wijsgeer, bl. 247-286.
Het opstel werd geschreven naar aanleiding van den eersten Rei
uit tt Lucifer». Schr.'s doel is «eenige beschouwingen in het midden
te brengen over Vondels wijsbegeerte, die het breede en zekere
spoor volgt der scholastieken ». Zijne denkbeelden heeft de dichter
in twee gedichten neergelegd, schoon op verschillende wijze, nl. be-
knopt in den beroemden rei van « Lucifer », en breed uitgewerkt
in de Bespiegelingen van God en Godsdienst. Het eerste van die
twee gedichten wil Schr. uit een zuiver wijsgeerig oogpunt ver-
klaren, bij welke verklaring ook van de Bespiegelingen gebruik ge-
maakt wordt, in zooverre die ter toelichting er van kunnen strekken.
Na eene uiteenzetting van die algemeene beginselen van Vondels
theodicea, welke in Lucifers rei van toepassing ?ijn, wordt dit
laatste stuk regel voor regel — bijna woord voor woord — onder-
zocht en verklaard, en als slot komt een overzicht van zang en
tegenzang : in den zang wordt het onvolmaakt begrip van het on-
eindig wezen ontwikkeld; de tegenzang antwoordt, dat het volmaakt
begrip daarvan buiten het bereik der schepselen ligt.
J. Broeckaert, Nog iets over on:^e oude liedjes:{angers, bl. 21-38.
Het artikel bevat « nadere bijzonderheden.... eerst en vooral over
Jozef Sadones » (biographische bijzonderheden, mededeelingen over
zijne werkzaamheid, inz. over zijne liederen) en over zijn zonen
Jan-Baptist en Hendrik ; verder over eenen Antwerpschen liedjeszanger
uit de laatste helft der 18e eeuw, nl. J. B. Coesemans (kenmerkende
Digitized by VjOOQIC
- i37 -
eigenaardigheden van zijne liederen, en uittreksels), alsmede over
J. B. Van Werelijkhuizen en een paar andere, waarvan alleen de
namen worden opgegeven.
In een ander opstel handelt dezelfde schrijver over Elisabeth van
den Hove, Nederlandsche dichteres (1666-1751), bl. 459-464. Zij is
gesproten uit een Noordnederlandsche, katholieke familie, woonde
eenigen tijd te Goes, vestigde zich, na den dood van haren echt-
genoot, te Dendermonde, en overleed er. Van hare gedichten bestaat
eene kopij in handschrift : 94 stukken van zedelijken en godsdien-
stigen aard. Hoewel geen hooge dichterlijke vlucht verradende, zijn
die verzen toch merkwaardig genoeg om aan de vergetelheid ont-
rukt te worden. Schr. geeft echter thans geen ontleding van noch
uittreksels uit die verzameling.
A.-J.-M. Janssens, Verstrooide perels, bl. 411-428. Een ver-
handeling over de versjes, die oude « beeldekens of santjes » ver-
sierden. Schr. heeft 5oo dergelijke gedichtjes verzameld, deelt er
eenige van mede, en wil er den oorsprong, ja, « den vermoedelijken
dichter » er van opsporen. Hij meent dien gevonden te hebben in
Pater Poirters, doch doet opmerken dat hij geen stellig bewijs
daarvoor heeft : hij gist slechts.
VERSLAGEN EN MEDEDEELINGEN DER KON. AKADEMIE VAN
WETENSCHAPPEN. Afdeeling LETTERKUNDE, 4c reeks, D. II. (1898).
A. Kluyver, Het artikel Mazapan in de v. Etymologische Un-
tersuchungen » van Mahn, bl. 37-49. Schr. is van meening dat het
artikel van Mahn over Mazapan er een voorbeeld van geeft, hoe
onbewezen stellingen soms geloof vinden door het gezag van hem
die ze uitspreekt. Mahn toch heeft zonder eenig eigenlijk bewijs
aangenomen dat het Ital. woord mas[S(apane, waaruit in het Nederl.
marsepein is ontstaan, oorspronkelijk eene verbinding is van Lat.
ma:[a panis, eene afleiding die reeds eeuwen geleden werd uitge-
sproken (voor het eerst in de i5e eeuw door den Venetiaan Ermolas
Barbaro; ook Kiliaan kende ze), en in later tijd herhaaldelijk, hoe-
wel er niets van door Mahn wordt gezegd. Volgens Schr. is dit
de ware afleiding niet. De vormen van dit Romaansche woord in
de verschillende Europcesche talen zouden terugwijzen op een Ital.
vorm met r (mar:(apane), die reeds gewoon was in de 14© eeuw,
terwijl Mahn van de bewering uitgaat, dat de oudste vormen van
gezegd woord geene r hadden. Mar^apane nu, zooals blijkt uit vele
Digitized by VjOOQIC
— 138 -
plaatsen, door Schr. aangehaald en besproken, was oorspronkelijk
niet de naam van iets eetbaars, maar wel die van eene doos of
kistje; het werd in dien zin vermoedelijk ontleend aan het Proven-
9aalsche massapan (of een vorm uit een nauw daarmee verwante
Romaansche taal); zeer spoedig werd er in het Ital. eene r aan
toegevoegd, en de benaming ging over op eene lekkernij die men
in Italië had gevonden, en die in zoodanige doosjes of kistjes ver-
kocht werd.
J. Verdam, Middelnederlandsche geestelijke poê\ie, bl. 145-174.
In deze bijdrage handelt Schr. over de aanwinsten onzer kennis
op het gebied der Mnl. geestelijke poëzie, vooreerst naar aanleiding
van de uitgaven van De Gheldere {Dietsche Rime, 1896) en De Pauw
(Mnl, gedichten en fragmenten), die veel overblijfsels van geestelijke
poëzie voor den dag hebben gebracht, doch inzonderheid naar aan-
leiding van twee hss. uit de boekerij der Koninklijke Akamedie.
Die hss. werden voor zestig jaar door G. J. Meyer besproken
(Werken van de 2» Klas van het Kon. Instituut, VI, 2), doch
schijnen eenigszins vergeten te zijn geraakt. Geheel ten onrechte,
meent de Schr., want zij zijn belangrijk genoeg om grondig onder-
zocht te worden. Na de twee hss. beknopt beschreven te hebben,
wordt door hem de inhoud er van geschetst. De verschillende stuk-
ken, die er in voorkomen, behooren tot het lyrisch-epische vak;
sommige zijn reeds bekend uit andere verzamelingen en worden
gevonden o. a. in de boven vermelde uitgaven; eenige, van de
best geslaagde, worden afgedrukt. Aan die mededeelingen worden
de opmerkingen vastgeknoopt, waartoe die stukken aanleiding ge-
ven : opmerkingen over de taal, bespreking van enkele voorkomende
woorden, verbetering van verdorven lezingen, enz. De bijdrage ein-
digt met een korte waardeering; uit een letterkundig oogpunt, van
de behandelde teksten, waar de Schr. bondig uiteenzet waarom, op
dit gebied, elke nieuwe vondst welkom is, en op welk standpunt
men zich moet plaatsen om de middeleeuwsche dichters billijk te
beoordeelen.
HANDELINGEN EN MEDEDEELINGEN VAN DE MAATSCHAPPIJ
DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE TE LEIDEN, OVer het jaar
1897- 1898.
In de afdeeling « Handelingen » komt eene rede voor van
Dr J. Verdam over Sporen van volksgeloof in on^e ta3il en letter-
Digitized by VjOOQIC
- 139 -
kunde, bl. 35-86. Spreker wijst er op dat de taaistudie het hare
kan bijbrengen bij de studie der beschavingsgeschiedenis; in de
taal immers worden allerlei overblijfselen van vroegere perioden
bewaard, en die « taaloudheden » geven ons verrassende kijkjes in
den beschavingstoestand van ons voorgeslacht. Ditmaal wil hij hande-
len over verschillende spreekwoorden, vaste uitdrukkingen en woorden,
die berusten op voorstellingen en begrippen welke aan het oude
volksgeloof herinneren. Eerst worden door hem eenige spreekwoor-
delijke zegswijzen verklaard (in de boonen zijn, den dans niet ont-
springen, het haar van den hond, uit zijn vel springen, een kwaad
oog op iemand hebben, enz.); daarna allerlei uitdrukkingen, ont-
leend aan lang verouderde sterrekundige beschouwingen (als onder
een gelukkig of ongelukkig gesternte geboren zijn; zijn gelukster
is aan het tanen, enz.), of geneeskundige voorstellingen (als hard-
vochtig, kwaadsappig, zwartgallig, kwaad bloed zetten, enz.), of
natuurkundige begrippen (een ongelikte beer, blind als een mol,
doof als een kwartel, krokodillentranen, enz. ; inz. uitdrukkingen
ontleend aan de vogelwereld, als geluksvogel, fenix, grijpvogel,
de raven zullen het uitbrengen, daar zal geen haan over kraaien,
e. a.); ten slotte worden een viertal plaatsen uit schrijvers be-
handeld, voor welker juist verstaan de wetenschap der volkskunde
onmisbaar is, nl. twee uit Mnl. geschriften, waar Maria met een
« uutvercoren nachtegale » vergeleken wordt (Maerlant's Clausule,
V. 283-4), en Christus met een pelikaan (Profit, Liedeb., 254), en
twee uit de 17e eeuw : een toespeling op het volksgeloof aangaande
den ijsvogel in een sonnet van Hooft, en de bekende voorstelling
van de tortelduif in den rei van den Gijsbrecht van Aemstel, die
evenzoo een in den tijd van Vondel nog bestaand en hem bekend
volksgeloof weergeeft,
In de « Mededeelingen » staat van denzelfden Schrijver eene Herin-
nering aan H. Hoffmann von Fallersleben (1798- 1874), bl. 8o-io3,
waarin gewezen wordt op 's mans buitengewone beteekenis voor de
herleving der studie van de taal en letterkunde uit de middeleeuwen.
Schr. ontleent de meeste bijzonderheden aan des dichters autobio-
graphie (Mein Leben, 6 dln., Hannover, 1868). Hij spreekt eerst
over de verscheidene wetenschappelijke reizen, door Hoffmann in
Noord- en Zuid-Nederland ondernomen; verder over zijne werken
over Mnl. letterkunde, inz. over de Horae Belgicae, en wijst ten slotte
op de onderscheidingen die hem, en met recht, te beurt vielen.
Digitized by VjOOQIC
— 140 —
S. J. Fockema Andreae handelt over Spreekwij:[en en vormen
aan het oude Recht ontleend, bl. 104-123, nl. de volgende : kiezen
of deelen, woord houden, den handslag geven, handtasten, zijne
eer verpanden, belofte maakt schuld, jaar en dag, voor de roode
deur, den staf over iemand breken, (te pande) staan, godspenning,
alle goede dingen bestaan in drieën, wie eerst komt, eerst maalt.
TIJDSCHRIFT VOOR NEDERLANDSCHE TAAL- EN LETTERKUNDE,
1898.
J. Verdam handelt over Een nieuw fragment van den a Huge
van Bordeeus », bl. 89-104. Uit de nalatenschap van Prof. Acquoy
is door de Maatschappij der Nederl. letterkunde een perkamenten
blad uit een Mnl. hs. aangekocht, ongeveer 340 verzen bevattende
van den Huge van Bordeeus. Het is van een ander hs. dan dat
waarin ons stukken van den Mnl. roman zijn bewaard, maar moet
er ten nauwste mede verwant zijn. Schr. bespreekt den inhoud, die
KalfTs meening (nl. dat de Mnl. vertaling een vrije bewerking
van den Fr. tekst is) komt steunen, en drukt daarna de nieuwe
verzen af.
Verder, bl. 304-309, deelt dezelfde Schr. de afwijkende lezingen
mede van Een onbekend afschrift van het Atretsche Couchy-fragment,
dat in i859 door den Parijschen geleerde A. Guesnon gemaakt werd,
toont aan dat verschillende der gissingen van De Vries daardoor
tot zekerheid worden gebracht, en bespreekt een paar plaatsen waar
dit nieuwe afschrift eene verbetering aan de hand doet.
P. Fredericq, Nieuwe fragmenten der berijmde Fransche ver-
taling van Maerlant's drie Martij ns, bl. 33-45. Van die vertaling
had Schr. in 1884 reeds in het Tijdschrift eenige brokstukken be-
kend gemaakt; de overige, die men wist bestaan te hebben, waren
zoek geraakt. Onlangs werd door den heer L. Gilliodts-Van Severen,
in zijn werk : V oeuvre de Jean Brito (1897) die vertaling afgedrukt,
« maar vergezeld van een dertigtal geheele of verminkte onuit-
gegeven strofen der Fransche venaling, niet alleen van den Wapene
Martijn, maar ook van de twee andere Martijns ». Schr. deelt dien
* nieuwen tekst mede, na hem nog eens met het hs. vergeleken te
hebben.
J. Bol te wijst er op, bl. 85-87, dat in de Universiteitsbibliotheek
te Breslau Eine Verdeutschung von Coornherfs Schauspie! « Abrahams
Digitized by VjOOQIC
— t4ï —
Uytganck » gevonden wordt ; ze werd door een onbekenden vertaler
60 jaar na het oorspronkelijk drama (iSyo) gemaakt.
M. Rudelsheim, Eenige onuitgegeven gedichten van Marnix,
Marnix' :{elfcritiek, bl. 105-146. In een hs. van de Universiteits-
bibliotheek te Gent komt de vertaling voor van vier psalmen, door
Marnix in 1576 gemaakt; zij verschilt aanmerkelijk van de verta-
lingen later (i58o, iSgi, 1617) uitgegeven. Zij zijn vergezeld van
twee sonnetten, de eenige die wij tot nog toe van Marnix kennen.
Aan de echtheid valt niet te twijfelen. Schr. deelt die sonnetten
mede, en bespreekt dan de vertaling, die, te beter dan de drie uit-
gaven, ons een blik in zijn zelfcritiek verleent, in zijn ontwikkeling
als nauwgezet vertaler, in zijn dieper inzicht van de techniek van
het vers, naarmate • hij het meer beoefende ». Marnix' vertalingen
worden immer nauwkeuriger en vloeiender. In zijn eerste periode
heeft hij, als alle rederijkers, moeite om de Fransche of classieke
versmaat toe te passen ; woord- en versaccent verschilt vaak ; vreemde
Woorden en stoplappen komen in menigte voor; maar al spoedig
werden door hem die barbaarschheden geweerd, al spoedig besefte
Marnix hoe wanluidend die valsche klemtonen klonken.
W. L. de Vreese gaat voort met het uitgeven van Nieuwe
Middelnederlandsche Fragmenten (Cfr. Leuv. Bijdr., II, 80). Dit-
maal zijn het Drie nieuwe fragmenten van den « Spieghel Historiael »
die hij mededeelt, bl. 200-222. Het eerste fragment zijn twee per-
kamenten bladen, door den Schr. op de Kon. Bibl. te Brus.«-el
weergevonden; het tweede is een strook perkament, afkomstig uit
een register van de abdij te Eename, en thans op de bibl. der
Gentsche Universiteit; het derde bestaat uit twee bladen perkament,
aldaar thans ook. De tekst er van is reeds gedeeltelijk bekend; de
onbekende verzen worden afgedrukt, en van de overige de afwij-
kende lezingen medegedeeld.
J. Franck, Aus der Komburger Handschrift, bl. 269-283. Het
artikel bevat : 10) de collatie van den Reinaert, ter aanvulling van
een collatie, door Boekenoogen in het ii* deel van het «Tijd-
schrift » medegedeeld; 2°) de collatie van den Wapene Rogier;
30) een reeks tot nog toe onbekende woorden, of bekende woorden
met nieuwe beteekenissen of op ongewone wijze gebruikt, als bij-
drage tot het Mnl. woordenboek; 40 twee korte prozateksten tot
dusver onuitgegeven.
Een paar fragmenten van den roman van « Limborch », door
Prof. Gallée in een Lat. martyrologium uit het laatste der 14e of
Digitized by VjOOQIC
— t4i -
het begin der i5o eeuw ontdekt, worden door G. Kalf f, bl. 297-
3oi, medegedeeld. De tekst er van wijkt niet veel af van den door
Van den Bergh uitgegeven.
A. Kluyver, Sukade, bl. 46-48. Het w^oord komt ongetwijfeld
van Ital. i'ucca = « kalebas », van waar Ital. :(uccata, en dit is het
grondwoord, zoowel van Fr. succade, chucade als van Ndl. sucade
en sucate.
Van denzelfden komt nog voor Anjer en anjelier, bl. 147-160.
Deze woorden — aan den Romaanschen oorsprong waarvan men
niet moet twijfelen — luidden vroeger bij ons angier en angelier,
angulier. Door verplaatsing van den klemtoon, en door verwarring
met angelier, is uit het eerste anjer ontstaan; anjelier zelf is uit
angelier voortgekomen, daar de g, eerst uitgesproken als een ge-
wone Ndl. g, later vóór den toonloozen klinker in j overging (Vgl.
b. V. orange, /range). Wat den oorsprong aangaat, het is moeielijk
dien in het Fr. te willen zoeken, zooals men tot dusver deed ;
Schr. meent dat de namen veeleer van dien der Ital. stad Angera,
Angiera, Lat. Angleria, afkomstig zijn. — In Nog iets over Anjer
en Anjelier, bl. 262-268, bespreekt J. W. Muller een plaats uit
Spieghel's a Hertspieghcl », en wil aantoonen dat anjer niet onder
invloed van anjelier ontstaan is, dat die vorm niet jonger is dan
angier, dat de j van anjelier aan het voorbeeld van anjer moet
toegeschreven worden; wellicht is dnjer rechtstreeks uit den Ital. vorm
anghéra voortgekomen; wellicht werd anghéra bij ons als angjéra
gehoord, en werd achtereenvolgens 'ang-jéer, anjéer, dnjer,
A. Kluyver handelt nog bl. 241-254, over Kaliber. Na de
verschillende voorgeslagen afleidingen besproken te hebben, in-
zonderheid die, volgens welke het woord aan het Arabisch zou
ontleend zijn, poogt hij te bewijzen dat het een Romaansch woord
is, en waarschijnlijk het Fransch calibre; de oorsprong van dit laatste
is aequilibrium, als term bij de artillerie.
J. H. Gallée bespreekt, bl. 49-66, de volgende woorden :
10) Drost, drossaert, drossatus. De verschillende vormen, die er van
voorkomen, worden bijeengebracht, en op enkele kleinigheden in
het verloop van de beteekenis en de ontwikkeling van den vorm
wordt de aandacht gevestigd. Schr. neemt niet aan, dat men in
het eerste lid met Ohd. ^«/rf = « dapes » te doen heeft; hij vat
het op als « gevolg, schaar, krijgsbende »; Ohd. truht-sd^o (Os.
druhtsdto), oorspronkelijk met den hoofdtoon op het eerste lid, be-
teekent dan eigenlijk : « degene die de hoofdplaats had van, de directie
Digitized by VjOOQIC
- 143 -
voerde over de druht y>, — 20) Hekse. Het is waarschijnlijk eene
samenstelling; het eerste lid kan wezen Germ. haga, in beteekenis
gelijk aan xaxd^, waar het mede verwant is; we hebben het nog «in
Mnl. hagemunt = « valsche munt », haagtur/=i « slechte turf» ; daar,
en in enkele andere samenstellingen, werd het tot nog toe uit haag =
Lat. sepes verklaard ; het tweede is wellicht ontstaan uit Germ. teswja=
« iemand die kwaad doet » (daarmede kan wel Mnl. tissen, tessen,
uit teswian, samenhangen).
G. A. Nauta geeft, bl. 67, eene plaats op uit een Engelsch
gedicht van omstreeks i35o, waarin hij myke, ons mik, aantreft, als
scheepsterm gebezigd. De oorspronkelijke beteekenis is « gaffelvor-
mig voorwerp, waarop iets anders, vooral een dwarspaal, rusten kan ».
J. Fr a nek, Mittelniederldndisch « allene », bl. 73-81. Schr.
toont aan, dat Mnl. een, eene <( hetzelfde » kan beteekenen [cfr.
Hg. « es ist mir alles eins », Mhd. « al ein »). Verbonden met het
versterkend al, beteekent het verder « overeenstemmend, voortdurend,
overal, geheel en al » (onder invloed van Fr. unimentf). Allene be-
teekent ook « zelf, vanzelf »; omgekeerd komt jfe(f voor met de
beteekenis « alleen » ; dat is uit allene = solus te verklaren. — In
Eine Bemerkung über « nooiï », bl. 8i-83, wijst dezelfde Schr. op
het volgende verschijnsel. In de levensbeschrijving van de H. Lut-
gardis, door Prof. F. van Veerdeghem onlangs teruggevonden, hebben
de verzen regelmatig vier heflingen met ééne daling er tusschen, uit-
gezonderd die, waarin oit en noit voorkomen. Derhalve moeten die
woorden als tweelettergrepige gelezen worden : ó-it en no-it; het
eerste bestanddeel is Igm. auo « die »; het tweede, het toonlooze
iet, zoodat ooit uit oorspronkelijk *au aiw wiht, later o éo wikt, door
samentrekking ontstaan zou wezen.
H. Kern bespreekt, in verschillende bijdragen, de volgende woor-
den : 10) kantoor, quatuor, bl. i6i-i63. Deze twee zijn voorbeelden
van eene en dezelfde klankontwikkeling ; nl. de e, die in keleur, kerant
(van Fr. couleur, courant), enz. gehoord werd, vóór men kleur, krant,
enz, zeide, gaat, in bepaalde gevallen, in een a over; aldus uit
kentoor ons kantoor; evenzoo is de a in Lat. quatuor te verklaren,
uit quetuör, — 20) Canis, funi, bl. 192. De a in Lat. canis is te
verklaren als die in quatuor, dus uit een e (uit een oud cunis, eerst
cenis, later canis, eindelijk cdnis). — 30) Boot, bl. 237-240. Het woord
is in het Ndl. uit het Engelsch gekomen; men heeft aangenomen
dat er, buiten het gebied der Germaansche talen, geene verwanten
er van bestonden; Schr. toont aan dat Skrt. bheda of bhela ^v^hoot.
Dialect. 11
Digitized by VjOOQIC
— 144 —
vlot », er mede samenhangt. Oorspronkelijk beteekende dat woord
« stuk hout, plank » ; boot moet in hoofdzaak dezelfde geschiedenis
hebben doorgemaakt, en ten slotte uit denzelfden wortel gesproten
zijn als beitel, bitter en bijten.
A. Beets, Sjappetouwen bl. ZQS-aoo. Schr. handelt over de ver-
schillende opvattingen van het woord, wijst op de oudste plaatsen
waar het voorkomt (nl. in Alewijn's Jan Los, 1721), en bespreekt
dan de afleiding, door prof. Veth voorgesteld : het zou een ver-
bastering zijn van Mal. siapa toea; is dit zoo, dan moet het eerst
om een « onverschillig mensch » te beteekenen gebruikt zijn.
J. Verdam, Van noode hebben, van doen hebben, bl. 164-168.
Het Mnl. van node beteekende «gedwongen, noodzakelijk, noodwen-
dig »; het werd vaak verbonden met moeten, en moeten hebben. Dit
van node moeten hebben nu werd als een tautologie opgevat; men
liet moeten weg, en van node hebben alleen kreeg dezelfde beteeke-
nis ; later nog beteekent het : <c noodig hebben » : en daarnaast komt
van node j^ijn = « noodig zijn ». Door contaminatie ontstond, uit die
uitdrukking, eene tweede, nl. te doene hebben, verbasterd tot van
doen hebben, ook in dezelfde opvatting.
In zijn Dietsche verscheidenheden, CXXII-CXXIV, bl. 3io-3i9
[Cfr. Leuv. Bijdr., II, 193), handelt dezelfde Schr. over de vol-
gende woorden : i») Baeshudich. Het woord werd, ten onrechte»
door Schr. niet in het Mnl, Wdb. opgenomen. Een tweede voor-
beeld wordt aangehaald (een bewijs dat het dus wel bestaan heeft),
en de afleiding wordt besproken : tegen de door De Vries gegevene,
nl. dat het eerste deel Mlat. ^o^^m^ =s cc pinguis » zou wezen, zijn
bezwaren (vooral de a in het Mnl.); daarom vraagt Schr. of men
wellicht geen Mlat. basus naast bassus mag aannemen? — 20) Oor-
spronc. Schr. wijst op plaatsen, bij Mnl. schrijvers, maar het woord
voorkomt, om de verklaring van het NederL Wdb, te steunen, nl. dat
oorsprong" niet, zooals Franck en VercouUie* beweren, naar het
voorbeeld van het Hg. gevormd is. — 3o) Onder — ende. Schr.
stelt een nieuwe verklaring van die uitdrukking in de plaats van
die door De Vries vroeger gegeven, en maakt door het aanhalen
van vele plaatsen het gebruik en de beteekenis van de zegswijze
bekend.
G. J. Boekenoogen, Duimkruid, bl. 236, wijst op een plaats,
in een officieel stuk van 1488, waar het woord reeds voorkomt; het
moest toen reeds gewoon zijn.
Digitized by VjOOQIC
^ — 145 —
D. C. Herseling, in zijn artikel over Bestekamer, bl. 292-296,
komt op tegen de tot heden gangbare meening, dat dit woord een
verbastering zou wezen uit Mnl. bassecamere, Fr. basse chambre;
het is eene euphemistische, of liever schertsende uitdrukking.
G. A. Nauta bespreekt, bl. 84-86, de w. i2-i3 uit den Spaan-
schen Brabander, waar Jerolimo's woorden, van de Schelde gezegd,
« (hem) supporteert tot over Meyr », beteekenen dat de Schelde
doorstroomt tot voorbij Mere (dus niet : tot in \ee, en Mejrr is op
te vatten als eigennaam). Beer, in den volgenden regel, was de
naam van een Antwerpsche herberg in Bredero's tijd.
B., Ferguut, vs. i852-53, bl. 88. De lezing van het hs. werd
ten onrechte door Verwijs veranderd; men behoude ze, met wijzi-
ging van de interpunctie; na v. i85i komt een punt; in v. i852
verdwijnt het komma, en men vatte het vers aldus op : Een nog
onervaren meester heeft u gelaten.
C.^Bake, Nog eens a Dubbeluw y>, bl. 169-171. Schr. komt enkel
op het woord terug (zie Leuv. Bijdr., I, 82) om te wijzen op eene
plaats bij Langendijk {Don Quichot, 6* tooneel), waar Dubbelduw
ongetwijfeld « duivel, booze geest » beteekent; wellicht heeft het
woord diezelfde beteekenis bij Bredero.
A. Hendriks, Palamedes . v. 796. De woorden : <( dat tref
Laomedon » beteekenen : « dat verwijt treffe Troje ». Daarmede valt
van Lenneps verklaring weg.
J. Franc k weidt uit, bl. 283-285, over het Vyuergat in Rein.
I, 1640. Hij wijst op het onduidelijke van de voorstelling, vraagt
of men niet in muergat mag verbeteren (dat als uiuergat gelezen
werd, vanwaar de schrijfwijze vyuergat)} misschien mag men ook
aan vuyrstergat denken. — J. W. Muller, die, bl. 286-291, ins-
gelijks de plaats bespreekt, weet geen raad met muergat, dat niet
in het verband wil passen ; ook tegen vuyrstergat bestaan bezwaren :
geen der beteekenissen er van geeft een goeden zin. « Zonder een
beter hs., of een juister inzicht in den toenmaligen bouwtrant der
huizen, zullen wij in dezen wel geene stellige uitkomst verkrijgen ».
J. Verdam, De Griseldis-novelle in het Nederlandsch, bl. 1-18.
De Griseldis-novelle, die tot de in de middeleeuwen meest verbreide
romantische stoffen behoort, komt het eerst voor in den Decamerone,
wordt verder in al de Europeesche litteraturen aangetroffen en is
ook in de onze herhaaldelijk bewerkt geworden. Schr. vermeldt in
het Ndl. de volgende bewerkingen : 10) een hs. van het «Museun\
Meermannianum » (Den Haag); het dagteekent van omstreeks 1400,
Digitized by VjOOQIC
— 146 —
en werd geschreven door een «c bnieder van den prediker oorde »;
het is een vrij getrouwe vertaling van Petrarcha's Latijnsch ver-
haal ; de taal er van is Oostelijk getint ; 20) een hs. uit het begin
der i5o eeuw, door Gallée ontdekt en uitgegeven {Tijdschrift, d. IV,
1884); 30) een incunabel, te Deventer in het laatst der i5« eeuw
gedrukt, en naar een 0£ra. bewerking vertaald; 40) Coomhert's
vertaling in zijne a Vijftigh Lusthige Historiën oft Nieuwigheden
Joannis Boccatii »; 5o) Dirck Potters bewerking in Der minnen
loopt IV, 1095 sqq.; 60) eene berijming uit het begin der i6e eeuw,
door zekeren Anton. Ghyselers; 70) het Historielied van de verdul-
dige Griesella, waarschijnlijk uit het begin der 17e eeuw; 80) ver-
schillende dramatische bewerkingen uit de 16e eeuw, en 90) volks-
boeken uit de zöe-ige eeuwen.
Dit opstel is eene inleiding tot de uitgave van den tot dusver
onbekenden Griseldis- tekst, daareven onder lO) vermeld^ en die door
Schr., op bl. i8-3o afgedrukt wordt.
J. A. N ij land. Nog eens Jakobus Bellamy, bl. 3i-32. Schr.
vond, onder de « Bellamiana » van het Zeeuwsch Genootschap, twee
proeven van eene onafgewerkte critiek van het gedicht M, H. De
Ruyter, door Loosjes (Haarlem, 1784) ; ze worden hier medege-
deeld als getuigenis afleggende van Bellamy's « gezond oordeel op
letterkundig gebied, zich zoo gunstig onderscheidende van dat van
vele zijner tijdgenooten ».
}. A. Worp, in zijn opstel De n Alfreda » van P, A, Codde
en Lope de Vega's « La hennosa Al/reda », bl. 68-72, toont aan
dat eerstgenoemd werk geen vertaling is van Rotrou's La belle
Alfrède, welk naar het Spaansch van Lope zou bewerkt zijn. De
inhoud van het Ndl. stuk is geheel anders dan het Spaansche;
het Fransche stuk komt niet in aanmerking om de verhouding van
Codde's werk tot dat van Lope te bepalen. Schr. zegt dat men
van een « bewerking » door Codde niet mag spreken ; aan de Sp. en
Ndl. stukken ligt misschien dezelfde kroniek uit de 12e eeuw ten
grondslag; Codde heeft aan zijn drama een heel afwijkend slot
gegeven.
M. M. Kleerkooper, in zijn bijdrage Een vergeten catalogus,
bl. 172-189, deelt de Catalogus ... bibliothecae ... jD. Samuelis Costeri
mede, die thans in de Kon. Bibl. te Dresden te vinden is; er blijkt
uit dat S. Coster in het Lat. en Fransch ervaren was, de geschie-
denis bestudeerde, enz.
Digitized by VjOOQIC
— 147 —
]. Hobma, Een veelbesproken blijspel, bl. 255-267. Is de Wa-
renar van Hooft alleen , of heeft Coster er aan medegewerkt ?
Schr. onderzoekt op zijne beurt dit vraagstuk {cfr, Leuv. Bijdr.,
II, 210), en schaart zich aan de zijde van D^ Stoett, tegen Coster
als medewerker. Hij onderzoekt vooral, ter staving van zijn besluit,
den uiterlijken vorm van het tooneelspel.
F. Buitenrust Hettema, Namen en Zinspreuken, bl. 3oi-
3o3. Kleine lijst, uit een werkje van 1810, van zinspreuken van
dichters der i6e en 17e eeuwen.
G. J. Boekenoogen, Concept van Bestedinge tot het bedijcken
van de Assendelver meer, ao i553, bl. 223-236. Een stuk uit het
archief te Assendelft; het bevat een aantal minder bekende uit-
drukkingen, en is geschreven in de gewone schrijftaal der Zuid-
hoUandsche eilanden, hier en daar wat Zeeuwsch gekleurd. Schr.
deelt het mede, en geeft dan de beteekenis en verklaring aan van
eenige waterbouwkundige termen, die er in voorkomen.
NOORD EN ZUID, 1898.
Dr A. Beets verklaart de volgende woorden en uitdrukkingen :
10) Laars^enis, bl. 95 (het is eene omzetting van la;(ernis, d. i.
« lazerheid, lazerij »); 29) Eene veer van den mond bla^^en, bl. 478-
479 (daarin hebben we niet, een gelukkig gevonden beeldspraak,
maar een uitdrukking aan de oude rechtspraktijk ontleend, zooals
blijkt uit eene plaats uit de Statuten van Maastricht, a<> i38o);
30) Een deuntje den hals breken, bl. 80-82 (« den hals breken »
beteekent hier niet, zooals Leendertz wil : <c er een einde aan ma-
ken », noch, zooals Stoett verklaart : cc opzeggen, nazingen », maar
c( bederven, verknoeien, radbraken »).
Dr. F. A. Stoett behandelt: 10) Door het bedstroo druipen,
bl. 172-173. Schr. oppert zijn bedenkingen tegen de door Kluyver
gegeven verklaring in het Ndl, Wdb,, II, 1247, en vat «druipen»
hier op als a langzaam door iets heen vallen, vermageren »; het
staat hier in denz. zin als in de uitdr. c< door de kleeren druipen »);
20) Iemand eene loer draaien, bl. 243-259. Na te zijn nagegaan wat
er reeds vroeger over den oorsprong van die zegswijze is mede-
gedeeld, en na ze vergeleken te hebben met andere van gelijke betee-
kenis, besluit hij dat het subst. loer, in 't Mnl. cc lomperd, botterik »,
oorspr. (c iets van geringe waarde, een lap, vod, lor » moet betee-
kend hebben; het is identisch met luur, Ofri. lür{e), en de oe is
Digitized by VjOOQIC
- 148 ~
aan Duitschen invloed of aan een dialectische uitspraak van de ü
als oe te wijten.
G. A. Nauta weidt uit, bl. 354, over Hei Cambrijnsche vocht,
d. i. c( bier », en over den oorsprong van de benaming (de naam
van den Brabantschen Hertog Jan I, beschermer van het brouwers-
gild, zit er in).
Van de nog al talrijke, meestal korte en vaak niet onderteekende
opstellen, die sommige woorden, uitdrukkingen, zegswijze verklaren
of bewijsplaatsen (soms voor reeds gegeven verklaringen) bijbrengen,
noem ik o. a. Lombard, bl. 20; in ge^^egende omstandigheden en laks-
bl. 5i, mofy bl. 79, miniaturen, 85, een Mingo, bl. 187, laberlottig,
heid, bl. 100 (door P. H. H.; ten onrechte, volgens hem, in de wdbb.
labberlottig gespeld) ; een gek in quarto, bl. 377 ; men moet geen
oude palen verletten, bl. 386; oog om oog, bl. 464; weerga, bl. 480
(door C. B[ake]; het woord zou een opzettelijke vervorming zijn
van « weerlicht ») ; de droes op Marken, bl. 583 (door K. P[oll];
Marken werd in vroeger tijd als een verblijfplaats van den duivel
beschouwd, zooals blijkt uit verschillende plaatsen bij oudere schrij-
vers).
C. J. Vierhout zet zijne Stilistische overwegingen voort, bl.
53-59 {cfr, Leuv. Bijdr., II, 204); ditmaal heeft hij het over ont-
kennende zinnen, gebruik van voornaamw., gebrek aan samenhang
tusschen de verschillende zinnen, verkeerd gebruiken van voorzet-
sels, enz. — J. Bergsma gaat eveneens voort met zijn in vorigen
jaargang begonnen bijdrage over De voorvoegsels der werkwoorden,
bl. 184-187 (cfr. Leuv. Bijdr., II, 2o3); ditmaal wordt het voor-
voegsel ge- besproken. — Opstellen over Synoniemen komen voor
door Van der Mate, bl. 72-78; 177-183; 378-383; 53o-532. Na een
inleiding over de beteekenis van het woord, het te maken onder-
scheid tusschen grammaticale en lexicologische synoniemen, het doel
der studie van de synoniemen en de te volgen methode bij de
scheiding van zinverwante woorden (nl. etymologie, taalgebruik,
spraakkunst en logica), behandelt hij, op de door hem aangewezen
wijze, dertien groepen van synoniemen. — Ook C. J. Vierhout
levert een opstel over Woorden van gelijke beteekenis, bl. 345-349.
Andere bijdragen tot de spraakkunst zijn die van S., over de
Verdeeling van de bijvoeglijke finnen, bl. 174-176; C. Bake, Eene
kommakwestie, bl. 35o-353 (gebruik van komma's in «uitbreidende»
bijzinnen); H. Slotboom, Afhankelijke vragen, bl. 362-374 (be-
paling, soorten, woorden die tot inleiding er van dienen); primaire
Digitized by VjOOQIC
- 149 — .
en secundaire buiging, bl. 375-377. Daarbij sluit zich aan het opstel
van D' A. Kluyver, Over de methode van het taalkundig onder-
focAr, bl. 321-332. Door eenige, goed gekozen voorbeelden, toont
Schr. aan, hoe men, bij de studie van de etymologie der woorden,
zich niet mag laten verleiden door uiterlijke overeenkomst in klank ;
dat de taaistudie noodzakelijk historisch moet wezen; dat de goede
methode bestaat in het juist en met tact te pas brengen van goed
geordende kennis, en dat men moet beginnen zoo veel kennis mo-
gelijk in zijn bezit te krijgen.
J. Verdam, De werking der bijgedachte in de taal, bl. 413-
448. De analogie of de invloed der uiterlijke overeenkomst is een
factor die allerlei storingen in den levensloop der woorden teweeg-
brengt. Nauw daarmede in verband, wat aard en werking betreft,
is de macht of werking der bijgedachte in de taal, d. i. het bekend
verschijnsel waarbij, wanneer door het gesproken woord in onzen
geest eene voorstelling gewekt wordt, niet alleen die voorstelling,
maar andere, in klank daarop gelijkende, levendig worden. Dit
wekken eener bijgedachte kan opzettelijk geschieden : dan ontstaat,
aan den eenen kant, de woordspelling, de kwinkslag; aan den
anderen, de dubbelzinnigheid. Maar veel vaker geschiedt dat on-
willekeurig, en dat juist is belangrijk voor de taal. Schr. schetst
dan achtervolgens de machtige werking van dien factor als de
oorzak van : 10) allerlei onlogische of onjuiste woorden, uitdruk-
kingen, zinsvormen (b. v. iemand uitveteren ; voor twee jaar gele-
den, ik ben moeten weggaan); 20) verschillende wijzigingen op het
gebied der woordvormen (b. v. genitieven als des werelds; ik tijg
aan het werk); 30) het in onbruik raken van woorden (b. v. engelsch=
engelachtig; Oostenrijk voor het « aardsch Paradijs); 40) het aan-
nemen van een inheemsch gewaad door woorden aan andere talen
ontleend (b. v. armborst en hangmat); 5o) wijzigingen in de woord-
beteekenis, ook onder invloed van de volksetymologie (b. v. Mnl,
antwordt en antwerde; durven; geeuwhonger, enz.).
Dr G. A. Nauta schrijft een reeks verklarende aanteekeningen
bij de De drie Zustersteden van Ledeganck, bl. 59-71; J. La n ge-
raap eene Inleiding tot de n Leekedichten n van De Genestet, bl.
260-276; Taco H. de Beer handelt over P. C. Hooft, bl. 88-94
(algemeene waardeering ; Hooft's karakter ; zijn stijl ; zijn betrekkingen
met zijn tijdgenooten) ; over J. Cats, bl, 163-171 (Cats beteekenis;
als dichter is hij al heel weinig meer voor onze dagen); over
Bilderdijk, bl. 276-284 (hoe het komt dat Bilderdijk wel gekocht.
Digitized by VjOOQIC
— i5o —
maar niet gelezen wordt ; zijn waarde voor onzen tijd : hij verdient
in bloemlezing ernstig gelezen te worden); over Jan Van Beers,
bl. 355-361 (levensloop van den dichter; blik op zijnen tijd; zijne
waardeering in Noord-Nederland), en over C. Huygens, bl. 525-529
(Huygens staat nader aan onzen tijd dan Vondel en Hooft, omdat
bij hem het humoristische genre den boventoon heeft, inz. de on-
deugende, Fransche humor; Huygens is ook belangrijker voor den
taaibeoefenaar, omdat zijn woordenschat dien van bijna alle anderen
«
overtreft).
P. Visser beschouwt Poot als natuurdichter, bl. 469-475. Poot
had, in de dorre cc poëzie-looze » achttiende eeuw, twee hoedanig-
heden, voor eenen dichter onmisbaar : gevoel voor klank en zin voor
de natuur. Zijn verzen kenmerken zich door een prachtig rhytme;
maanlicht en stilte voeren zijn hart de fijnste ontroeringen toe ; vaak
heeft hij fantasietafereeltjes naar den klassiekerigen smaak van zijn
tijd, maar overal komen er brokken waarneming van Hollandsche
werkelijkheid in. Hij is eigenlijk é.è^ dichter, waar hij zich zelf
is, en den wansmaak van zijn tijdgenooten niet involgt. — Eene
andere, ongeteekende bijdrage, handelt ook over Poot^ bl. 465-468;
Schr. geeft eenige biographische inlichtingen, beschrijft den kring
waarin Poot verkeerde, en huldigt den dichter vooral als een kun-
stenaar met groote oorspronkelijkheid, die niet door oefening en
navolging zijn kunst had verkregen, en boven alles er naar trachtte
eenvoudig en natuurlijk te zijn. Aan beide opstellen wordt door
Taco H. de Beer een Naschrift toegevoegd, bl. 475-477, waarin
Schr. wijst op de beteekenis van Poot voor onzen tijd, en de gebreken
van den dichter vergoelijkt door er aan te herinneren dat zij grooten-
deels aan Poofs tijd, en niet aan den dichter zelf, te wijten zijn.
In een ongeteekend opstel, Mannenkarakters in den Hollandschen
roman, bl. 333-344, worden de hoofdhelden van eenige der meest
gelezen tegenwoordige Ndl. romans geschetst (« Een zwakke » van
Fr. Coenen; de kroonprins uit Couperus' cc Majesteit », cc Bemard
Bandt » van Herman Robbers, enz.). Zoo deze schrijvers dergelijke
mannenkarakters kiezen en het publiek hen bewondert, toont dit dat
zij beantwoorden aan een behoefte van het oogenblik ; maar daardoor
wordt volstrekt niet bewezen de zoo vaak verdedigde theorie, dat
het werkelijke leven zich weerkaatsen moet in de producten van de
verbeelding, want tusschcn de mannenkarakters, door de phantasie
van de schrijvers geschapen, en de thans werkelijk levende mannen
bestaat een groot verschil.
Digitized by VjOOQIC
— i5i —
J. R o es el ing' s Van een oudt liedeken, bl. 225-242, is een be-
schouwing over het bekende « Het daghet in den Oosten ». Schr.
wijst op de populariteit van dit lied, de « vergeestelijking » er van,
de reis er van naar Duitschland en elders.
W. K. — J, F. Olimans, bl. 34-47. Schr. is het niet eens met
Jonckbloet, die Oltmans veel te ongunstig beoordeelt, en hem te
hard valt voor het zwakke van de karakterteekening der personages
in zijne romans; Ten Brink oordeelt meer waardeerend, maar drukt
te zeer op Oltmans zoogen. afhankelijkheid van Scott, hoewel
Oltmans zich geheel naar Scott vormde. Een invloed die veel
nadeeliger werkte op de vrije ontwikkeling van Oltmans* gaven
waren de denkwijze en de smaak van zijne tijdgenooten. Schr.
erkent dat Oltmans geen schrijver van grooté beteekenis was. Merk-
waardig is het dat hij, hoewel Protestant, zich kenmerkt door liefde
voor kerkpraal en kloosterleven; die karaktertrek had hij gemeen-
schappelijk met de Duitsche meesters van de romantische school.
Aug. Gittée, in zijn opstel Van Eeden's vi Kleine Joannes»,
bl. 47-5 1, toont aan hoe dit boek een gesymboliseerde historie is
van het zieleleven van den mensch; het werk wordt ontleed, en
op eenige kenmerken er van gewezen : c< het is een parel aan de kroon
van onze jongste Nederlandsche letterkunde ».
D' A. S. Kok zet zijne Arenle^^ing voort, bl. 129-146 {cfr. Leuv.
Bijdr., II, 207). Schr. deelt veel bijzonderheden mede aangaande
Jacopo Sannazzaro, den bekenden humanist (i453-i53o), die een
beroemd epigram in het Lat. dichtte (een lofspraak op Venetië),
dat hem met zes honderd ducaten beloond werd. Het is het duurste
epigram dat bekend is ! Driemaal werd het in het Ndl. vertaald,
o. a. door Bilderdijk. Naar aanleiding van dit versje, wordt door
Schr. uitgewijd over de geschiedenis van het epigram in onze let-
terkunde.
Ten slotte blijven nog te vermelden enkele bijdragen waarin eene
of andere plaats van eenen schrijver besproken wordt; zoo handelt
H. Slotboom, bl. 83-85, over de constructie van Hagar, v. 7;
M. C. B[ake], bl. 259, verklaart «krenken» in Warenar, v. S67,
als « schaden », en dan slaat hem niet op het voorafgaande bak=
« baksel, beslag », maar op Rijkert; M. Tarf bespreekt, naar
aanleiding van Nauta's boven vermeld opstel, eenige plaatsen uit
Ledeganck's aAan Brugge yi, bl. 384-386 (vragen om nadere inlichting
en terechtwijzigingen).
Digitized by VjOOQIC
xSa —
TAAL EN LBTTBRBN^ 1898.
J. Fr a nek. Schriften psr Limburgischen Sprache und Literatur,
bl. 49-52; X05-109; 135-139; 337-341; 387-392; 415-421; 463-476;
5o3-5i5. Schr. begint door er op te wijzen hoe de gunstige ligging
van Limburg in de middeleeuwen het ontstaan van een letterkunde,
op het laatste der i2« eeuw, bevorderde. Hoe echter die Limburg-
sche dialecten, die toen een schrijftaal werden, waren, is nog niet
genoegzaam onderzocht. Het Limburgsch vormt de overgang van
het eigenlijk Ndl. tot het Duitsch-Limburgsch, en verder tot het Mid-
delfrankisch ; maar daar 10) het Limburgsch — evenals het Vlaamsch,
het Brabantsch, enz. — niet èén dialect, maar de benaming van
eene reeks dialecten is, en 2») geen enkel Limburger zijn eigen
dialect zuiver schrijft, maar steeds een min of meer conventioneele
schrijftaal, zoo zijn het voornamelijk de nog thans levende gewesttalen
die men moet bestudeeren om tot een antwoord op de gestelde
vraag te geraken. Dit noopt Schr. een overzicht te geven over
hetgene tot nog toe verricht werd met betrekking tot de letterkunde en
de dialecten van Limburg. Hij bespreekt achtereenvolgens i®) « Het
Roermondsch dialect » van Dr L. Simons (1889) [Bruikbaar, doch
met veel voorzichtigheid te raadplegen; de methode laat te wen-
schen over]; 2») « De klank- en vormleer van het Mnl. dialect der
St. Servatiuslegende » van F. Leviticus (1892) [Duidelijk; de Schr.
houdt echter niet uiteen, wat in de dialectische vormen op rekening
van den dichter en op die van den afschrijver moet komen; vele
onnauwkeurigheden bovendien] ; 30) Het cc Nederduitsch glossarium
van Bern» door D' F. Buitenrust Hettema (1889) [Franck geeft er
een rijke nalezing op]; 40) « De Limburgsche Sermoenen », door
Dr J. H. Kern (1895) [De spraakkunst wordt geprezen, hoewel Schr.
er toch veel aanmerkingen op te maken heeft ; de overgeleverde
tekst is te conservatief behandeld] ; 5o) « De levens van Jezus in het
Mnl. » door Dr J. Bergsma (1897) [Schr. spreekt daar geen oordeel
over uit, omdat het werk nog niet af is]. — Ten slotte geeft hij,
daartoe van den rijken voorraad van bouwstoffen gebruik makend,
een systematisch overzicht over de eigenaardigheden van het Lim-
burgsch, en doet opmerken hoe men die synthesis moet opvatten,
na hetgeen hij in het begin van het opstel geschreven heeft.
J. G. Talen zet zijne Beknopte spraakleer van 't beschaafde
Nederlands voort, bl. 39-48, en handelt hier over « de comparatie •
(cfr. Leuv. Bijdr., II, 210).
Digitized by VjOOQIC
i53
Uit de nalatenschap van J. A. F. L. Baron van Heeckeren
(cfr. Leuv. Bijdr.. II, 210) worden door T. N. van der Stok
verscheidene stukken medegedeeld met Nog een en ander over Vondel,
bl. i-i3; 401-408. Het eerste handelt over « de tendenz van den
Lucifer ». Schr. bestrijdt de allegorische opvatting van Van Lennep
en Jonckbloet, en stelt er een a theologische » voor in de plaats :
Vondel nl., « een groot liefhebber van de zoogen. typische theologie »,
heeft een theologisch treurspel geschreven; de opstand der Engelen
is hem « een voorspook van den opstand in de Kerk ; evenals de
oproerige engelen uit den hemel, werden de afvallige zielen uit de
Kerk geworpen ». Maar Vondel is niet bitter ; hij is integendeel tot
zachten weemoed gestemd, omdat zoovelen zijner vrienden tot die
afvalligen behoorden, zooals hij vroeger. — In het tweede stuk,
« Vondel als lofdichter », verdedigt Schr. de stelling, door de verzen
op 's mans beschermster, Mevr. van Vlooswijck, te bespreken, dat
Vondel even groot lof- als hekeldichter was. — In het laatste, « Het
tooneel, Vondel en de Kerk », wijst hij er op hoe de verschillende
Protestantsche secten uit die dagen jegens het tooneel vijandig ge-
zind waren, en inz. vijandig tegenover Vondel stonden. Vondel had,
door middel van zijn bijbelsche drama's, stichting door het tooneel
willen bekomen; maar een dergelijk plan moest mislukken, want
de schouwburg had een al te zedelooze omgeving. Overigens, het
Protestantisch mysticisme begreep niets van Vondels symboliek. —
Vondel is meer een theologisch en zedelijk, dan echt godsdienstig
dichter geweest.
Ook J. Koopmans schrijft eene reeks Vondel'Studieén,\A. 257-
278; 355-377; 481-502. — I. Vondels verchristeliking van de heidense
didaktiek. Vondel beschouwde de heidensche fabel als een leerwijze,
door God zelf voorgeschreven, tot verkondiging van het geopenbaard
geloof. Zie zijn Vorstelijcke Warande der Dieren, zijn Gulden Winckel.
Men meende dat God de gewoonten en levenswijze der dieren den
mensch tot leering voorhield; dat was ook Vondels beschouwing.
Hij was door en door mystisch, en onderwees gaarne door een
verbloemde manier van zeggen; daarom trok hem de fabel aan.
Hij is, Jn de 17e eeuw, als een geleerde monnik geworden, a dichter-
lijke sermoenen schrijvend van kerkelïk-exegetiese inhoud, dierekt
of indierekt ter ere van den allerhoog^ten God » ; op 84-jarigen
ouderdom vertaalde hij nog de « fabelen », van Ovidius : dit geschiedde
ook om de heidensche didaktiek dienstbaar aan het ware geloof te
maken. ^^ II. De verchristeliking van de heidense epiek. Voor en na
Digitized by VjOOQIC
— i54 —
de Renaissance heeft men er zich op toegelegd de heidensche
mythologie christelijk te verklaren. Vondel, zooals zijn meeste tijd-
genooten, zagen de Heidenen voor «verbasterden van Godt m aan;
in hun iabelleer schuilden nog waarheden van goddelijken oor-
sprong. Die opvatting bracht tot het allegorisch verklaren er van ;
Vondel deed dat van den beginne af; hoe langer hoe meer wordt
de heidensche historie en letterkunde door hem « verchristelijkt » ;
de beteekenis van de Aeneis, b. v., ligt voor Vondel in de prophe*
tische stelling van 't stuk : hij zag er de voorspelling in van den
ondergang der oude wereld en de stichting van het rijk Gods. —
III. Eerste wij:(gerige en theologiese invloeden. Evenals voor Spic-
ghel en Hooft, was voor den protestanschen Vondel het Christendom
veeleer een dichterlijk- wij sgeerig stelsel dan eene theologie; men
zoeke in zijne werken geen innige vroomheid. In de godsdienstige
twisten van zijn tijd is hij de kampioen van de verwonnen partij
geweest (b. v. Palamedes, de gedichten over Bamevelt). Later betoont
hij zich de trouwste letterknecht van Menno's rechtzinnige school;
hij kant zich tegen de predestinatie-leer. Maar de grenzen van zijn
oppervlakkig geloofsgebied heeft hij kunnen verruimen, zonder de
dogmatische diepte van een specifiek eigen leerstelsel behoeven te
begeven.
Van denzelfden Schr. kom nog stukken over Maerlant voor. In
het eerste, Maerlanfs « Alexander », bl. 93-104, wordt eerst gespro-
ben over de opvatting van Alexander in de oudste bewerkingen
der sage, daarna over de allegorisch-apocalyptische beteekenis, die
in de middeleeuwen op den voorgrond treedt, en ook bij Maerlant
te vinden is. Bij dezen is Alexander de eerzuchtige, die in het
Oosten door Lucifer, in het Westen door God ten val wordt ge-
bracht door zijn onverzadelijke eer- en heerschzucht, en door zijn ge-
mis aan christelijken ootmoed. — Het tweede stuk loopt over Maerlant
als Boetprediker, bl. 183-196. Schr. zet uiteen hoe Maerlant de
wereld bestrafte, en haar op God wees. Betrekking daartoe worden
inz. de Martijns beschouwd, waar Maerlant niemand spaart. Doch als
hij de dienaren der Kerk gispt, ondermijnt hij niet de Kerk, maar
strijdt in haren geest. Iets wat hem verheft boven zijn tijd, is
a z'n mildheid in z'n beoordeeling van de vrouw », en het zelf-
bedwang dat hij van den man eischt ; dat geeft hem cc een sterk
Germaanse karaktertrek ».
J. G. Talen, Iets over de Zwaanridder, bl. 287-294. Deze bij-
drage — geschreven naar aanleiding van J. F. D. Blöte^s laatste
Digitized by VjOOQIC
- i55 —
navorschingen — loopt over de Cleefsche zwaanriddersage. Schr.
betoogt eerst dat ze een tijdlang in Kleef moet gebloeid hebben
als slamsage van het regeerende huis (in de iS© eeuw moet er een
ware !Zwaanridderkultus aan het Hof aldaar bestaan hebben), en wijst
er verder op dat vroeger, in de i3« eeuw, ze in Brabant bloeide
(Wolfram van Eschenbach heeft die Brabantsche sage in zijn
Parifival overgenomen, met zekere afwijkingen). De Brahantsche sage
zelve is ontstaan uit de Fransche (die van Godfried van Bouillon),
en de Kleefsche werd naar de redactie van den Parpval gewijzigd.
F. Buitenrust Hetteipa, Iets over Bredero, bl. 65-92. Bij .
het beoordeelen van Bredero's cc Liederen », heeft men, volgens
Schr., te weinig op de tijdsorde er van gelet; men heeft, in plaats
van den tijd van vervaardiging zoo mogelijk eerst vast te stellen, de
minder of meer ontwikkelde cc dichter-techniek » als criterium voor
het dateeren van verzen beschouwd ; dat is een » petitio principii ».
Schr. bespreekt een aantal verzen, waar men het jaartal van weet,
om te doen uitkomen dat, in vele van zijne eerste minneliederen,
Bredero reeds heerschappij over de taal bezat, en dat bijgevolg
gezegd cïriterium hier tot geen uitkomst leidt. Verder wordt uitge-
weid over Bredero's karakter ; hij was ernstig en komisch, realistisch
van jongst af. Wij kennen Bredero lang nog niet; alleen iemand
die cc dichter-intuietsie » heeft zou ons cc de dichter » kunnen schet-
sen.
J. A. Worp handelt, bl. 409-413, over de Nederlandsche Don
Juan drama's. Ongeveer in 1620 werd te Madrid een drama ge-
speeld, de El Burlador de Sevilla van Fra Gabriël Tellez (meer
bekend onder zijn deknaam Tirso de Molina); het riep een reeks
navolgingen en bewerkingen in het leven. In de Nederlanden ver-
scheen het eerste Don Juan drama in 1669 : 't was een zeer slecht
geschreven stuk, in 3 bedrijven, van A. Peys. In 1719 valt een
bewerking door G. van Maater (vertaling van Molière' s Don Juan);
toen kwamen die drama's in de mode; Schr. bespreekt de stukken
van P. Seegers (i72o>, F. Rijk (1721) en J. van Rijndorp. Ook in
het Friesch werd de geschiedenis gedramatiseerd, nl. dcx)r Yede
Jurjens in zijn Trotsen Edelman (1709).
J. Koopmans, Da Costa's ledeaal, bl. 545-55 1. Eenmaal
Christen, is Da Costa even orthodox, als hij rechtzinnig als Jcxxi
is geweest. Op de voorstellingen van de profeten en de rabbijnen
bouwt hij de bekende chiliastische verwachtingen; hij wordt een
profeet, en Nederland zal 't nieuwe Sion zijn, vanwaar uit de ware
Digitized by VjOOQIC
- i56 —
Heilsleer zich over half de aarde zal verspreiden ; hij ent « 'n eigen
nasieonale iedee op 't Profeties iedeaal»; maar.... hij heeft te lang
geleefd voor zijn ideaal, en zag het door de feiten niet verwezen-
lijkt worden.
Jacob Ek Jzn., Van Hélène Swarth, bl. 433-456. De « schrij-
vers-artiesten » streven naar het zuiver weergeven van de realiteit ;
het lyrisch element wordt overwegend : men wil zoo volmaakt
mogelijk zijn indrukken uiten. In hooge mate geschiedt dit bij
Hélène Swarth. Zij heeft een ongelukkige liefde gehad; uit al hare
gedichten spreekt cc de smart » over dat verlies ; eerst rouw, dan
verteedering, later weemoed. Slechts in hare Aquarellen ontbreekt
dit subjectieve bestanddeel; daar treedt zij op den achtergrond en
zingt van de schoone natuur en van menschengeluk. Doch zij blijft
daar ook de dichteres van den weemoed. Wat haar kenschetst is
dat zij niet — zooals de litteratuur sedert 1880 — heftig optreedt
tegen de « convensie » van de oude litteratuur van vóór 1880,
maar zacht blijft.
J. de Meester, Aug, P. van Groeningen en de Epiek, bl. 3o5-
33o. Na op het subjectieve en individuëele karakter van de poëzie
sedert 1880 gewezen te hebben, toont hij aan dat Aug. P. van
Groeningen — was hij blijven leven — de epicus zou geworden zijn
die in de jongste litteratuur gemist wordt. Hij bespreekt dan de
verschillende werken van den schrijver, inz. Een nest menschen en
Martha De Bruin, die hem ons best doen kennen. Van Groeningen
was echter meer voortreffelijk epicus in details, dan in den bouw
van zijn verhaal. Doch hij heeft niet kunnen geven wat wij moch-
ten verwachten ; hetgeen overblijft van den te jong gestorven schrijver,
is belangrijk, omdat het oorspronkelijk is.
Dr. B[uitenrust Hettema], Inleiding tot dichter studie, bl . 209-
338. Het oude idee is dat er een dichterstijl en een dichtertaal
bestaan, die van de prozaische natuur moeten afwijken; verzen ken-
merken zich ook nog door maat en rijm. Bovendien heeft men
kunstregels bijeengebracht die tot het vervaardigen van gedichten
behulpzaam zijn zullen : men leze ijverig de gebruikte a poëtische
uitdrukkingen », zie anderen de kunst af, enz. Alles navolging,
vooral van de klassieken! Kunst wordt alzoo gekunsteldheid. Het
Romantisme kwam daartegen in verzet, en zocht eenen cc leiband »
in de middeleeuwen; dat was ook nadoen-kunst. Echte dichters
werpen zooveel mogelijk eiken leiband weg; natuur en waarheid,
die aan veel dichter-uiting ontbreekt, moet terugkeeren. Tot het in-
Digitized by VjOOQIC
^ i57 -
zicht van wat eigenlijk het cc dichterlijke » is, moet men komen
door vergelijken, niet door definities. Men moet afkeer leeren krij-
gen van dwaze beeldspraak en cc poëtische frazes », en trachten
waar te zijn, zich zelven geven.
In Nog eens de « Warenar^y, bl. 239-244, bestrijdt F. A. Stoett
nogmaals Leendertz in zijn theorie over het ontstaan van het too-
neelstuk (cfr, Leuv. Bijdr., II, 210), en geeft een andere verklaring
van sommige plaatsen; in een Naschrift daarop, bl. 245-248, houdt,
P. Leendertz zijne meening staande. — Ook W. van der
Heide, bl. 295-296, verklaart anders eenige verzen, waarop, we-
derom in een Naschrift, bl. 295-299, Leendertz antwoordt, en
zijne uitleggingen handhaaft.
A. Brants handelt, bl. 279-285, over de bekende Mnl. sproke
Wisen raet van vrouvren (inhoud van het verhaal, grammatische toe-
lichtingen; Schr. meent dat het gedicht geschreven werd naar een
mondeling verhaal van Pieter van lersele, die dus niet de vervaar-
diger zou wezen), enW. van der Heide geeft tekstverklaringen
bij Starings Ivo, bl. 113-134.
Dr W. F. Gombault, Holland = Hol-land f bl. 197-199. Prof.
R. Fruin is in i885 tegen de toen algemeen aangenomen etymologie
Holland^=Holtland opgekomen, en heeft Holland ^= Hol-land voor-
gesteld. Schr. onderzoekt Fruin's bewijzen, en t(X)nt aan : 10) dat
de vorm Holt-land reeds vóór 1200 bestaan heeft, en niet door
scribenten in de 140 en i5e eeuw uitgedacht werd; 2°) dat het weg-
vallen der dentaal vóór de / in het Mnl. een gewoon verschijnsel
is; Holtlandy Holland is dus niet vreemd, en ten onrechte beweert
Fruin dat we Holtland > Houtland zouden moeten hebben ; 3o) dat
juist de rijkdom aan hout, en niet de laagte, het holle, het eigen-
aardige van de landstreek was. Daarom blijft Schr. bij Holland =
Holt-land.
B[uitenrust] H[ettema] geeft, bl. 457-458, op grond van
plaatsen uit oudere cc kluchten », eene eenigszins andere verklaring
van Buiten-beentje dan Dr Kluyver in het Ndl. Wdb, i. v. been.
P. H. van Moerkerken verklaart, bl. 458-459, Flatteren in
Bemagie's «Studente-leven» als cc snappen», en, bl. 539-541 Hagen-
develt, dat in verschillende oudere tooneelspelen voorkomt met de
beteekenis cc voortreffelijk », niet, zooals tot nog toe algemeen aan-
genomen wordt, als zijn ontstaan te danken hebbende aan den
hoofdpersoon van een romantisch verhaal, maar wel aan zekeren
Digitized by VjOOQIC
— i58 —
(c Hagendevelt », die te Amsterdam in de 170 eeuw woonde, en bij
het volk als een uitstekend goochelaar bekend stond.
W. L. de Vreese deelt, bl. 201, eene plaats mede uit de
Lamentatie van den Bruggeling Zegher van Male waar Op :(ijn
genevois beteekent : <c op zijn genueesch ». Dat steunt de door
Dr Nauta vroeger gegeven verklaring {c/r, Leuv. Bijdr., I, 96^7).
OUD HOLLAND, 1898 (afl, 1-3),
P. Leendertz, Jr.. Een Middelnederlandsche Cisiojanas, bl.
1 12-120. Schr. begint met er op te wijzen hoeveel moeite onze
middeleeuwsche voorouders hadden om eenigszins nauwkeurig een
datum aan te wijzen. Van de verschillende hulpmiddelen die zij
kenden om dit gemakkelijker te maken, bespreekt hij in het kort
de twee meest gebruikelijke, nl. de Zondagsletter en de Cisiqfanus
(benaming van rijmpjes uitgedacht om de plaats der verschillende
feesten in den kalender gemakkelijk te onthouden), en deelt daarop
een dergelijken <f Cisiojanus » mede, in Mnl. verzen geschreven.
Aan den eigenlijken kalender — die in een hs. der Hertogelijke
bibliotheek te Wolfenbuttel te vinden is — gaan een dertigtal regels
handleiding vooraf, die het stuk belangrijk maken. Schr. meent dat
het gedicht binnen het gebied van een van de bisdommen Kamerijk
of Doornik (meest waarschijnlijk dit laatste) vervaardigd werd.
C. W. Bruinvis geeft, bl. 63-64, Eenige kleine mededeelingen
naar aanleiding van de a Zeeusche Nachtegael 9 (cfr. Leuv. Bijdr,,
II, 96). Het zijn bijzonderheden personen betreffende die aan den
bundel hebben medegewerkt (nl. Anna Roemer Visschers echtgenoot
en hare zonen; Francisca Duarte, enz.).
DIETSCHE WARANDE, 1898.
G . Segers' uitvoerige studie over Vondel en de Turken, bl. 66-78,
127-133, 217-231, 287-302, werd geschreven met het doel cc eenig licht
op eene nieuwe zijde van Vondels karakter [te] werpen »; Schr. vnl
nl. doen uitkomen hoe Vondel niet alleen belang stelde in alles,
wat er om hem gebeurde in zijn vaderland, maar nog zijn geest
bezighield met wat daarbuiten odaging. Herhaaldelijk vestigt hij, in
zijne werken, de aandacht op het gevaar dat het Christelijk Europa
van de zijde der Turken bedreigde; ja, «het Oostersche vraagpunt»
was de cc politieke aangelegenheid [die] hem meest bezighield ».
Digitized by VjOOQIC
— iSg —
Dit staaft Schr. breedvoeriger door de gedichten te ontleden die
Vondel vervaardigde ter gelegenheid van de krijgstochten, tegen de
Turken ondernomen. De eerste maal liet hij zich tegen dit volk uit
in 1639; zijne vrees voor de Turken straalt meest van al door in zijn
Opdracht van « Joannes de Boetgezant» (1662); zijn laatste gedicht
tegen de Turken werd geschreven na den val van Kandia, toen
hij reeds in zijn tachtigste jaar was.
I. Teirlinck, Hulsterloo in Reinaert de Vos, bl. 417-424,
459-469. Dit artikel is, volgens de verklaring van den Sch., een
gedeelte eener studie, die uitsluitend over de plaatsnamen in den
Reinaert handelt. Na vermelding der verschillende plaatsen waar
Hulsterloo voorkomt, en in welke schrijfwijzen, toont hij aan dat
deze naam in de Middeleeuwen niet onbekend was. Hij bespreekt
verschillende oorkonden waar hij in aangetroffen wordt (de oudste
is van ii36), toetst de meeningen van Willems, Jonckbloet, Serrure
e. a., en komt tot het volgende besluit : het Hulsterloo uit den
Reinaert lag op Kieldrecht; het gehucht heet thans Kouter, Dit
meent Schr. te mogen opmaken om de volgende redenen : i) Hul-
sterloo lag in het cc oostende » van Vlaanderen; 2) in het land
van Waas, « int soete lant » van den dichter ; 3) het was een ver
maarde bedevaartplaats in de Middeleeuwen; 4) men vond daar de
Kreke, eene beek, en het gehucht, de Krekelmuite, welke beide
namen hij met het eerste deel van het Kriekeput uit den a Reinaert »
identificeert; 5) in de iS* eeuw vond men de Kieldrecht drie stuk-
ken land, Simon, Woestijne en Wildernesse geheeten, drie namen,
die ook in de teksten van den c< Reihaert » voorkomen; 6) eindelijk,
een oorkonde van 1269 vermeldt een zekeren Wilhelmus Clericus,
die te Hulsterloo woonde.
J. Broeckaert deelt, bl. 359-371, Twee spotdichten op Dender-
monde door Willem Caudron mede. Beide komen voor in een
onuitgegeven hs. der 17e eeuw; de schrijver, W. Caudron, was een
Aalstersche poëet, in zijn tijd nog al beroemd. Het eerste stuk is
een «zonderling mengelmoes van schimpscheuten en scheldnamen»,
het tweede acht hij üiet zonder belang als « eene bijdrage tot de
geschiedenis ».
Oude ^(angwij^en, door H. Roes, bl. 329-332, bevat, na een
korte bespreking van een druk van i632 der « Geestelycke Harmonie »
met het « Geestelyck Lusthoofken », de a beginsel-regels » der melo-
dieën (van geestelijke en wereldlijke liederen) die in die bundels
voorkomen (12 + 47).
Dialect. 12
Digitized by VjOOQIC
— t6o —
DË GIDS, 1898.
In deel III, bl. i2o-i58, komt eene niet onderteekende bijdrage
voor : Tollens. Documenten uit de jaren iSoy-iSSi, «Uit een paar
honderd en meer briefjes en brieven door Tollens aan zijn uitgever
Immerzeel geschreven, zijn hier enkele uittreksels bijeengebracht,
die tot illustratie kunnen dienen van den man en zijn tijd ». Die
briefwisseling is nooit intiem geweest; wat wij daaruit vernemen
brengt ons niet veel verder dan tot de oppervlakte van het leven;
alleen één ding moet ons daarbij troosten : zelfs al had Tollens
zich in zijn brieven wat meer ontboezemd, wij zouden hem toch
niet nader zijn gekomen. De brieven dagteekenen uit de jaren
1807 en vlgg. Toen lag Tollens' opbruisende jeugd al achter zijn
rug; hij was een bezadigd man geworden, bij wien de a zaken »
vóór het verzenmaken gingen. Uit de brieven van Immerzeel ver-
nemen wij niets aangaande zijn overgang van de Moederkerk tot
de Remonstrantsche Gemeente (in 1827). Die brieven worden onder
drie hoofdstukken gebracht : i©) brieven uit den tijd van het Ko-
ninkrijk van Holland, bij de eerste herleving der letteren (1807-
1809). Tollens krijgt al naam door heel het land. — 2°) Brieven
uit de jaren 1818-1821, toen Immerzeel aan de dichters van Neder-
land in zijn cc Muzenalmanak » een vereenigingspunt aanbood.
Tollens, die aan het hoofd van het bestuur stond, veroverde in
dit tijdperk zijn plaats onder de eersten van het Rijk door zijn
Overwintering. — 3o) Brieven uit de jaren 1829-1832, tot Immer*
zeel gericht; bovendien onuitgegeven gedeelten van W. de Clercq's
dagboek (beeld van het leven der toemalige Rotterdamsche poëten)
en nog onbekende brieven van W. Messchert (zij lichten ons in
omtrent de crisis in Tollens' leven, waar zijn « bekeering een uit-
vloeisel van was »). — Die verschillende stukken worden onderling
verbonden door aanteekeningen, die het verband begrijpelijk maken ;
evenzoo worden toespellingen op personen en feiten door een aan-
teekening verklaard.
HET BELFORT, 1898.
W. de Vreese geeft, bl. 23 1 -235, Eene collatie van Jan
Brinckerinck, nl. « Van swighen », die in het Brusselsch hs. als
negende « collatie » voorkomt, maar door W. Moll niet werd op-
Digitized by VjOOQIC
— i6i -
genomen, omdat hij het stuk voor een fragment hield, « van zeer
geringde beteekenis en waarschijnlijk niet van Brinckerinck ». Schr.
doet opmerken dat niets die uitsluiting wettigt (de acht overige
<c collatiën » hebben eveneens een fragmentarisch karakter), en geen
enkel ander bewijs heeft Moll bijgebracht om aannemelijk te maken
dat het stuk niet van Brinckerinck is. Hij deelt het dus mede a om
der vnliedigheid wille, en ook omdat het eenige woorden bevat
waarvoor eene bewijsplaats te meer niet onwelkom kan zijn )).
H. DeMarez, Studies van hedendaagsche Nederlandsche litera-
tuur. Hélène Swarth, bl. 5-i3; 219-230; 386-396 werden naar aan-
leiding van de twee laatste bundels Blanke duiven en Diepe wateren
geschreven. Gansch het temperament van de dichteres is « samenvat-
baar » in deze enkele uitdrukking : smartelijke liefde. De verschillende
dichtbundels van de dichteres worden besproken met het doel
a in groote, breede trekken de personaliteit van Hélène Swarth te
schetsen»; Schr. houdt zich «vooral bij hare psychologische ont-
wikkeling ; het « ik » is bij haar zoo overweldigend en zoo be-
langrijk, dat men onwillekeurig daaraan het leeuwenaandeel geeft ».
« Hare subjectiviteit ergert niet een oogenblik, omdat het gevoel,
dat zij bezingt [nl. de liefde], niet beperkt is in de palen van
haar enkel persoontje ». Zij heeft dat bezongen, cc nu eens als een
eenvoudige mensch, dan eens als een half-god; zong zij haar leven,
z ij zong ook zoo het leven van ons allen ».
A. J. Oostdam, Katholieke letteren. III. N. H, C. Sloot,
bl. Ii5-i24 (enkele biographische bijzonderheden, opsomming van
en beknopt overzicht over hare werken); IV. J. A. Vesters^ bl.
589-599 TNa het noodlottig uiteinde van Vesters geschetst te hebben
[1881], worden de waardeerende bewoordingen door de Katkol. Illu-
stratie t aan zijn nagedachtenis gewijd, aangehaald, waarop een kort
overzicht over zijn voornaamste geschriften volgt)^
E. van Hove, Jan De Laet als letterkundige, bl. 366-376.
Schr. wijdt eenige blz. aan De Laet als dichter, romanschrijver en
journalist, drukt er op dat hij Conscienc's boezemvriend was en
« trouw helper in het oprichten van het grootsche gebouw der
Vlaamsche Beweging », en betreurt dat zulk een man wordt ver-
geten. — Deze studie heeft A. Moroy genoopt in een korte
bijdrage. Jan De Laet als letterkundige, bl. 617-621, « eenige be-
denkingen in het midden te brengen ». Schr. meent dat de heer
Van Hove « overtollig wierook heeft gebrand » voor De Laet; hij
wijst er op dat De Laet zeer goed besefte dat hij noch een groot
Digitized by VjOOQIC
— x6a —
dichter noch een groot romanschrijver was; eenige biographische
bijzonderheden werden verder medegedeeld en eenige vergissingen
verbeterd.
J. Muyldermans, Over spreektaal en schrijftaal, bl. 21 3-2x8.
Schr. betreurt den afstand tusschen gesproken en geschreven taal,
en beweert dat, in Zuid-Nederland, de kloof dagelijks breeder
wordt, «daar onder onze schrijvers eene drukking schijnt te bestaan
zich meer en meer van de volkstaal opzattelijk te verwijderen »
{d, j. zij schrijven niet meer cc zooals men spreekt », maar trachten
.... Nederlandsch te schrijven). Het Zuiden is, in opzicht van taal,
veel conservatiever gebleven dan het Noorden ; geef, « heden nog,
eenen Rosweyde, eenen Poirters, 'nen de Swaen, ene, in handen
van gewone lui », zij verstaan die taal nog zeer goed. Daaruit
besluit Schr. dat wij die taal van de Zuidndl. schrijvers der i7«
en i8e eeuwen niet mogen verwaarloozen ; wij moeten ze in eere
houden, en wat er nog in de dialecten van voorkomt, gebruiken.
Anders handelen, et uitdrukkingen en wendingen verwerpen, die
onder ons volk nog klank en gang behielden, dat ware de taal
wetens en willens verarmen, den afstand tusschen spreek- en schrijf-
taal noodzakelijk verbreeden ». Wij moeten dan maar schrijven
zooals het volk spreekt, m. a. w. dialect schrijven. Op het Noorden
moet niet gelet worden : «zij het hunne, wij het onze ».
ROMANIA, 1897.
G. Hu et, Sur la rédaction néerlandaise de v Maugis d'Aigre^
mont », suivi de fragments inédits, bl. 495-516. De Mnl. vertaling
van den Franschen roman « Maugis d'Aigremont n (bij ons onder
den titel van Maleghijs of Madelghijs bekend) is slechts gedeelte-
lijk tot ons gekomen. De heer Huet doet ons in dit opstel nog tot
dusver onbekende fragmenten kennen, die thans in de « Bibliothèque
Nationale » te Parijs bewaard worden. Naar aanleiding daarvan
onderzoekt hij eerst uitvoerig de verhouding van de Mnl. vertaling
tot het oorspronkelijk (voor de vertaling, dier zeer sterk afwijkt van
de Fr. redactie, werden, gedeeltelijk ten minste, andere gegevens
gebruikt; er werd aan het oorspronkelijk veel gewijzigd, veel bij-
gevoegd en ook veel er van weggelaten ; vandaar het groote verschil),
en deelt dan den nieuwen tekst mede (twee fragmenten, in een Lat. hs.
uit het begin der 16© eeuw voorkomende; ongeveer honderd verzen,
waarvan Schr. de plaats tusschen de andere bestaande fragmenten
bepaalt).
Digitized by VjOOQIC
— i63 —
J. P. Vogel, Het leemen Wagentje. Indisch tooneelspcl uit
Sanskrt en Prakrt in het Nederlandsch vertaald {Academisch Proef-
schrift der Amsterdamsche Universiteit). — Amsterdam, Scheltema
en Holkema, 1897.
Het « Leemen Wagentje » is een Indisch tooneelstuk, vermoede-
lijk door zekeren Dandin, een dichter uit de 5« of 6« eeuw n. Chr.,
geschreven. Het is een van de voornaamste voortbrengselen van de
letterkunde der Hindo's, en, zooals de heer Vogel het in zijne
« Inleiding » zegt; « zoo voortreffelijk door karakterteekening en
levendige handeling, door poëtische schoonheid en hoogheid van
denkbeelden, dat velen [dit stuk] zelfs stellen boven KSlidSsa's
wereldberoemd drama ».
Na een en ander te hebben medegedeeld over den aard, den
tijd van vervaardiging en den auteur van gemeld stuk, bespreekt
de Schr. verder, in zijne « Inleiding », de Europeesche vertalingen
die er van gemaakt werden, en zet ten slotte uiteen hoe hij zijne
taak van vertaler heeft opgevat, Het kwam hem voor dat « noch
een proza-vertaling . als van Böhtlingk en Regnaud, noch een
geheel metrische, als van Fritze, den juisten indruk kan geven
van het origineel, en dus de afwisseling van gebonden en onge-
bonden stijl, zoo kenmerkend voor het Indisch drama, ook in de
vertaling moest blijven bewaard; bij het weergeven der poëtische
gedeelten was [zijn] streven de oorspronkelijke metra, zooveel mo-
gelijk, te behouden ». Voorwaar, geene gemakkelijke taak, daar het
Nederlandsch zich maar moeielijk leent tot het navolgen van de
Indische versvormen. Schr. hoopt dan ook (bl. 184) dat men hem
een paar lichte vergrijpen tegen de spraakkunst niet te zwaar zal
aanrekenen.
Op de vertaling, waarin Schr., zoo getrouw mogelijk, de Sans-
krit- en PrSkritteksten naar vorm en beteekenis tracht weer te
geven (bl. i-i63), volgen de tt noten » (bl. 164-182), die het noodige
bevatten wat door den lezer tot goed begrip van het tooneelspel
kan gevraagd worden, terwijl in de « aanteekeningen », waar het
boek mede eindigt (bl. i83-2i6\ rekenschap gegeven wordt van
alle plaatsen, waar de vertaling van andere, inzonderheid van
die van Böhtlingk afwijkt, -of waar de Schr. eene andere lezing
verkoos boven die van Stenzier, wiens uitgaaf van 1847 hij tot
grondslag gebruikte.
Wanneer men bedenkt dat, waar in de meeste landen van
Europa van alle eenigszins belangrijke voortbrengselen der Indische
Digitized by VjOOQIC
— 164 —
ktterktmde, ééne of meer vertalingen verschenen^ in het Neder-
landsch zelfs de meesterstukken van die oude, rijke en veelzijdige
litteratuur niet bekend werden gemaakt (i), dan zal men zeker den
heer Vogel dank weten het « Leemen Wagentje » vertolkt te heb-
ben, om dit stuk ook ten onzent die belangstelling te doen vinden,
welke het ten volle verdient. C. L.
J. Heinsius. Klank- en Buigingsleer van de taal des Statenbijbels,
P. Noordhoff, Groningen, 1897.
Twee jaar gelegen, op 28» April 1897. verdedigde de heer J. Heinsius
het proefschrift waarvan de titel hierboven staat, ter verkrijging \'an
den graad van Doctor in de Nederlandsche Letterkunde aan de
Universiteit van Amsterdam.
Enkele bladzijden inleiding gaan de behandeling van het eigen-
lijke onderwerp vooraf. Schr. deelt erin beknopt mede hoe de Staten-
overzetting van den Bijbel « in den tijd van bijna negen jaar tot
stand werd gebracht door vier en twintig mannen van beteekenis
in hunne dagen », wie die mannen waren en hoe ze te werk gingen,
hoe ze, door hun afkomst, de verschillende gewesten van de Neder-
landen vertegenwoordigden, en hoe, nemen wij dat alles in aan-
merking, wij tot het besluit komen « dat het niet mogelijk is a priori
te zeggen, welk dialect men in den Bijbel of eenig deel daarvan
zal aantreffen ».
In zijn proefschrift heeft Schr. alleen den tekst der Canonieke
geschriften behandeld, en voor zijn onderzoek daarbij gebruik ge-
maakt van den druk van 1657, « de beste editie des Statenbijbels »,
« de eerste van drukfouten gezuiverde uitgave ». De invloed door
den Statenbijbel uitgeoefend op het latere Nederlandsch gaat ten
andere vooral uit van deze uitgave, « die sedert altijd is.nagedrukt ».
In zijn Klank- en Buigingsleer nu, vergelijkt Dr H. de taal van
den Statenbijbel vooral (c met de schrijftaal van omstreeks 1600 » :
de taal van Marnix* Byencorf, van een paar geschriften van Coorn-
hert, en van Hugo De Groot' s Bewys van den waren Godsdienst,
(i) Met uitzondering van enkele werken (de (^akuntala-veriaXing
van Prof. H. Kern, 1862; die van het stuk Malavikagnimitra
door Dr J. Van der Vliet, 1882, alsmede die van het Pancatantra
door G. H. Van der Waals, 1895-1897) en eenige brokstukken
(o. a. door P. A. S. van Limburg Brouwer in den Gids) is alles
nog in het Nederlandsch onvertaald gebleven.
Digitized by VjOOQIC
— i65 —
«Dat er zulk een taal bestaan heeft, (de Schr. duidt ze aan mèi
c< O. N. S., d. i. Oude Nederlandsche Schrijftaal), zal wel niet
« ontkend worden. Dit neemt niet weg dat zij enkele eigenaardig-
« heden vertoont van het dialect des schrijvers, die zich van haar
« bedient; ""vij mogen dit a priori onderstellen en 't blijkt dan ook
« het geval te zijn. Soms hebben die idiotismen wortel geschoten
« in den bodem der schrijftaal, en vinden wij een woord in twee
« vormen naast elkaar; ik zal dan trachten na te gaan, tot welk
«dialect de vorm behoort, w^elke door de Bijbelvertalers wordt
« gebruikt en door hen dus als de echte algemeen-nederlandsche
« wordt beschouwd. Waar ik de idiotica of andere werken niet
« vermeld, waarop ik mijn uitspraak grond, heb ik de aanwijzing
« der dialecten in den regel te danken aan Prof. Te Winkel. »
Zooals te verwachten was, na de mededeelingen over de wijze
van ontstaan der Vertaling, blijkt deze een mengelmoes te zijn
uit de verschillende dialecten van de bewerkers, met, bijwijlen,
twee verschillende dialectvormen van hetzelfde woord naast elkander
(vremt, vreemt; effen, even, enz.), en meer dergelijke zaken. In de
behandeling der e vóór gedekte r staat de Stb. vrijwel op 't stand-
punt van het Vlaamsch-Brabantsch. « Afgezien van aerde, komen
bijna geen woorden met a voor; en in de O. N. S. zijn de
a-vormen, weder met uitzondering van aerde, bijna uitsluitend tot
de Noordnederlandsche schrijvers beperkt j> (bl. 19). — Met betrek-
king tot "tig in den auslaut acht Schr. als waarschijnlijkst. « dat de
oudere uitspraak van gutturale ll-|-k en de jongere van gutturale D
naast elkaar stonden n in de O. N. S. welke hij aanneemt in 1600
als xoiv-i^ bestaan te hebben. In den Stb. wordt auslautende ng
vrij algemeen door nek weergegeven, in de eerste uitgave; meest
door ngh daarentegen, in de uitgave van lóSy (bl, 41). — Stb.
heeft den Noordnederlandschen vorm gunste, niet den Vlaamschen :
jonste ibl. 48). Enz.
Wat de Buigingsleer betreft, « de hoofdvormen der sterke ver-
voeging komen én in de O. N. S. én in den Stb. over 't algemeen
natuurlijk overeen met die welke in het Mnl. en nog thans worden
aangetroffen » (bl. 56). — Vormen « als leget, seget, teelt, in de
160 eeuw nog niet ongebruikelijk » komen niet voor in de O. N. S.
noch in den Stb. (met uitzondering van heeft). Enz.
Deze enkele grepen, links en rechts, uit Klank- en Buigingsleer,
benevens de aangehaalde plaatsen uit de Inleiding, mogen volstaan
tot inlichting van doel en methode. De Klankleer beslaat bl. 10 tot 55.
Digitized by VjOOQIC
- i66 —
De Buigingsleer, bl. 56 tot i65 ('t Verbum, bl. 56-84; verbuiging
der substantiva. bl. 84-117; der adjectiva, bl. 117-132; der prono-
mina, bl. i32-i57; des artikels, bl. 157-159; eindelijk, de telwoorden,
bl. i59-i65).
^ i63 tot 170 verdienen bijzondere vermelding (bl. 102-1x6);
bijwijze van cc Aanhangsel » handelen zij over 't geslaöht eener reeks
substantiva, in 't Mnl., in de i6e eeuw. in Stb., iA de 17e eeuw
en in het tegenwoordig Ndl.
In § 244 spreekt Schr. zijn Slotwoord uit : cc Hiermede is mijne
« taak volbracht. Vooral uit de klankleer bleek ons, zooals wij reeds
« van te voren onderstelden, dat het dialect der Staten- vertaling
• een aantal Vlaamsch-Brabantsche eigenaardigheden vertoont. De
« taal des Statenbijbels is een waardige vertegenwoordigster van
« onze schrijftaal , maar bezit in nog sterker mate dan deze ,
a vormen die aan de tongvallen onzer Zuidelijke broeders zijn
cc ontleend *.
L. S.
BERICHT.
In de volgende afleveringen zal eene beknopte opgave van de
verschenen tijdschriftartikels de ontleding dier artikels vervangen,
ontleding zooals onder andere Noord- en Zuid er geregeld eene
zeer verzorgde de belangstellenden aanbiedt.
Ph. C.
Digitized by VjOOQIC
n
/
Il r, o
f ,f-
LetLYeiiscbe
Bijdt^aget)
OP HET GEBIED VAN DE
GERMAANSCHE PHILOLOGIE .
EN IK -T BIJZONDER VAN DB-
NEDERLANDSCHE DIALECTKUNDE
ONDER HET BESTUUR VAN Ph» CO LI NET, EN MET DE MEDEWERKING VAN
W. BANG, L. GOEMANS, C. LECOUTERE. L. SCHARPÉ,
ENZ.
in<»e JAARGANG. — 2de EN LAATSTE AFLEVERING.
INHOUD.
L. GoEMANS. Antonius Sexagius' Üe Orthogtc^hia Lin-
gvce Belgicce, herdrukt en met inleiding en aanmer-
kingen voorzien (I«te deel). Blz. 167.
C. Lecoutere. Beatrijs. Blz. 247.
Boekaankondiging : L. G. : Te Winkel, De Noord-
nederlandsche Tongvallen. — A. Vermeylen, Leven
en Werken van Jonker Jan Van der Noot. Blz. 273.
1900.
ANTWERPEN, DE nederlandsche boekhandel.
LEIPZIG, Otto harrassowitz.
Gbd&vkt bu J08BPH VAN IN & Cie, TE Lier.
Digitized by VjOOQIC
De Leuvensche Bijdragen verschijnen op onbepaalde tijd-
stippen; i5 tot 20 vel druks vormen eenen jaargang.
De inschrijvingsprijs per jaargang is 10 fr. (6,60 gulden,
9 mark).
Brieven, boeken ter bespreking (2 exemplaren) of ter ver-
melding (i exemplaar), tijdschriften in ruiling, en alle andere
stukken voor de Leuvensche Bijdragen in te zenden bij den
heer L. Goemans, Justus-Lipsiusstraat, 68, te Leuven.
Digitized by VjOOQIC
ANTONIUS SEXAGIUS'
De Orthographia Linguae Belgicae
HERDRUKT EN MET INLEIDING EN AANMERKINGEN VOORZIEN.
In den loop der XVI« eeuw, vooral ten gevolge van de
verspreiding der drukkunst, ziet men, zoowel bij de Duit-
schers, Engelschen en Nederlanders als bij de Italianen,
Spanjaarden en Franschen eene neiging ontstaan of weder
opkomen om de schrijftaal eenvoudiger te maken en met
de gesproken taal in nauwer verband te brengen.
In de Nederlanden was, gedurende de tweede helft
der XVI® eeuw, de spelkwestie aan de orde van den dag.
Geleerden en schrijvers hielden er zich druk mee bezig,
en in tijd van ongeveer dertig jaar, kwamen er ten minste
vijf pogingen tot stand om de spelling te verbeteren. De
drie eerste werden in *t werk gesteld door Zuid-Neder-
landers : den Gentenaar Joos Lambrecht (i), den Brugge-
(i) Néderlaiidsche /ƒ Spellynghe / uutghesteld by vrdghe / ende
andwoorde / duer Joas Lambrecht jj Lettersteker, Tot onderwijs der jj
Jonghers voor haar earste beghin, jj Gheprent te Ghend in Haar //
M, D, L., uitgegeven door de Maatschappij der Vlaamsche Biblio-
philen, 4e reeks, n' 3 (Heliotypisch facsimile van het eenig bekende
exemplaar berustende in de Bibliotheek der Gentsche Hoogeschool).
Gent, C. Annoot-Braeckman, 1882.
Dialect. 13
^^•«^
Digitized by VjOOQIC
— i68 —
ling Adriaen Vander Gucht (i), en den Brabander Antoon
(i) « Desgelycx» schrijft de Heuiter «heeft noh korter {dan van
t'Sestich) deze zake gehandelt Adriaen Vander Gucht, schoolmeester
tot Brugge / zoukende plat Bnix die zinen te leren schriven / dwelc
mede mijn voornemen contrarij / zult u ijnsgelijx niet verwonderen
van onse verscheidenheit. Ie wilde wel dat hem geliefde int liht
laten te komen zijn grote Orthographie / daer hij af vermaent in
zijn Korte abusive Orthographie (zo hij den Titel geeft) zo zoude-
men hem beter in veel zaken verstaen / dat nu mits kortheit een
weinih te doincker beschreven staat. » {Nederduitse Orthographie^
bl. 3o.)
Het schijnt wel dat het boekje waarvan de Heuiter gewaagt
spoorloos verdwenen is. Vander Gucht schreef nog menige andere
werken, waaronder het volgende ons bewaard gebleven is :
Cijfer-bouck, inhoudende vele nieuwe Ifraye endc gherieuighe Prac-
tijeken van Arithmetica... vergadert ende ghemaect bij Adriaen vander
Gucht in- gheboren Poorter der Stede van Brugghe / ende schoolmeester
aldaer in de Rudder straete / daer men de :(elue vijnd te coopen.
Gheprent te Brugghe inde Peerde straete bij mij Pieter de Clerck /
Ghe^woren Drucker der Co. Ma. wonende inde Synagoghe — Int
jaer ons Heeren / iS6g, •
In het Previlegie dat het Cijfer-bouck voorafgaat is er ook sprake
van een boek over de Vlaamsche spelling :
« De Coninglicke Maieste3rt heeft ghegont ende gheconsenteert
Adriaen Van der Gucht te mogen doen prenten by eenen ghezworen
prentcr diet hem believen zal dese 6 naervolghende boucxkens
Het vierde : De Vlaemsche Orthographie, by de welcke men alle
Nederladsche talen op haerlieder natuerlicken wt-gagh ofte pronun-
ciatie magh leere spellen, schryve, pronunciére en stellen, alsoock
daer va dweersche brieve ordonneren Ghegheven tot Brusel
den elfsten dach February. Anno i567 onder des Co. Maiesteyts
zeghele van rooden wasse. Ende ondertcekent, De Langhe. »
Is De Vlaemsche Orthographie hetzelfde werkje aU de Korte abusive
Orthographie door de Heuiter aangehaald en heeft de schrijver, bij
het uitgeven, alleen den aangekondigden titel veranderd } Ofwel, zou
de Vlaemsche Orthographie niet de Grote Orthographie zijn van welke
de schrijver, volgens de Heuiter, in zijn eerste boekje melding maakt,
en is die ooit onder de pers gebracht geworden?
Digitizedby Google
— 169 —
VAN t*Sestich (i); de twee andere door Pontüs de Heuiter
of DE HuYTER (2) CH de Amsterdamsche Kamer In Liefde
bloeyende (3), welke in hunne hervorming meer eene alge-
meene taal bedoelden (4).
(i) De Jl Orthographia // Linguae Belgicae jj sive // De recta die-
tionum Jj Teutonicum scnptura, secundum // Belgaimm, praesertim
BrabantO' jj rum, pronuntiandi usita- jj tam rationem, // Lovanii jj
Excudebat Joannes Masius Typogr. // Jurat, Anno iSyó. /
(2) Nederduitse // Orthographie^ jj Dat is : // Maniere houmen op-
rekt Nederduits spellen ende jj schriven :j[al / niet alleen nut ende
nootelic die op- jj rekt begeren te schriven j maer al die i(ulx de H
ioincheit :j[ouken te leren, jj By een vergaert door Pontus de Heuiter
van II Del/tl Canonic van Gorinchem, // 7" Antwerpen, // By Christoffel
Plantijn. II M. D. DXXXI.
(3) Twe-spraack // vande /ƒ Nederduitsche Ij Letterkunst jj ofte //
Vant spellen ende eyghenscap // des Nederduitschen taals; II uyighe-
gheven by de Kamer jl in Liefd Bloeyende, // f Amstelredam // Tot
Leyden, // By Christoffel Plantyn, // M. D, LXXXIV.
(4) « 't Nederlants » zegt de Heuiter, op bl. g3 en volg., « een
gemeingelde Tale makende/ volg' ie die nature van alle lants spraken
die 't zuverste hunder talen/ niet juist in dit of dat lant stellen
(hou wel deen Lant en Stat beter spreect dan dander) maer inder
verstandihsten en meest der geleerden gewente/ ende ooc ufenijnge
des Edeldoms/ die in alle talen altoos zeer gezoht heeft die haer
te zuveren/ ende uit des gemeens slijm te helpen. Mede heb ie
exempel ande Grieken genomen, die vier lants goude talen in ufening
hebbende/ te weten : lonicaj Atticaj Doricaj Aeolical die vijfste noh
daer uit gesmeet hebben/ die zij nommen Gemeen tale : aldus heb
ie mijn Nederlants over vijf en twintig jaren gesmeet uit Brabants/
Flaems/ Hollants/ Gelders en Cleefs/ dwele diet gelieft mag mij
helpen beteren en riker maken : diet niet gelieft bij tzijnbliven/
want mijns veranderijnx oorzake is geweest/ merckende t' Flaems
allene te zeer gevalst wezen/ door d'oude hanterijnge en bestier
der Fransoizen/ t' gemeensehap van t* lelie Zeus en ontellicke
vermeerderijnge der letteren en sijllaben/ int begin/ middel en
einde der woorden : 't Gelders/ Cleefs/ en Gulix door handelijnge
Hoohduitsen/ die deze gelanden na te blazen frai du i net. t* Bra-
bants door t' gestadih gewoon der Duitse en Bourgonse Princen,
Digitized by VjOOQIC
— I70 —
In zijne inleiding deelt ons Joos Lambrecht op ken-
schetsende wijze mede hoe men destijds over de heer-
schende wanspelUng dacht :
« Om dies wille/ dat ie binnen acht of tien idren
haarwaard/ by verzoukijnghe ghewaarworden ben/ tmes-
bruuc/ d'onuougheligheit/ d'ouerhoapmijnghelijnghe/ ende
tonachtzaam verschil/ twelc alle schoolmeasters/ schriuers
ende boucprenters ghebrüken/ in haar spellen van veel-
derley Nederlandsche/ als Vlaamsche/ Brdbantsche/ Hol-
la/idsche/ Gheldersche/ Cleefsche/ Vriessche/ Gullicsche/
ende Zeausche taalsilleben/ of uutganghen van spreken/
waar duer menighmaal de zin qwalic/ ende tot verkearden
verstande ghetrocken werd/ tzelue dicmaal met diuserschen
claerken ende ghelearde persoanen onderurdghende/ argu-
wérende/ ende daar van disputerende : om ten ndsten datt
mógheligh wezen moghte/ daar in te voorzien/ ende be-
heeft mede een vreemde heuike omgehaingen/ en zonder dat ist niet
te prizen/ mits t' lelie gegaap der diphthongen/ bina in alle woor-
den plaets eissende/ en t' lainc gelei der vocalen daer zij gout
buitens lants door te kennen zijn/ gelijc die Hollanders door tge-
blaet en eigen woorden af bijtsel en half eetsel/ dwelc niemant nemen
zal of ie met einge lants tale genuihte name te schimpen
Anders 't Flaems (maer zuver plat Flaems) heeft in veel woorden
zijn eigenheit/ en zahte uitspraec/ mits t' klein en zaht gebruic der
diphthongen by Brabant en Hollant te geliken. t' Brabants is in
duitspreken vol van geluit/ en kraktig bizonder die de diphthongen
wat matigen. ThoUants lerende kort spreken en ongestaart en ge-
breect geen minnelicheit »
In de Twe-spraack wenscht men ook de spelling eener « algemene
Duytsche taal » tot stand te brengen :
« Nopende onze spelling/ die is met de ghewoonlyke niet heel
ghelyckstemmigh/ nochtans de zelve naarder ghelyckende als eenighe
andere des spellings niewe herstellinghen. Doch de wyl een ghoede
eenpaartighe spelling/ als een grondvest is van een welgheboude
spraack/ ende dat in onze ghewoonlyke wyze misbruyck van elck
daar iet oplettende ghevonden word/ hebben wy raadpleghende met
verscheyden luyden hem dies verstaande/ zo in zonderlinghe steden
Digitized by VjOOQIC
— 171 -
terijngh te vinden : ende ghemaerckt dat tot noch toe/
niemand treffelic daar in ghewrocht hebbende/ iet an den
dagh ghebraght en heeft : Zo ben ie van den zinne ghe-
worden.... dit bouxkin van der Spellijnghe an den dagh
te brijnghe/i : op dat van nu voord an/ tzelfde in alle
scholen van Néderlandscher sproke/ den jonghers zoude
móghen voorghehauden ende onderwezen werden » (i).
Lambrecht was een voorstander van de phonetische
spelling. Hij zet niet alleen de orthographie van zijnen
tongval uiteen, maar zoekt ook de klanken van de voor-
naamste andere Nederlandsche dialecten zoo nauwkeurig
mogelijk weer te geven (2). Daarom kon zijn boekje
,m
van Holland/ als in Braband ende Vlaanderen/ oock op heel oude
ende verscheyden niewelyck veranderde spellinghen scherpelick let-
tende/ :{ulck€n voet ghenomen die de ghemeen spellingh f o na komt
als doenlyck, ende nochtans in {ich selven eenpaartigh en gelyck/ormigh
is; zo elck int overlezen van deze twespraack zien magh. » (A 4.)
Doch die algemeene taal is niet zooals bij de Heuiter, eene ver-
standhouding tusschen al de voornaamste dialecten. Dit denkbeeld
wordt er zelfs bespottelijk gemaakt : « G(edeon). Wiens wyze van
spreken zoud' ick u Neefken dan leren ? R(oenier) de beste. G. hier zal
't gheschil zich wydlustigh delen ; de Brabander zal zegghen de vrin-
delyckste taal te hebben/ de Hollander de zuyverste/ de Vlaming
zal oock de zyne willen voorstaan/ de Stichtse en Gelderse des-
ghelyken omdat zij het Hooghduyts wat naarder komen, de Vries
zal zyn spraacx oudheid by brenghen. R. Ofmenze al te hoop by
een riep om t' gheschil te eflfenen. G. Dat doet/ lust u te horen/
hanen krayen/ hennen kaekelen/ katten maewen/ ende al dezen
hoop/ ghelyckelyck een duivels muzyck voort brengen. » (BI. 63.)
(i) Op. cit. A ij.
(2) B. V. : « ei of ey, werd ghenomen, in de naaruolghende ende
dierghelike silleben ende woorden, als :{eik, op zijn Brdbants, van
:(eikin, voor ^eaken {de uitspraak en spelling van Lambrecht' s dialect) —
eu zalmen nemen in de naaruolghende ende dierghelike silleben ende
woorden, als Heu, meutmaker,... op zijn Brébants. — laei of iaey
werdt alleane van den Hollanders en Zealanders ghebruukt... » enz.
(D I, vo, D II.) — Zoo komt het dat zijn vocalisme een veertigtal
vocalen, diphthongen en triphthongen telt.
Digitized by VjOOQIC
— 172 —
« in alle scholen van Néderlandscher sprdke » voor *t
eerste leesonderricht dienen en den titel voeren van
Nederlandsche Spellijnghe. « Niet, zegt hij, dat mijn
meanijnghe of verstand zy/ dat de Hollanders/ of Bri-
banters haar eighen manieren van uutsprake, op de Vlaam-
sche wize/ of de Vldmijnghe/i ende Vriezen haar pro-
nunciacië/ op de Brdbantsche/ of HoUandsche uutsprake
veranderen zullen : maar dat elc in tsine zulke termen
of silleben van sprdken/ als hy in zijnder moeder tdlen
ghebruukt/ de zelue déghelic/ ende met zulken letters
alsser toe dienen/ spellen magh. Exempel : zo waar de
Zealander pronunciëerd Jae/ daar en behoard hy in tspellen
van den zeluen woorde den Vldmijngh noch den Brd-
ba«ter niet te volghen/ aldus Ja : of hy moeste oac zoa
spreken (i).
Dat zelfde beginsel van taalparticularisme werd toege-
past op het Brabantsch dialect door Antoniub Sexagius
of VAN t'Sestich. De overeenkomst van beide werkjes de
Nederlandsche spellijnghe en de Orthographia in het toe-
gepaste beginsel en in menige bijzonderheden, als de
schrijfwijze der lange vocalen aa^ enz., der au (NI. ott,
au)^ der ou (NI. oe), enz. zou ons tot het besluit voeren
dat Sexagius zijn voorganger heeft geraadpleegd en diens
wenken te nut heeft gemaakt. Hij verklaart echter uitdruk-
kelijk dat hij niemand in België kent die vóór hem eene
soortgelijke onderneming op touw zette (2). Die derde
proef tot het scheppen eener degelijke orthographie is wel
is waar beperkt tot het phonetisch schrijven van een dialect;
maar dit dialect had het grootste aandeel in de definitieve
(i) Op, cit. Inleiding.
(2) « Neminem tarnen video qui ex professo id (d. i. de verbe-
tering der spellinp;) in Belgico nostro, eoque Teutonico idiomate,
hactenus facere tentarit. (Op. cit. A 5, vo.)
Digitized by VjOOQIC
- 173 -
vorming van het Nederlandsch, zoodat de schrijfwijze die
voor den tongval kon gelden, ook aan de beschaafde
schrijftaal ten goede kon komen, en dat zij voor de latere
hervormers meer belang opleverde dan vander Gucht of
Lambrecht. Onrechtstreeks ten minste zal dan ook Sexagiüs*
werkje wel invloed op onze spelling uitgeoefend hebben.
PoNTUS DE Heuiter heeft het geraadpleegd (i) en wel-
licht heeft de schrijver van de Twe-spraack die in zijn
voorbericht van des spellings nieipe herstellinghen gewaagt,
het ook in de handen gehad (2).
Door dit werkje werd de naam van den schrijver bij
zijne tijdgenooten zeer bekend. Sedert is hij in vergetel-
heid geraakt en de uitgevers van Joos Lambrecht zijn
de eerste, meen ik, die hem opnieuw eene plaats onder
de spellinghervormers hebben ingeruimd, zonder nochtans
in bijzonderheden over hem te treden. Zoo ook D^ Te
Winkel, die hem alleen door Pontus de Heuiter schijnt
te kennen (3).
't Is niet enkel om in die leemte te voorzien, en
Sexagiüs zijn rang onder de Nederlandsche orthogra-
(i) « Meester Anthonis Tzestih advocaet inden hogen raet tot
Mechelen heeft over aht (sic) jaren int Latijn van deze zake zeer kort
geschreven : maer want zijn voorneme alleen is te leren plat Bra-
bants : t' mijn opreht Nederlants/ of elc lant zijn uitsprake/ zult u
niet verwonderen dat wij altemet verscheiden spreken en oordelen/
aangezien van ouden tiden vriheit gebleuen is/ tot den dage van
heden/ onder alle die haer oit gemouit hebben met die Vrikonsten/
verscheide gevoulen te mogen hebben/ zonder tegens vrienschaps
wetten en geboden, enihsins te zondigen/ want den lezer van als
lezende/ mah volgen in dusdanigen twist/ zonder noot van zielver-
verlies/ of te quetsen die gemeen ruste/ dat hem gelieft en best
behaeht. » (Nederduitsche Orthographie, bl. 29 en 3o.)
(2) Zie de nota, bl. 170.
(3) Hij noemt hem Anthonis T:^estich evenals de Heuiter doet.
Cfr. Grundriss der Germ, Phil., 2e uitg., I, bl. 783, 794.
Digitized by VjOOQIC
- 174 -
phisten terug te schenken dat thans in de Leuvensche
Bijdragen de vrij zeldzaam geworden tekst met de noo-
dige inlichtingen over schrijver en inhoud wordt afge-
drukt (i). In de eerste plaats wilden wij daardoor op
't groote belang der phonetische poging van Sexagius
naar behooren de aandacht vestigen. En voor vakmannen
zal het wel niet noodig zijn veel woorden te verspillen
om te doen uitschijnen welk groot belang pogingen als
deze opleveren, bij de nauwkeurige studie van de ont-
wikkeling der dialecten en der taal in *t algemeen.
Wel is waar hebben de waarnemingen van Sexagius
enkel eene betrekkelijke waarde. Daar hij nochtans de
klanken van zijn dialect bijna overal met die van *t Latijn
en *t Fransch vergelijkt, is zijn arbeid voor ons een kost-
bare bijdrage tot de kennis der Brabantsche uitspraak op
't einde der XVI« eeuw.
Wij laten hier den herdruk der Orthographia door eene
korte inleiding over persoon en doel van den schrijver
voorafgaan en door een commentaar over zijn werk volgen.
(i) Volgens de vriendelijke mededeeling van den H. F. Vander
Haeghen, hoofdbibliothecaris aan de Hoogeschool van Gent, bezit
de bibliotheek dier stad drie exemplaren van de Orthographia;
twee, verneem ik uit dezelfde bron, zijn er na den dood van
Serrure uit diens boekerij verkocht geworden respectievelijk voor
20 en 3o frank. De bibliotheken van Brussel en Luik bezitten het
werkje niet; bij die van Leuven berust een zeer wel bewaard
exemplaar, dat ons bereidwillig ter beschikking in gesteld geworden
om dezen herdruk te verzorgen.
Digitized by VjOOQIC
- 175 -
Antoon van t' Sestich (i) of Sexagius — zooals zijn va-
der naar het heerschende gebruik zich reeds liet noemen —
stamde af van Tieleman van t' Sestich (2) die te Leuven
den 6 November 14 19 overleed en de stichter was eener
familie die aan ons land veel mannen van beteekenis heeft
geschonken. Tieleman's zoon Jan, te Leuven geboren, liet
drie dochters na, en een zoon, Ghislenus (3). Deze had
drie zoons"» waaronder Jan van t'Sestich of Sexagius (4),
den vader van onzen schrijver, die zich te Brussel ging
(i) Het meerendeel dezer inlichtingen over de genealogie van de
familie van t' Sestich heb ik te danken aan de welwillendheid van
Mevr. DE Mentock, geboren Barones Snoy, wier overgrootmoeder
Dorothea Francisca Josepha, de laatste der van t' Sestich's (1721-
1793), de achterkleindochter was van Antoon, den schrijver der
. Orthographia. Voor de andere bijzonderheden over deze familie
raadplege men in de eerste plaats Edw. van Even, Messager des
Sciences historiques, Jg. 1877, bl. 166 en volg., en Louvatn Monu-
mental, bl. 3g en 3o5 ; verder A. Wauters, Histoire de Bruxelles,
ï, bl. 492 en UI (Liste biographique) ; Reusens, Analectes pour
servir a l' histoire ecclésiastique de la Belgique^ série II, T. XI ;
Valerius Andreas, Bibl. Belg.; Molanus, Hist. Lov,, édit. De
Ram, I, bl. 482 en II, bl. 769.
(2) Tieleman oefende het ambacht uit van hoefsmid en kwam
door taaie vlijt tot rijkdom. Zijn zoon Jan, te Leuven den 8 Maart
1467 overleden, wist met hetzelfde bedrijf het vaderlijk erfdeel nog
te vergrooten.
(3) Ghislenus werd te Leuven licenciaat in de rechten en over-
leed aldaar den 4 Augustus i5o8. Hij was het die het Sestichen
huys op de Naamsche straat te I-euven liet bouwen, dat later
't College van Utrecht werd, bijgenaamd « van den Hoogen Heuvel »
(Collegium Alticolense) en nu nog, onder den volksnaam van Hoogen
Heuvel, ten deele tot lokaal voor 't Koninklijk Atheneum dient.
(4) Den 9 Februari 1495 te Leuven geboren en te Brussel den
3 Juni i558 gestorven. Hij was licenciaat in de rechten, vermaard
advocaat aan den Soevereinen Raad van Brabant, Geheime Raad
van Karel V en Algemeene Ontvanger der domeinen in 't kwartier
Digitized by VjOOQIC
— 176 —
vestigen en in i53o in het huwelijk trad met Elisabeth
BoisoT van Mechelen.
Antonius Sexagius zag omstreeks i535 te Brussel het
licht. Hij werd te Leuven tot licenciaat in de rechten
en daarna te Orleans tot doctor bevorderd. Later be-
noemd tot advocaat bij den Grooten Raad van Mechelen,
trouwde hij in die stad met Margaretha van Overbeke,
edelvrouwe van Damme, dochter van Willem 'van Over-
BEKE, secretaris en later griffier van den Grooten Raad (i).
Hij stierf te Mechelen den 10 September i585, waar hij,
zooals ook zijne echtgenoote, in de kerk van Sinte Katharina
begraven werd (2).
Breda. In i53o trad hij in het huwelijk met Elisabeth Boisot
(geboren te Mechelen in i5i3 en gestorven te Maastricht den
21 April iSSg, dochter van Desiderius Boisot, Tresorier-Generaal '
van Karel V en van Margaretha van Oosterwij k), en werd de ge-
zegende vader van 18 kinderen. De oudste was Desiderius, te Brus-
sel in i53i geboren en te Leuven den 9 Maart i585 gestorven.
Hij werd advocaat zooals zijn vader en bekleedde onder andere
hooge ambten dat van Voorzitter van den Raad van Brabant (iSyS)
en van Kanselier van Brabant (i58o). Hij was vroeger door Karel V
in den ridderstand verheven geworden.
(i) Uit dien echt sproten 8 kinderen, waaronder :
10 Jan Antonius, geboren in iSyS, doctor in de beide rechten
van de Leuvensche Hoogeschool, tot kanunnik van de S* Pieterskerk
van Leuven benoemd en later tot professor aan de Universiteit,
waar hij tweemaal, in 1617 en 1623, het ambt van rector bekleedde.
Hij werd in 1628 voorzitter van 't Academisch College S* Donatus
en stierf te Leuven den 10 November 1634.
20 Willem, pastoor van de S* Quintinuskerk te Leuven.
30 Ridder Philippus Antonius, die in zijne jeugd als kapitein
diende, het beleg en de inneming van Oostende bijwoonde en tot
zeven maal toe, tusschen de jaren 1624 en i65o, het burgemeester-
schap der stad Mechelen waarnam.
(2) Een Fransch grafschrift waarvan ons de tekst bewaard is
gebleven, herinnerde aldaar beider afsterven, 't Luidde als volgt :
Digitized by VjOOQIC
— 177 —
Onze Sexagius was een ontwikkeld man. Hij was be-
slagen in het Nederlandsch, Fransch en Latijn en blijkt
niet onbekend geweest te zijn met de Duitsche en Ita-
liaansche talen. Buiten de Orthographia kennen wij nog van
hem eene verbeterde uitgaaf van een werk over burgerlijke
rechtspleging door Philips Wielandt, raadsheer bij den
Grooten Raad van Mechelen in *t Nederlandsch opgesteld
en in i558 te Antwerpen verschenen (i). De eerste uit-
gaaf, door Sexagius bezorgd, zag het licht in i573 onder
den titel van Practycke Civile des Edelen Heer e M, Philips
Wielandty Raedt ons gheduchts Heeren Philippus Eerts-
hertoghe van Oostenryck, Hertoghe van Bourgongie, etc.
President in Vlaenderen ende naderhandt hooft van synen
Hoogen Rade neffens hem residerende. Van nieus over-
sien, ghecorrigeert ende ghesuppleert by Ant. van f Sestich,
advocaet voor den voorschreven Raedt tot Mechelen. Ghe-
print T Antjt/erpen by Hans de Laet, in de Cammer-
strate^ in de Rapé, i5y3. Dat boekje beleefde een zeker
getal uitgaven : in i5gS te Antwerpen, in i6o3 te Rotter-
Cy gist ANTOINE DE SESTICH. Escuier, Sr
d'Ophem et Damme, & D.
MARGUERITE D'OVERBEKE.
Mourut Ie X sept. i585.
Elle Ie 25 Feb. i63i.
(Cfr. Provincie, Stad ende district van Mechelen opgeheldert in
haere kercken, enz. alsoock alle op-schriften^ enz. Tot Brussel. By
B. Jore^, 1770.)
(i) Practique, maniere van procederene, gemaect duer Meester
Philips Wielant, heere van Eversbeke, voortyts President in Vlaen-
deren, ende Raetsheere in den grooten Raedt te Mechelen. Gheprint
T Antwerpen by Hans de Laet, in de Cammerstrate, in de Rapé,
MCCCCCLVIII.
(Titel aangehaald door Paquot, Mémoire pour servir a Vhistoire
littéraire des dix-sept Provinces des Pays-Bas, enz. T. XV, bl. 54
en volg.)
Digitized by VjOOQIC
- 178 -
dam, in 1606 te Amsterdam, weer te Rotterdam in 1622
en 1642, eindelijk te Antwerpen in 1646 (i).
Drie jaar na de eerste uitgaaf van de Practycke civile
liet hij zijne Orthographia drukken.
In de Cronycke van Mechelen van Azevedo lezen wij,
onder 't jaartal 1576, het volgende bericht :
« Op den 12 November heeft den Heere Antonius van
7 Sestich Advocaet in den grooten Raedt tot Mechelen,
opgedragen aen den Heere Jacob Suys inwoonder tot
Mechelen, seker boecksken in de Latijnsche taele, rae-
kende de Brabantsche letterkonste geseyt Ortographia ge-
druckt tot Loven by Jan Maes in 't selve jaer, ende
goed-gekeurt door den Heer Jan Van Loe, geseyt Loèus,
Penitentier der Metropoli tane tot Mechelen, ende Licentiaet
in de Godts-Geleertheyt.
In deze opdragt verhaelt den Heere van V Sestich hoe
den Heere Jacob SujrSt gewoon was ten synen huyse (in
de Nonne-straete) te ontfangen vele geleerde persoonen,
die op reyse zynde by geval door Mechelen passeerden,
als hy nog syne goederen besat, ende syne erfgoet niet
vermindert en was, welcke aen hem nu door de droeve
tyden ontbraeken, ten deele door de plunderinge van dese
stadt ontnomen (2), ende ten deele, door de verwoestin-
ge van 't Vader-landt ende afval der tegenpartye, ten
(i) De uitgaven van 1606 en 1646 trof ik op de Bibliotheek der
Hoogcschool te Leuven aan. Voor de andere vgl. Paquot, loc. cit.
en de Bibliographie des Pays-Bas. Die van 1606 is opgedragen aan
Nic. MiCAULT : Clarissimo Viro Dn. Nicolas Micault Domino ab
Indevelt, Phylippi II, Hispaniarum Regis in privato suo consilio
Conciliario gravissimo Antonius a Tsestich 5. — Volgt een in 't Latijn
geschreven bericht.
(2) In 1572 werd Mechelen drie dagen lang door 't leger van
Al va geplunderd. Cfr. J. David, Geschiedenis van Mechelen en
Vaderlandschc Geschiedenis.
Digitized by VjOOQIC
- 179 —
grootsten deele ontrocken (sic) ende onthouden, ende ten
deele verteert, waer door hy gedwongen wirt syne libe-
raelheyt te verminderen... ») (i).
Sexagius die een weetgierig en helder verstand bezat,
stond ongetwijfeld in druk verkeer met geleerden. Een
van die mannen wiens gezelschap hem het dierbaarst schijnt
geweest te zijn was Jonkheer Jakob Süys of Susius (2),
een geboren Hollander, als geleerde hoog aangeschreven (3),
die zich vooral bezig hield met de studie van de Oudheid,
doch ook met poëzie, — in i5oo gaf hij zelfs Latijnsche
gedichten uit waaronder hekel verzen en berijmde psal-
men (4) — en wien, zooals we gezien hebben, Sexagius
zijn boekje opdroeg.
(i) Vervolg der Cronycke van Mechelen ten tyde der RegeHnge
van Philippus II Coninck van Spaignien. Tot Loven. By J. B. Van
der Haerty in den Gulden Helm, IV, bl. 25. 't Eerste deel voert
tot titel : Korte Chronycke van vele gedenckweerdige Geschiedenissen
soa in de principaele steden van het Hertoghdom van Brabant als
in de stadt ende Providcie van Mechelen.
(2) Zijne voorouders waren van Dordrecht, alwaar een Allard
SuYS {i3g3-i473) het burgemeesterschap had waargenomen. Zijn
vader Daniël, was de oom van Cornelius Suys, Heer van Rijswyck
en President van den Hove van Holland en Zeeland in i55g. Hij
zelf had uit zijn huwelijk met Margaretha van Berchem, uit Ant-
werpen, twee zoons : Daniël, Heer van Laer en jonkh. Jakob. Uit
Mechelen, waar hij langen tijd verbleef, trok hij naar Luik, waar
hij in 1592 op 72-jarigen ouderdom stierf. (Cfr. D'Oude Chronycke
ende historiën van Holland (met. West-Vriesland), van Zeeland ende
van Utrecht door W. van Goethoeven. In 's Gravenhage, By Hille-
brant van Wouw, i636.)
(3) D'Oude Chronycke noemt hem « een seer geleert man » en
de schrijvers van 't Itinerarium per nonnullas Galliae Belgiae partes
zeggen van hem : cc Jacobus Susius noster, reconditae Vir eruditionis »
(Cfr. Abrahami Ortelii et Joannis Viriani Itinerarium, enz. Leuven,
Van der Haert, 1757, bl. 2.)
(4) Valerius Andreas, Biblioth. Delg.
Digitized by VjOOQIC
— i8o —
Aan welke omstandigheden dankte de Orthographia
haar ontstaan?
Sedert dat Sexagius vader geworden was, en voor 't
onderwijs zijner jongens te zorgen kreeg, was het hem
onredelijk voorgekomen het taalonderwijs met het Latijn
te laten aanvangen, zooals meestal gebeurde. De kinderen
ondervonden natuurlijk veel moeilijkheden in 't werktui-
gelij k lezen dier taal.
« Telkens als ik over het eerste onderwijs der kinde-
ren nadacht, » zegt hij in zijne inleiding, a is het mij
gebleken, dat de beste weg tot de kennis der beginselen
hierin bestond, de jeugd welke aan de school is toever-
trouwd, in hare reeds van moeders schoot af gekende en
gemeenzame spraak, alvorens in het Latijn — eene gansch
onbekende en vreemde taal — het leesonderricht te ver-
strekken. Het tegenovergestelde heeft gewoonlijk plaats.
Trouwens, dat het meerendeel onzer schoolmeesters,
en ja, al degenen die zich gelasten met de opleiding der
jeugd in het hanteeren der Latijnsche taal, het tegen-
overgestelde doen, daarvan geven ze deze reden : onze
Dietsche taal gaat tot nu toe mank aan zulke gebrekkige
en bedorven spelling, dat, de jonge leerlingen, die de
eerste beginselen der leeskunst bij haar gaan putten, geen
anderen uitslag zullen verkrijgen dan, wanneer zij met
het leesonderricht in het Latijn zullen beginnen, op-
nieuw alles te moeten afleeren en al de vruchten van den
geleverden arbeid te verliezen. Waarom? Omdat de klin-
kers en tweeklanken gewoonlijk op eene heel andere wijze
uitgesproken worden in de volkstaal dan in 't Latijn, men
weet het bij ervaring.... »
Het doel door den schrijver beoogd wordt verder even
duikelijk omschreven :
a Daar moet dan eigenlijk », gaat hij voort, « een weg
gezocht worden, een middel, waardoor onze moedertaal,
Digitized by VjOOQIC
— i8i —
dank zij eene gezuiverde spelling, kan verstaan en uit.
gedrukt worden, zoodat ze nergens in strijd komt met
de uitspraak van *t Latijn, maar er overal volkomen aan
beantwoordt. Ja, ze moet zoozeer zelfs met de goede en
echte uitspraak der Latijnsche taal overeenstemmen, dat
de kinderen, die eerst op gemakkelijker wijze in de moe-
dertaal onderwezen zijn, daarna van zelf en zonder moeite
ook in het Latijn goed en volgens den regel kunnen lezen. »
*t Is dus een paedagogisch beginsel dat Sexagius* werk
overheerscht. De jonge leerlingen moeten, volgens zijne
zeer redelijke methode in de eerste plaats hunne moeder-
taal kunnen lezen en slechts later tot het Latijn overgaan.
Doch de orthographie der moedertaal is niet vastgesteld
en wijkt zoodanig van de Latijnsche af, dat dergelijke
methode voor de leerlingen tot veel verwarring en tijdver-
lies aanleiding kan geven. Ook hoeft men met de rege-
ling van de spelling te beginnen : dezelfde klanken moeten
in beide talen zooveel mogelijk door dezelfde letters uit-
gedrukt worden.
't Lag dan ook op den weg van den schrijver de
klanken (vooral *t vocalisme) van zijn dialect te bepalen
en ze met de Latijnsche in vergelijking te stellen. Daarin
bestaat voor ons, zooals we het reeds zeiden, het grootste
belang zijner onderneming, en *t is dus voornamelijk dat
punt, dat in den commentaar zal besproken worden.
*
* *
Wat de wijze van uitgaaf van den tekst betreft, wij
hebben getracht zooveel mogelijk de physionomie ervan
weer te geven.
De pagineering en *t onderscheid tusschen elzevier, cur-
sief en gothisch blijven behouden. De eenige toegebrachte
Digitized by VjOOQIC
— l82 —
wijzigingen bestaan in het vervangen van ^ in den Latijn-
schen tekst door ae, en in het oplossen in cursief der
verkortingen a, e, o enz., qz en q; {'^que) en '(=«5).
Voor 't gemak der verwijzigingen van den commentaar,
worden in den tekst de regels op den rand genummerd.
L'-.
Digitized by VjOOQIC
DE
ORTHOGRAPHIA
LINGYiE BELGIC^,
SIVE
DE RECTA DICTIONVM
Teutonicarum scriptura, secundum
Belgarum, praesertim Brabanto-
rum, pronuntiandi vsita-
tam rationem.
AVCTORE ANTONIO SEXAGIO.
LOVANII
Excudebat loannes Masius Typogr.
lurat. ANNO 1576.
CVM GRATIA ET PRIVILEGIO.
Digitized by VjOOQIC
1.^',
^.^
Hic liber nihil continet quod ca-
tholicam fidem offendat, vel
Christianis moribus aduersetur :
Quod attestor loannes Loeus
S. Theologiae Licentiatus, nee-
non Ecclesiae Metropolitanae
Mechlinien. Poenitentiarius.
Digitized by VjOOQIC
DN. lACOBO SVSIO,
VIRO INCOMPARABILI,
Antonivs Sexagivs
S. D.
5 "^Ijj^ "T ON solum scire aliquid ar^
I ^^^ iis est V, C. sed ars etiam
I ^^L qucedam quce comprcehende-
I ^H| ris docendi est, vt ait Cice-
1 ^ rOf quae sanè maximam par-
lo tem in eo posita est, vt d Jacilioribus ac magis
notis ad difficiliora paulatim fiat progressio,
minusque vulgo nota : quemadmodum non vno
in loco id summus docendi ac disponendi arti-
f ex Aristoteles disertè trader e atque incul-
i5 care pene voluisse visus est, Vnde mihi sem-
per de prima puerorum institutione rationem
in animo versanti, ea optima via esse atque
ingressio ad primam elementorum doctrinam
apparuit, qua videatur vt iam ,scholce traditi
20 pueri prius legere docerentur vernaculce lin*
guoe iam illis ab vbere sinuque nutricio notum
ac familiare idioma, qudm, quod ferè fit. La-
tinas linguas prorsus ignotum atque alienum.
Coeterüm quod plerique apud nos scholarum
25 magistri, omnesque adeo qui pueros ad Latince
A 2 linguas
Digitized by VjOOQIC
~ i86 -
linguce vsum comparandum erudiendos susce-
pere, contra fadant^ hac se causa tuentur
quöd Vernacuïum nostrum Teutonicumve idio-
ma tanto in viüo scripturce atqxi^ deprauatione
5 positum hactenus iaceat , vt si legendi in eo
principia pueri ponerent, nihil aliud conseque-
rentur^ qudm vti turn, quum ad LaHna le-
genda accederent, multa rursum dedocendi
Jorent, omnique peracti laboris fructu excide-
lo rent, propterea quöd alio longè sono pronuntia-
ri literas atque diphthongos vulgo vernacula
in lingua solere, qudm nunc in Latina fiat,
compertum sit : nee id modo si reputes rectum
Latina proferendi modum ac rationem, ve-
\5 rum etiam in pervulgata hodie quoe obtinet
pronuntiationis deprauatione. Itaque id inde
consequi necesse, vt magna' ex parte, ea quoe
non nisi longo vsu ac studio imbibissent, Ion-
giore il lis tempore postea dediscenda omnia, vt
20 de integro formari os, atque alia illis inseri .
pronuntiandi forma atque addisci possit, non
absque graui & indigna tenellorum vellica-
tione ingeniorum, nee paruo temporis dispen-
dio^ ne dicam prceceptorum molestias maxi-
25 mas, atque ingrata tcedia, Veriim hic ego me
illis opponere, ac fortiter occlamare soleo :
Quce-
Digitized by VjOOQIC
- 187 -
Qucerendam ergo aliquando tandem viam ac
rationem qua idioma nostrum ita possit casti-
gata scriptione comprcehendi atque exprimi,
necubi cum Latina pronuntiatione planè pu*
5 gnet^ sed ad vnguetn vbique respondeat, adeoque
etiam cum recta illa atque genuina quam
dixi consentiat, quö inuenta illa denique, pue-
risque proposita, faciliore primum ratione ver-
naculum idioma edocti, vltro dein ac sine ne-
10 gocio per se ipsi quoque rectè riteque Latinum
legere queant, Neque tarnen tam de prcecepto-
ribus mirari subit, quod nihil eius generis ag-
gressi tentauerint hactenus, posteaquam illis,
vti de illorum querimonijs cognoui, non cum
i5 yno imperitice monstro rem esse sciam, qudm
nullum vel patrem extitisse qui curam hanc
liberis suis impenderit, Equidem ex quo me
susceptis liberis Deus patrem fecit, nihil pa-
terni d me alienum esse existimaui, nee planè
2o piguit inter grauiora studia etiam hunc pro li-
beris subire laborem, vt huic malo remedium,
quod mihi videretur commodissimum adjerri
posscy indagarem, inuentum describerem, illudque
deinde in publicum ederem : non sanè vllius
25 gloriolcp aucupio (quum ex humili hoc scriptio-
nis argumento magis mei detractionem metuam
A j qudm
9, lo negotio
Digitized by VjOOQIC
— i88 —
qudm laudem sperem) sed vt in commune rem
consulendam proponerem, & his velut initijs
doctiores ad eandem hanc exactius tractan-
dam prouocarem, quó recta tandem via com-
5 munis omnium puerorum institutio procédé-
re inciperet, Quod si fiat, tametsi interim etiam
maleuolus seu dicax aliquis existat qui re-
prcehendendi studio ista vellicet magis qudm
ipse meliora depromat, communem scripto-
lo rum fortunam cequo animo ferre statui, stu-
diumqne meum erga rem nostratum tanquam
indice ostendisse contentus ero, eaque fne mea
in publicum consulendi beneficentia contra
omnia inuidice coniecta spicula tuebor.
\5 Tu qui animi mei propositum scopum, stu-
diaque omnia penitius perspecta iam diu habes,
de ijs testificari etiam apud alios fadlimè po-
teris, qui literarum doctrina capti ac prieel-
lentes ad te prouisent, Etenim iam olim ex
20 quo te noui, doctos plerosque & accuratos ho-
mines hac iter fortè facientes ad tuam do-
mum memini crebro diuertere solitos, téque
illos benignè liberaliterqxie accipere, turn quum
integrce tuce opes^ atque intacta manebant pa-
25 trimonia. Quibus nunc quidem, calomitosis-
simi temporis iniuria difficillimè cares par-
tim
17 facttlime
Digitized by VjOOQIC
— iSg —
Hm illis dudum huius in oppidi direptione ac-
cisis, partim patrice vastatione atque iniqua
partium discessione maximam partem ereptis
atque detentis, tibiqne tantisper decoctis; quo
5 tuce jam benignitatis antiquce tanquam inhi-
beri liberaiitatisque claudi cursum non alius
quam tu ipse multö omnium Jerre moiestissi-
mè iibi sum conscius. Sed tamen si te mea il-
lis literati sermonis collationibus exponere &
lo probare studia contingat, magnum turn mihi
per te laboris mei tulisse prcemium videbor,
eoq\xe etiam facilius posse imperitorum,
atque horum semidoctorum nasum,
sannasque contemnere. Vale
i5 Machlinia, pridie Idus
Novembris
A4 DE OR-
6, 7 alius quam tu ipse werd in den tekst zelf met
zwarten inkt verbeterd in alios quam ie ipsum ...
Digitized by VjOOQIC
DE ORTHOGRAPHIA
SEV RECTA DICTIONVM
Teutonicarum scribendi ratione, secun-
dum Belgarum, pr cesertim Braban-
torum pronuntiationem.
EPRAVATAM esse multa-
nim literarum ac diphthon-
gorum apud Latinos pronun-
tiationem, multi passim viri
literati ssspè conquesti sunt :
ex quibus nonnuUi quse singu-
larum literarwm, turn apud Latinos, turn apud
Grsccos, vera ac natiua deberet esse pronun-
tiatio, conati sunt demonstrare. Neqi/e tarnen
i5 eo profecerunt vt eos, qui ad Latinas literas
se conferrent, emendatis vitijs quae turn ex
corruptela vernaculi sermonis, turn aliunde
contraxerant, ad priscam, veram, ac genuinam
Latini sermonis pronuntiationem planè re-
20 ducere potuerint ; tantum abest vt singulas
nationes scripturae vitia, quse ex deprauata
Latina pronuntiatione contraxerant , in suo
quamqi/e idiomate vt corrigerent aliquousque
impulerint : vel etiam vt crassissimos illos er-
25 rores, quos nullo exemplo, atqi/e adeó contra
receptam vel inuectam Latinam pronuntia-
tionem, ipsse sibi adsciuerant non paucos, in
vniuersum sustulerint. Tolerari enim potuis-
set si
Digitized by VjOOQIC
— 191 —
set si quselibet natio in scribendo idiomate
suo, Latinorum tantum errorem secuta fuisset,
& in hoc sibi constitisset, vt vnius literae eun-
dem vbique, saltem quem apud Latinos ha-
5 bet, sonum seruasset : verum eó. res processit,
erroremque error traxit, pr^psertim apud Bel-
gas nostros, & in illis apud Brabantos (quibus
haec potissimum scribimus), vt non solum non
vtantiu- ijs litehs, quibus turn Latinos, turn
10 eorum exemplo alias nationes, interdum
rectè, aliis vti perperam vident, verum con-
tra omnem rationem alias illis substituant, ni-
hil minus quam id quod volunt exprimentes :
turn deinde vni eidemqi/e literi non ad vnum
i5 tantum vel duos, verum ad tres vel quatuor
interdum sonos, eosque diuersos, vtuntur,
prout ex his qu^ in progressu dicentur, singu-
latim apparebit. £x quo & aliud malum ma-
nauit vt iuuenes nostrates, dum se ad Latina-
2o rum literarum lectionem conferunt, eosdem
abusus errataqwe retineant, quse ex proprio &
vernaculo idiomate antea imbiberant. Quod
si fuisset, vt primo pueri rectè in suae & natiuae
linguse prolatione instituti ad Latina legenda
25 discendaqi/e accessissent, vltró profectó atqwe sine
negotio rectam Latin^r pronuntiationem quoqu^
postea compraehendissent. Et licet plerasque
nationes in id incumbere videamus vt cras-
sissima illa errata passim eliminent atqi/e exo-
rent, quod libri apud illas editi & descripti
A s satis
Digitized by VjOOQIC
— 192 —
satis contestentur, neminem tarnen video qui
ex professo id in Belgico nostro, eoque Teu-
tonico idiomate, hactenus facere tentarit.
Res prima facie satis ardua vel inde apparens
5 quod plurimos in eo audias sonos, quos in La-
tinis verbis nullos sentis, ac protinus Latinis
literis notisque scribi posse diffidas. Quod vt
omninö inficias ire nolim, sicuti neque illud in
idiomate nostro plures repcriri diphthongos
lo quam vel in Gallico, Hispanico, vel Italico, ita
spero tarnen me id demonstraturuw, vniuersum
nostrum idioma rectè posse scribi si non ijsdem,
saltim totidem literis quot in vulgari alphabeto
Latino nobis exhibentur, modo mihi conce-
i5 datur in locum earum, quas vt superfluas tol-
lam, vel saltem in alium vsum transducam, alias
supponere : deinde ex vocalibus tot diphthon-
gos conficere, quot necessitas exiget.
DE VOCALIBVS, earumque numero, ac
20 longarum d breuibus discrimine, quceqne
apud nos longa, quce breuia scribenda sint.
Proinde vt a vocalibus initium faciam
planè indubitatum esse constituo vocali nos
vna destitui, qua; medium sonum reddat inter
23 a & e, nempe ea qua^ referat ouium balantium
vocem : & ne magnam, in qua olim assueuimus
scriptura mutationem faciam, existimaui il-
lam commode hac quae sequitur figura nobis
non
Digitized by VjOOQIC
- 193 -
non insueta scribi possë, nempe g, cui si prac-
ponas b, signatus constabit ouium belantium
sonus bg. Ex altera autem parte vocalis Grae-
ca y, qua Latini vtuntur, a nobis vt superflua
5 relinqui poterit, neque enim video vbi in idio-
mate nostro necessaria accidat. Erunt igitur
vocales qu^ nobis in idiomate nostro vsui sint
hae tantummodo, a. ^. e. i. o. u, quarum vis ac
vsus turn in producendo ac corripiendo, turn
10 in conficiendo ex illis diphthongos, vbi de-
monstratus fuerit, paululum erit, quod restabit
operae. Ac in primis non animaduersum fuisse
a vulgo quantum discriminis sit inter vocalem
longam & breuem, quamqi/e diuerso sono distingui
i5 debeat vocalis longa k breui, minimè esse mi-
randum duco, quum nee in lingua Latina id
hactenus vix perpensum, nunquam certè in
vsum, etiam a doctissimis, quos quidem audi-
uerim, adductum sit. Quum tarnen in eo mag-
20 num vertatur momentum, consistatque non
solum nostmm, atque adeó castéra vulgaria
idiomata aptè scribendi, verum & Latina rectè
pronuntiandi ratio. Neqi/e enim existimandum
est Latinos olim sine vllo discrimine pronun-
i5 tiasse vocalem longam & breuem, non solum in pe-
nultimis, verum etiam in primis & vltimis sylla-
bis, sicuti hodie consueuimus, sed vocales longas
ut minimum in duplum longiore mora enuntiasse
quèm breues. Quod ipsum vt clarius meliusqMC
3o percipias, deque illo iudicare queas facilius, fac
scribas
Digitized by VjOOQIC
- 194 —
scribas vnius longae vocalis loco duas vel tres
omninó vocales, tumque dictionem ita pro-
feras vt singulis vocalibus suum tempus tri-
buas, iudicabis continuo quis longarum vo-
5 calium debeat esse sonus, quamque is sit diuer-
sus k brevium sono. Exempli gratia : Notum
est quo apud nos modo bal pronuntiari so-
leat in Hannibal, & Hasdrubal, idque rectè,
' quód scilicet breue sit : Verum in sal, non aequè
lo rectè, quod longum sit : ac proinde vt sonum
illius discas, scribe per geminum vel trigemi-
num a, hoc modo saai, vel saaal : quod si ef-
ferre coneris vt cuique vocali suum tempus
tribuas, audis verum sonum productae voca-
i5 lis, non dissimilem ab eo quem in Gallico,
quum male, dicere volunt, mal, vel etiam in
nostro idiomate, quum manticam dicere vo-
lumus, maaL Perinde quis, bis, mis, tis, rectè
quoque pronuntiare solemus, vtpote correpte :
ao at vis, is, glis, lis, productas voces, non item.
Proinde si scribas duplici vel triplici i, viiis,
iiis, gliiis, liiis, ad eamque scripturam pronun-
tiationem conformes, vno tamen tractu, ve-
rum efferes sonum, audiesque in viis, quod au-
25 dis in Gallico, vi^ d vi^, quod eregione signi-
ficat : in liis, quod in Gallico, /i;f , quum lilium
dicunt. & simile quiddam in sexcentis alijs
per te ipse animaduertas. Os quoque quando
habet in genitiuo ossis, rectè i nostris pronun-
3o tiari solet, nempe correpte : at os oris quod
produ-
Digitized by VjOOQIC
productum, pronuntiandum est vt Galli £a-
ciunt quum plura ossa dicere volunt, des Of[ :
Vltimas syllabas in forsan, forsitan, pecten,
crimen, exin, dein, iubar, hepar, pater, mater,
5 murmur, turtur, Pallas, Arcas, miles, teres,
tempus, pecus, rectè item pronuntiare sole-
mus. At in tytan, hymen, delphin, far, lar, par,
crater, ver, cur, fur, foras, musas, Anchises,
Chremes, rus, thus, ius, virtus, productiore
lo sono, ac velut geminata vocali pronuntiand^
sunt : quod si facias in par (vt vnum aut alte-
rum exemplum dedarem) audies eum so-
num quem in Teutonico reddimus, quum
idem exprimere volumus, nempe paar : quod
i5 si idem in iu^ facias, audies eum sonum quem
in Gallico, wf, quum dicunt, mettre iu^, depo-
nere : si denique idem facias in crater & ver,
eos sonos accipies, quos in vltimis syllabis
percipis, quum Gallicè dicis, fricare & deli-
20 rare, grutter & resuer. Qnce pronuntiandi ratio
quum hactenus non fuerit in Latinis dictio-
nibus vsitata, non potuerunt nostri homines
diiudicare quid tantam sonorum k Latino di-
uersitatem in idiomate nostro efficeret, neqt/e
25 porró quibus Latinis illa literis, quas tantum
nouerant, depingenda erat. Quum, si attente
aduertas, comperies maxima ex parte diner*
sitatem illam non aliunde prouenire, quim
ex diuersa longarum vocalium k breuibos
3o pronuntiandi ratione, Secundüm quse plurimae
dictio-
20 Quce,.. — 3o ratione. Secundüm.,,
Digitized by VjOOQIC
— 196 —
dictiones quse hactenus perperam per diph-
thongos alitérve Belgica nostra in lingua scri-
bi soleant, scribendae sunt per vocales longas
* seu duplicatas. ld enim, nempe per geminas esse
5 scribendas potius quèm, ut nunc apud Latinos,
accentu circumfiexo notandas censerem, turn
quod minoris laboris, turn quod minus nostris
hominibus nouum id erit, quippe qui vel simile
in multis dictionibus, siue rectè, siue perperam,
10 factitarunt, vel etiam 4 Germanis superioribus ,
quibus affines sunt, factitatum videruHt, veluti
quum nostri scribunt vccl multum, gcctt dat,
beeft tremit, steelt furatur : item quum Ger-
mani per duplex aa (de hac enim vocali quod
iS ea in serie literarum prima sit primum nunc di-
cere instituo) scribunt baat quod crinem sig-
nificat, baab opes, baal pendulam, baacft vn-
cum^ ftaal caluum, scbaat ouem, raacb vltio-
nem. Ad horum igitur exemplum duplici aa
20 scribendas censeo eas quse sequuntur dictiones
nostrates : maat sed, maat mensura, waat vbi,
merx, verum, maart ancilla, aan ad, baart bar-
ba, aart ingenium seu indoles, baat feretrum,
gaan ire, staan stare, taart placentae genus,
25 vaan vexillum, maal mantica, conuiuium, &
vice, baan planicies, vel callis, baat odium,
debaan factum, mtóbaan delictum, taat consi-
lium, laat sero, gaat vade, btaac draco, baat
commodum, 3aal aula, wtaacft vindicta, maacbt
3o virgo. Neque enim pleraque ex ijs quae dicta
sunt.
Digitized by VjOOQIC
— 197 —
sunt, nempe vaan / daat / laat / baat / maal / raat /
alió crediderim difFerre a van ab, gat fora-
men, lat tigillum, bat plus, vel melius, mal fa-
tuus, rat glis, vel rota, quèm sola prolatione
5 vocalls. Solebant autem nostrates haec om-
nia & similia quae duplici aa superius scripta
sunt, per Latinam diphthongum ae scribere,
quum ea longè aliam pronuntiationem ha-
beat, ad quam ipsam designandam, alias etiam
lo illa ipsa rectè vti consueuerunt, vt in laet sine,
maelt molit, maet metit, macnt mensis : ex qui-
bus sanè, vel ipsis testibus, patet eam diph-
thongum alium habere sonum quam quae su-
perius duplici aa scripta Sunt , sicuti haec co-
i5 piosius suo loco dicentur, tum cum inter
diphthongos de diphthongo ae agemus.
De Vocali g.
Seqvitvr vt de vocali g nouiter a
me ascita, nonnihil dicam, qua quando desti-
20 tuti fuimus hactenus è nostris turpiter erra-
tum fuit, dum non distinguere nossent in-
ter illam & alteram vocalem e. Hoc tamen
rectè ab illis factum, quód eam quae breuis,
per simplex e , quaeque longa erat gemina-
25 to ee perscripserint : tametsi ne id quidem
perpetuó, vt quum se^t pro dicit scribunt,
va^cn pro tergere, claer pro clarus ; quum
ista huius vocalis ^ apud nos sonum habe-
ant. Illud veró mirari subit, non eos statim
animad-
Digitized by VjOOQIC
— ig8 —
animaduertis$e quim longo interuallo inter
se distent, wecb apage, & w^cb via : Item
spel ludus, & 0pfl acicula; belt imago, & b^lt
^ ooncute nolam. Item veel multum, & g^l
5 luteus seu flauus : Item geeft dat, & b^tt ha-
bet, wecften excitare, & w^fte hebdomada : vt
ita sine discrimine ha3C omnia & plurima his
similia nostrates ijsdem literis, nempe e turn
simplici, tum duplici scripserint, quum tamen
lo eorum dispar (vt dixi) sit pronuntiatio. Neqi/e
hic solum abutuntur duplici ee, quum scili-
cet pro duplici f^ scribunt, sed etiam in alijs
multis, vt quum eodem modo scribunt fteeteit
vertere, & fteeteu verrere, meet plus, & meel
iS farina, vt suo loco, quum de vocali e dissere-
mus, dicetur aptius. Et quamquam ex iam me-
moratis liquido constare posset, ijs qui aurium
iudicio aliquo praediti sunt, qu^ dictiones no-
strates scribendae sint per hanc vocalem f
20 tum simplicem tum duplicem, tamen non
grauabor hic syluam quandam vtrarumque
Sttbijcere, conscius pra?sertim quam a nostris
hic A turpiter & crebró erretur, dum in La-
tinis dictionibus pronuntiandis , ex consuetu-
25 dine, hac vocali ^ persaepè abutantur pro vo-
cali e, idque tum maxime cum sequitur eam
r vel S; vti perspiaium magis euadet, dum ea
quae de vocali e dicemus cum his compara-
ueris. Simplici itaque ^ inprimis scribenda
3o censeo pfper piper, tr^ften doli, ft^ften obgan-
nire.
Digitized by VjOOQIC
— 199 —
nire, dt^cft baculus, ftngcbt famulus, v^tct
compes, v^Qcn tergere, mgtfien cras, 6pf l /
epgllen aciculae, gl vlna, ^^It pecunia, v^lt
campus, n^c ceruix, bgl tintinnabulum , wgcb
5 via, wgöcn viae, w^telt mundus, t^gen pluuia,
pgtee torcular, ft^tfiet carcer, mgrt forum,
w^tm calidum, Y^grent superiori anno, tgren
expendere, Y^ert^ten consumere, VCtV^vcti
terrefacere, g^XB gramen, vcxQ^tcn coUige-
lo re, bedaren cupere, fikren verrere, wgrcYi opus,
t^tgctif irritare, bgruen carere, Iguen viuere vel
vita, t^tbcn gradi, v^VBCb recens, tgrscbe pera,
0Cbgrp acutum, vgt pingue, flebgt precatio,
bgt quo pro articulo vtimur, vt quum dici-
i5 mus, bgt I^uen vanben m^ndcbe : t^cbt ius,
t^Cbten iura. In quibus rursum notanda no-
stratium culpa, dum eodem modo scribunt
peper piper, gecften irridere, atque pepel pa-
pilio, & becYien peluis, quum tamen diuer-
20 sum sonum habeant, & priora duo per ^ scri-
benda sint. Duplici autem ^^, vtpote longa,
scribenda sunt qu3e sequuntur, pggr pirum,
b^bel^gr mendicus, fi^^t carrus, Cl^t clarum,
V^^x taurus, procul, l^gt corium, b^gt vrsus,
25 t^gt viscus, mg^rt cessat, bg^tt ardet, vcxQ^^Xt
colligit, beg^^tt cupit, vcxt^^xt consumit,
b^^tt habet, l^gtt viuii, fig^B caseus, 3^^t di-
cit, l??t iacet, W^^C septimana. Non ignoro
nonnulla ex istis paulo diductiore quam alia
3o ore pronuntiari, sed quia nisi k crassioribus
B primum
Dialect. 15
Digitized by VjOOQIC
m^'
: il.-"
primüm erroribus vulgus nostratum reuo-
care constitui, consulto abstineo ab exactiore
horum inter 'se distinctione ; sufficitque si in
praesentiarum commonstrauero quAm longo
interuallo eoram pronuntiatio a vocalis e,
qua scribi solent, pronuntiatione distet.
jij,-'-
t^>'
y.
De Vocaii e.
Pro tertia vocaii posita fuit e, de qua
nunc dicere instituo, ac ostendere quèm
lo inscitè in pronuntiatione illius etiam apud
Latinos erretur, quum saepè pronuntient
per ^, quod nonnihil mitius & exilius per
e, quo scribitur, pronuntiandum erat.
Quod quó manifestius fiat, è re duxi si pri-
i5 mum ostèndero verum huius vocalis vsum,
tum in nostratibus, tum in peregrinis vel
Latinis etiam dictionibus, quo cognito fa-
cilè erit cuique ad imitationem horum &
in alijs quoque rectè formare suam pronun-
20 tiationem. Ac in primis rectè scribunt ac pro-
nuntiant nostrates vecbten pugnare, wccb
apage, becbt manubrium seu capulus, trect
trahe, wect excita, melc lac, tel crudelis,
Btclt pone, belt imago, apel ludus, quellen
25 vexare, geit valet, tellen numerare, tempst
cribrum, water aqua, biiBter inops, ïiert dica,
bauet auena, merrie equa, bamer malleus,
errfen arare, beste optimus, vesten moenia,
wespe vespa, gcspe fibula, nestel ligamen,
wet
I nostratium
Digitized by VjOOQIC
— 20I —
wet lex, wetten acuere, btó lectus, met cum,
besmet poUutus, 6pet veni. Ad quorum imi-
tationem Latinos oporteret pronuntiare e,
quod est in his quae sequuntur vocabulis, quae
S praedictis conformia selegi, tempus, nempe
pater, mater, merces, verbum, bestia, vestio,
vespa, Nestor, omnes, &, debet, habet, &
similia. Infinitum enim esset singula prose-
qui, atque adeö superuacuum, quum ex his
lo paucis facilè sit cuique, qui modo non habeat
Midse aures, de similibus simile iudicium pro-
ferre. Sequuntur porró nonnulla quae rectè
k nostris duplici ee scribi consueuerunt. qui-
/ bus subijciam & aliqua quae non rectè : Ac
i5 in primis quidem rectè scribunt per duplex
ee, veel multum, neet humilis, beecft riuus^
^eeft dat, üeett tremit, BCbeen videbatur, steel
manubrium, ree3 gygas, speelman tibicen,
smeet percutiebat, weecbscbaal libella, neep
20 pungebat, genereert / corrumpeert / boceert / &
similia verba quibus passim ex Latinis deduc-
tis ad istoruw modum vtimur. Quae veró non
rectè k nostris per duplex ee scribi consueue-
runt, in primis sunt ea quae superius ostendi
2S per duplex ^^ scribenda. Extra qua2 sunt &
alia quae perperim per duplex ee, scribi di-
uersitas soni satis indicat, nempe beest pro
bestia, meet plus, beet dominus, fteeten vertere,
weet nodus, beel integrum : quae quomodo
3o scribenda sint suo loco demoHstrabitur, tamen
B 2 hic
18 gigas
Digitized by VjOOQIC
- ioi —
bic obiter admonuisse sufficiat, vt plurium
coUatione, veto vsu duplicis ee penitius cog-
nito, falsus relegetur ac eiculet.
De Vocali i.
5 Proximvm est vt de litera i dicamus,
quae nunc longa est, nunc breuis, ut caeterae
vocales; ac eam quse longa est Galli nullo
signo distinxerunt, vt quum vil vilis dicunt,
liet lectus, cuit coctus, cuir corium, vomir vo-
lo mere, captif captiuus, saisir occupare, seruir
seruire, & habit vestis. Reddidi veró superius
rationem quare mihi videatur consultius, vt
pro longa vocali geminam scribamus; k Gal-
lis interim discamus vocalem hanc quum
i5 longa est nulla extranea vocali addita deno-
tare, sed potius illam geminare, ac proinde
si non placeat vltimam illius dictionis seruir
syllabam quae nobis significat ignem vel qua-
tuor, ita nude pro eo significato ponere, sed
20 distinguere a Latino vir quod breue est : scri-
be sanè per duplex il viil, relicta inepta qua
hactenus vsi sumus scriptura vict : sic pro vl-
tima syllaba illius dictionis fourbir, quae apud
nos cereuisiam denotat, scribe biil, Ad eun-
25 dem modum pro vltima in saisir quae pedi-
cillum significat, scribe 3lir : & pro vltima
in vomir, quae formicam significat, scribe : milt :
& sicut Galli scribunt vil vilis, sic nos wlll
rota, item Mlp profundus, brilt epistola, ÖUt
fur,
Digitized by VjOOQIC
— 2o3 —
fur, wilfl cunae. 3Un videre, niit nihil, Mfr ani-
mal, Ificbt mentitur, ac infinita similia, quse
omnia nostri scribere consueuerunt per diph-
thongum ie, contra omnem tuin rationem,
5 tum aliarum gentium morem. Videre enim
licet apud Gallos rectum huius diphthon-
gi ie vsum in sien, tien, mien, hier, miei, fiel, pre-
mier, dernier, quum suum, tuum, meum, heri,
mei, fel, primum , secundum, dicunt. Rursum
lo patet hinc, & ex ijs quae superius de longa-
rum vocalium prolatione ac scribendi ratio-
ne dicta sunt, quam inscitè nostrates abusi
sint duplici hac vocali ii, ad denotandum diph-
thongum quae auditur apud nos cum meum,
i5 mihi, nos, vos, vel suum Teutonicè dicimus :
qua de re inter diphthongos dicam latius,
quum caeteras vocales absoluero.
De Vocali o,
VocALis O, de qua nunc dicendum ,
20 breuis auditur in 30n sol, mol talpa, & clO0
globus, cui opponitur longa quae auditur in
300n filius, COOI carbo, & in Gallico clo{, quod
clausus significat : quas tres dictiones postre-
mas si cum tribus praecedentibus conferas,
25 facilè iudicabis quomodo & quatenus voca-
lis o longa faciat differre dictionem alteram,
ab altera quae breui o profertur. Auditur
item o longum in üelOOtt / Y^eclooft promis-
sum, Bpoot calcar, voor sulcus, woort verbum,
B 3 moort
Digitized by VjOOQIC
— 204 —
mooct homicidium. Quae omnia & his simi-
lia scribunt nonnulli per diphthongum (B,
& vice versa quae per diphthongum (b scri-
benda erant per duplex oo scribunt : alij pro-
5 miscuè vtraque, & illis longè diuersa, per
diphthongum CB scribunt, promiscue scriben-
. tes 30e sic, boert audi, bOC quomodo, boet me-
retrix, 30cn filius, boet rusticus, & boet tere-
brum ; quum tarnen tres diuersi soni in his
10 audiantur, praesertim vt in plerisque Belgiae
• locis pronuntiantur. Scio • enim Antuerpia-
nos aliter pronuntiare moett & boett quam
Bruxellenses , verum agimus hic tantum quo-
modo suam quisque pronuntiationem ijs qui-
i5 bus oportet literis scribat, ne quum moott
pronuntiet, tnoett scribat, vel contra.
De Vocali u.
Circa vocalem u non minimus error
commissus est a nostratibus, quippe qui ea quae
20 hac vocali eaqwe simplici scribenda erant, scri-
pserunt per duplicem, eamqwc maiorem (vt vo-
cant) w / ut dum BVO^Ct grauis, bwaes fatuus
scribunt : quum tamen ad exemplum Latino-
rum, quum suadeo, persuasus, & consueui di-
25 cunt & scribunt, vel etiam Gallorum, quum
suiure sequi, duict conuenit, induit inductus,
suys sum, nuict nocet» dicunt & scribuwt; potius
scribendum erat 3uaat & buaas per simplex u;
& ad horum exemplum alia illiusmodi com-
plura
Digitized by VjOOQIC
— 205 —
plura, veluti 3uac fragile, sugtt niger, tutót iur-
gium, 3uellcn intumescere : Neqwe enim video
quid hic faciat duplex illud w. Quód si ad de-
notandum hanc coalescentiam vocalis u cum
5 sequenti vocali, superaddere velis signum quali
apud Latinos signatur accentus circumflexus ,
vel aliud si quod commodius reperias, rectè
mihi facturus videberis, pr^psertim ne quis fal-
latur dum putabit separare syllabas, vti etiam
10 alias apud Latinos separantur, nempe in> sua.
suauis, & suis. Vocalis autem haec u de qua
agimus, interdum breuis est, qualis passim au-
ditur in murmur & turtur, quum ea ex more
communi pronuntiantur : alias longa est, qua-
i5 lis auditur in Gallico futur quum futurum,
but scopum, dur durum, pur purum, dicunt,
item quum nos murum dicimus : pro quo, se-
cundum dictam superius rationem, muut scri-
bere nos oportet, Similiter 3ttUt acidum vel
20 acetosum, dtuut asper, buut locatio, buttCt du-
rat, vuurt vehe, bcötuutt tristis vel constrista-
tus, vtuucb mane, vel tempestiue, ^tuun vi-
ride, 3UUt dulce, quae omnia diuersimodè
apud nos scripta réperiuntur, nunc per ae,
25 nunc per en, alias per oe. Quin etiam non-
nuUa quae per u brene pronuntiamus per oe
k quibusdam scripta reperies, vt tnocbc pro
fesso, quum mu dicamus; item 3oecftt quaere,
quum 3UCt dicamus, quewadmodum Öruct pre-
3o me & nootnitt necessitas.
B 4
26 breue
Digitized by VjOOQIC
— 206
D E Vocalium in primis mednsqyie Latinarum dic-
tionum syllabis productione vel correptione,
Ta MET SI ex his quae superius de mo
nosyllabarum ac vltimarum syllabarum apud
5 Latinos pronunciandi ratione breuiter per-
strinximus, rite exacteque perspectis, vniuersa
quas de vocalium etiam in primis vel medijs
latinarum dictionum syllabis dicenda restant,
tractari ac definiri possent, vti quam plurimis
10 non vulgariter doctis, quibus labores istos
meos communicaueram , non hic Mechli-
niae tantum, sed & Lovanij, nee non Antuer-
piae & Bruxellae, paucis commonstraui ; vt mi-
nimè opus putauissem illa pluribus hic de-
i5 monstrare, adeoque iudicauissem nimis id fu-
turum ab instituto meo alienum fuisse : impu-
lerunt me tamen illi vt ea paulo latius hic ex-
plicarum, adserentes futurum e re iuuentutis
si illis qui eam latinè instituunt hsec clarè ob
20 oculos proponantur, vt statim in vsum dedu-
cere queant, & secundum illa discipulos suos
docere. Addebant, ex eo ornatum non medio-
crem accessurum libello isti, quód res haec
omnino noua esset, neque dum animaduersa
25 vel explicata satis. Quare vt illis morem ge-
ram, commodum fore putaui si rem aggre-
diendo, primum ac ante omnia detexero regu-
lam illam quse definit omnem vocalem quae
praecedit duas consonantes (quam grammatici
positio-
Digitized by VjOOQIC
— 207 —
positionem vocant) produci, non ex neces-
sitate, sed ex mero vsu inductam esse : hoc est,
non impossibile èsse. immo factu facillimum ,
huiusmodi vocalem corripere, veruw futurum
5 id contra vsum & consuetudinem Latinonim,
eumque commissurum soloecismum qui vo-
calem ante duas consonantes in Latinis die-
tionibus pronuntiando corriperet. Am-
plius dico, nostris hominibus adeo procliue
lo esse vocalem ante duas consonantes in Lati-
nis dictionibus corripere vt existimem eos nul-
las non corripere, dum ita pertinaciter insistunt
barbararum vocum, nempe idiomatis sui, tri-
tis assuetisque vestigijs, quia apud illos voca-
i5 lis huiusmodi corripiatur saepius quam produ-
catur. Est enim vbi quandoque producitur; ve-
rum ob contractum prius ex ea quae magis
vulgaris erat loquendi ratione vitium, noH fa-
cile potuerunt nostri homines errorem hunc
20 suum cognosc^re aut animaduertere. Vt au-
tem manifestum fiat quam procliue sit voca-
lem ante duas consonantes positam corripe-
re, quamque id frequenter in nostrate idio-
mate contingat, subijciam hic copiosam ea-
25 rum vocum syluam in quibus illud ita sit. Vi-
delicet acbten / baBten / spalften / clacbten /
vasten / dbebacbten / wacbten / baapen / dasten /
scbacbten/pacften /bgtbet6/bf tscben/Blecbten/ scf tp**
ten/ atftcten/ Igcten/tgtcbbe / wgrben / apglte / wgr*»
3o öel / bftbe / bf raten / beften / vesten / mesten / vecbten /
beltben/
Digitized by VjOOQIC
— 208 —
Delföcn / ötrccten / becbtcn / öiften / Dicbten / öc-
wicbt / ae3icbt / öcviöcbt/ wtót/tocbte / coetc /vocbte /
brocbte/ cocbte/toctae/ bot0tcn/vor0tcn/pluctcn/ruc-«
ten / vlttcbten / luaten. Quis hanc syluam lustrans
5 non statim fateatur dictiones alias etiam La-
tinas, in quibus vocalem duae sequuntur con-
sonantes, ad hanim omnes quoque rationem
pronuntiari, petatqt/e extemplo demofistrari qua
alia ratione productè pronuntiari vel possint
10 vel debeant. Istud veró facillimé absqwe longio-
re deductione manifestum fiet ex earum vocum
congerie in quibus vocalis ante duas conso-
nantes posita in nostro idiomate producitur,
quam hic statim subijciam : Indequ^ simul tan-
i5 quam per indicem patebit, quomodo ad illa-
rum exemplum vocales in Latinis itidem dic-
tionibus consimiles producere poterimus.
Sunt autem hae, waacten/aaacten/naacten/dtaat»
ben/paatbcn/aaapten/naatben/aaacbben/claacbben/
20 dcbaacten / baacbben / baaeten / fiaatben / baatben /
bg^rbe / le^tbe / ecbg^tbe / wggcbbe / veesten / «cbee*
pten /öenereerbe/trtumpbeerbe / boceetbe / beweecb-»
be / öteecWen / wUcbbe / tiinbe / bütte / biipte / viixbc /
cootbe /nootbe /vooebben/ bootben/vuucbbe / buutbe /
25 wuulbe / tuttcbe / vuulbe / «cbuurbe / vuutbe* Ad
honim itaque exemplum producendse nobis
sunt Latinse omnes dictiones in quibus repe-
ritur vocalis ante duas consonantes. Quod vt
breuius clariusque elucescat, in primis Lati-
3o nas illas potissimum hic apponemus quae su-
perio-
Digitized by VjOOQIC
— 209 —
perioribus vernaculis maxime adfines sunt,
vt ita ex vtrarumque comparatione aut inter
sese collatione, dilucidius id quod volumus
appareat. hae proinde Latino dictiones, actum
5 factum, tractura, nactum, pactum, ad eundem
modum pronuntiandae sunt quo nostrates il-
Ice waacten vigilabat, craactcn fragorem edebat,
naacten nudi, longè diuerso sono quam pro-
nuntietur wacbten expectare, vel (quod illis
lo adfine magis est) ttacfien trahebat illum, vel
pacftten colliga illum in fasciculum velsarcinam,
quo tarnen illa sono pcrperam proferri hacte-
nus a nostris solitum est. Itidem hasta, esto,
castus, ad exemplum dictionis nostratis baa^
i5 Bten festinare, proferenda sunt, aliter sane quam
vaBten ieiunare, vel ^aBten conuiuae, quas dic-
tiones superius in sylua inter correptas nu-
merauimus, Ad consimilem modum noster & pos-
tis pronuHtiari debent, nofi veró correptè vt fit,
20 sicuti codten expensas, & posten qui dispositis
equis vehuntur, pronuntiamus. Rursum vox
corda proferri debet ad exemplum nostratis dic-
tionis coocöen funes, quum soleat pronuntiari
correptè, vt wotbett fieri : quemadmodum etiam per-
25 peram correptè haec pronuntiari solent. barba bar-
dus, quae tamen productè pronuntiari debent, si-
cut apud nos baaröcn barbae. Vox item cerdo
ad exemplum superius in hoc adductae dictionis
boceeröe / pronuntianda est. Sic & findo ad imita-
3o tionem tiinöc decima, & sic de reliquis alijs.
Seqvi-
4 Hce — 12 perperam — 25 solent : barba f ...
Digitized by VjOOQIC
— 210 —
Seqvitvr vt de illis dictionibus in qui-
bus vocalem vna eademque geminata sequi-
tur consonans (quales consultè vt seorsum de
illis tractaremus reliquimus, nee sub praece-
5 dente sylua & congerie vUas compraehendi-
mus) nunc disseramus. Neque enim raró apud
latinos fit vt vna eademque consonans gemi-
nata reperiatur, certe apud nos frequentissi-
me : Et quidem si quae alia, haec profecto po-
10 tissima mihi visa est fuisse causa, quse nos tam
diu in errore detinuit. Quis enim haec legens
non hinc statim mihi obijciat, in pronuntian-
dis vocalibus quae geminatas huiusmodi post
se habent consonantes, non obseruari ratio-
i5 nem illam producendi quam modo circa vo-
cales, quae duas diuersi generis post se conso-
nantes positas habent, praescripsi : sed & illud,
ne obseruari quidem posse, contendat. Ve-
rum huic ego respowderim existimare me om-
2o nes illas vocales, quibus apud nos geminatas
postponimus consonantes, pronunciari cor-
reptè, vti etiam latinas huiusmodi dictiones,
dum eas ad imitationem nostrarum proferi-
mus; contendoque aliter apud latinos pro-
25 nuntiandas esse, nempe productè, quód omnes
eiusmodi apud eos longae sint, aliter quam
apud nos, vbi non modo omnes breues sunt,
verum insuper in hoc fit geminatio ista con-
sona«tis vt denotetur vocalis praecedens cor-
3o repte pronuntianda esse, idque longè potiori
ac me-
7 Latinos — 24 Latinos,.,
Digitized by VjOOQIC
— ^11 —
ac meliore (vt mihi videtur) ratione, qudm
nunc apud Latinos, vbi contra Grammatici
id in aliquibus fieri dictionibus aiunt vt pro-
ductionem praecedentis vocalis inducat : veluti
5 in repperi & similibus, quód alias correptè
pronuntiandas eas forè existiment. Nee du-
bium mihi fit quin idem in alijs quamplurimis
Latinis dictionibus eadem de causa, nempe
ad denotandam productionem, pridem k Gram-
lo maticis factitatum sit. Constat etenim Lati-
nos veteres nullas solitos fuisse geminare con-
sonantes, neque enim necesse fuit; sicuti nee
apud nos vllam inducere geminationem ne-
cesse quoque fuerat; sed quemadmodum id
i5 quod apud Latinos geminatione illa deno-
tari atque effici voluere, sola est praecedentis
vocalis productio : ita contra apud nos quod
geminatione eadem efficere studuere, sola prae-
cedentis vocalis correptio est. Quod in vni-
20 uersum sic demonstro. Nam aut producenda
aut corripienda est vocalis quae in primis vel
medijs syllabis post se consonantem habét : Si
corripienda sit, non potest id aliter fieri quam
subita adiectione consonantis quae illam se-
25 quitur, ita vt statim vocalis praecedentis so-
num abrumpat, prout superius late ostensum
est, in vltimis syllabis & monosyllabis , cüm
apud nos, tum apud Latinos, hac ratione di-
stingui debcre vocalem breuem ab ea quae
3o longa est. Quam rationem si obserues etiam
in pri
29 debere
Digitized by VjOOQIC
— 212 —
in prima syllaba dictionis casa (vt hanc è mul-
tis exempli loco sumamus) & coneris quam
celerrime vocalis praecedentis sonum, adiecta
statim illi quam post se habet consonante,
5 claudere seu decurtare, non absimilem admo-
dum audies sonum atque si cassa scriptum esset,
peruulgatoque hactenus more pronuntiare-
tur : non quod re vera geminata vUa sit conso-
nans, sed quód fieri nequeat vt consonans vo-
10 calis praecedentis sonum quüm citissime ab-
rumpens, non etiam vires suas adeó in illam
exerat, vt omnino anteriori, certè non minus,
quam subsequenti vocali conglutinata esse vi-
deatur; qua re fit vt eflPerendo geminatse spe-
i5 ciem habeat : eaque causa fuit vt nostrates in
huiusmodi dictionibus consonantes semper
geminarint, quemadmodum etiam olim k
priscis Latinis factitatum legimus. Quod si è
diuerso ca in c^sa productè pronuntiare velis,
20 oportet contraria ratione vocalem priorem
ab ea quae illam sequitur consonante quan-
tum potes remotissimè diducere & seiunge-
re, ne vUo pacto sonum illius abrumpat : quod
ipsum si hic facias in casa, audies similem om-
25 nino sonum atque si scriptum esset caasa, vel
si mauis caaasa, nempe productum, illum quo
hactenus vulgo pronuntiari solitum est, idque
secundum veram producendi vocali^ in mo-
nosyllabis ac vltimis syllabis a nobis nuper
3o descriptam rationem. Neque enim alia pro-
ducen-
Digitized by VjOOQIC
- 2l3 —
ducendarum illarum ratio excogitari potest,
nee contra, alia illas corripiendi, quam ea quae
superius adducta est.
Prjeter haec omnia possunt ista etiam
5 alijs, ex idiomate nostro petitis, rationibus
oonfirmari. Quum enim nihil tam naturale sit
qudm vt qualem in singulari syllabam siue lon-
gam siue breuem nomen habet, talem in plu-
rali retineat, ostendam iam quod monosylla-
lo ba vernacula in simplicem consonantem desi-
nentia (quorum qualis debeat esse pronuwtiatio,
tum breuis turn producta, superius vt dixi, ita
clarè demonstratum est vt nihil amplius hae-
sitandum putem) illius generis quam in sin-
i5 gulari vocalem habent, assumpta post se in
plurali syllaba altera, quo dissyllaba fiunt, re-
tinere, & secundum praescriptam ét nobis ra-
tionem proferri : hoc est, si in singulari mo-
nosyllaba correpta sint, addita postea in fi-
20 ne syllaba, pronuntientur in primis eorum
syllabes vocales ad eum modum quo corre-
ptas pronuntiandas diximus : Si vero Ion-
ga sint in singulari monosyllaba, & post
adiect^ in fine syllaba dissyllaba fiant, pro-
25 ferantur positae tum in primis syllabis voca-
les non secus atque longas pronuntiandas
ostendimus. Quod ipsum non opus est lon-
giore sermone declarare, neque commodius po-
terit explicari quèm vtriusqwe generis adductis
exemplis
Digitized by VjOOQIC
— 214 —
exemplis, ac primum eorum quorum breuis
est vocalls, qualia sunt bac/pac/dcbat/dca€bt/l>ii0t/
vafit/sat/elgcbt / beet / neet / flitt/30t/toc / bol/son/
bul / stuc / bttt quorum pluralia (quae non nisi
5 adiecta formantur in fine syllaba en vel e) quum
itidem breuia esse debeant, pronuntiantur ad
eum modum quo breues vocales pronuntiari
debere diximus, enumeranturque hic secun-
dum eundem quo supra singularia ordinem,
I o bacftcn / pacften / debatten / sebaebten / baeten / vaste /
satte / dl^ebte / beste / nesten / fitten / aotten / toeften /
bollen/3onnen/bulle/6tueften/butten. Contra quae
sequuntur baat/ baan / ftaal/ftff 0/ p^^3/ Pees/ veest /
öilt / pttt / milt / 30on / moort / muur / bruut / quum
i5 vocalem habeant longam, eandemque etiam
in pluralibus, qui similiter formantur addita i
tergo syllaba en vel e, servare debeant, pro-
. nuntiantur eodem modo quo vocales longas
pronunciandas diximus, nempe reiecta con-
20 sonanti quam in fine habent in seque«tis quam
assciscent syllabae caput, vt quiuis, qui nostri
idiomatis non rudis est, cognoscet ex ijs quse
iuxta supra enumeratum singularium ordinem,
sequuntur pluralibus. baten / banen / ftale / fi^3cn /
25 pe3en / pe3en / veesten / öiren / picen / miren / 3onen /
moorben / muren / bruue*
Eodem modo si verba quae in prima prae-
sentis indicatiui modi persona monosyllaba
sunt, ac in consonantem finiunt, vocalem lon-
3o gam vel breuem habeant, eandew in infinitiuo,
quem
2 scbacbt — 24 pluralibus : baten..»
Digitized by VjOOQIC
— 2l5
quem fkciunt addita similiter in fine syllaba
en, retinent. Ac in primis, quum haec quae se-
quuntur primae personae praesentis indicatiui
verba , correpta sint , Ic val / tap / bacïi / öcbat /
5 vaöt / baö / t^xg / bet / bec / lig / bic / wit / win / pluc /
vul / in infinitiuo (quem vt dixi faciunt ad-
dita in cake syllaba en) pronuntiantur ad
eam rationem qua correptas vocales efiferri
diximus : vt ij quibus sequentes eodem or-
lo dine infinitiui noti sunt, iudicare poterunt,
vallen / tappen / bacfien / Bcbatten / vasten / bassen /
tftöen / betren / becften / liflöen / bicften/ witten /win-^
nen / pluchen / vullen* Ediuerso quae sequun-
tur primas personae praesentis temporis indi-
1 5 catiui modi verba, Ic laat / Slaap / vaan / caap /
daap/paat/tff[t/ eet/ meet /meet/öeetf/weeö/ neem/
lees / neer / litö / wiiö / tiit/ boop / scboot / buut / tuut/
quum longa sint, & naturae conueniat vt sem-
per & vbique longa maneant, dum adiecta a
20 tergo syllabéL en (quod similiter in infinitiuis
eorum sit) dissyllaba fiunt, pronuntiantur ad
praescriptum longas vocales habentibus mo-
dum, vt demonstrant qui eadem serie sequun-
tur ab ijs deriuati infinitiui , laten / slapen / V^
25 ten / tapen / ^apen / paten / tgten / eten / meten / gc^
uen / weaen / nemen / le3en / neten / liaen / wigen /
titen / bopen / scboten / buten / tuten ; In quibus
omnibus exemplis, quantum ad veterem no-
stratium scribendi rationem attinet, hoc in-
3o super notandum animaduertendumque est,
C mono-
:r>2
Dialect.
16
Digitized by VjOOQIC
— 2l6 —
monosyllaba quae in simplicem consonan-
tem desinunt, si correpta sint, dum alteram
illam post se in infinitiuis vel pluralibus ad-
sciscunt syllabam, geminare consonantem in
5 quam desinunt, si verö longa sint non gemi-
nare, quó scilicet vel ex hoc manifestum fiat
nullam ad vocalis productionem requiri con-
sonantis geminationem , sed magis pertine-
re illam ad vocalem praecedentem compien-
lo dum, tametsi ne ad hoc quidem necessariam
esse docuerimus.
Q v I B u s ita constitutis probeque per-
ceptis facilè fuerit vnicuique, tanquam strati
iam vill, diiudicare quomado in vniuersum
i5 apud Latinos primae mediaeve dictiorium om-
nium syllabae, qu^libet secundum suam quam
dicitur habere quantitatem , pronuntianda
sit. Si enim corripienda sit, necessum est iuxta
supra praescriptam formam, vt sonus vocalis
20 ex qua constat, celeri sequentis eam literae
(siue illa vocalis siue consonans sit) adiec-
tione, incidatur : Si veró producenda sit vo-
calis aliquai in primis vel medijs syllabis, ne-
cessum est diuersa ratione, quó sonus illius
25 non abnimpatur, vt seorsum pronuntietur ,
vtque i sequenti eam litera quam remotissi-
mè siue diutissimè secernatur atque abiun-
gatur. Exempli gratia : In vide, quum prima
breuis dicatur, curandum in illius pronuntia-
3o tione vt vocali i statim subdatur sequens eam
conso-
Digitized by VjOOQIC
ws^
— 217 —
consonans d, vt vix aliud percipere queas quin
illi adhaerens conglutinataque sit : Ad quam
rationem si dictionem illam efferre coneris,
audies non dissimilem valde sonum ab eo
5 quem audis, dum pronuntiamus bföbcn orare,
vel si pro vide vidde Ecriptum esset. Contra in
vidi quum prima longa sit, curandum est vt
quim maxime possis caueas ne facilè produc-
tionem illius abscindat siue abrumpat sequens
10 eam consonans d, sed totam illius vim quan-
tum possis in sequentem syllabam reijcias, vt
quae nihil in praecedentem offidj habeat ad
incidendum illius sonum; qua ratione vt rectê
hactenus pronuntiari solitum est, ita» perpe-
i5 ram vide ad cundem proferebatur modum.
Hic interim non pr^tereundum duxi, vt
animaduersione dignum, quód quemadmo-.
dum quae post vocalem longam sequitur hic
consonans. non ita in vniuersum ac in totum
20 reijci potest in sequentem syllabam, quin qua-
damtenus afïiciat etiam praecedentem. non secus
Sitque si viid di scriptum esset ita in vide dum ad
abrumpendum sonum praecedentis vocalis,
quód breuis sit, subditur quam celerrimè con-
25 sonans d, quasi priorem syllabam constituas
vid, cui deinde pro altera subijcias e, vid e,
non ita omnis in vniuersum consonantis illius
vis praecedenti illi vocali attribuenda sit, vel
etiam attribui possit, quin integrè vires suas
3o exerat etiam in sequentem, non aliter quam
C 2 si (vt
Digitized by VjOOQIC
^ 2l8 —
si (vt supra dictum est) vidde scriptum esset :
adeó difïicilè, siue potius impossibile est , vt
consonans priori vocali subdita non afficiat
aequè vehementer sequentem vocalem, si mo-
5 do ad rationem vnius dictionis vtraque syl-
laba pronuntietur : Quod ipsum alio etiam
exemplo declarare licet in dictione vacat.
Nam si primam illius syllabam pronunties,
vt c subdatur priori vocali, non poteris se-
10 quentem pronuntiare, quin aequè audiatur ad
illam Consonans c, atque ad priorem : haud
aliter quam si diuersis quasi dictionibus pro-
nunties vac cat, ad eam rationem qua no-
stratum quilibet eas pronuntiaret , nempe
i5 correptè. Vicissim si primam in vacas pro-
ductè pronunties, non poteris id tam disertè
facere, quin c ob productionem praDcedentis
vocalis reiectum in posteriorem syllabam,
exerat tamen vires aliquas etiam in praece-
20 dentem, referatque simile quiddam quod au-
dis si distinctis quasi monosyllabis pronun-
ties vaac caas, ad eam rationem qua supe-
rius quae longa sunt monosyllaba vel finales
syllabas pronuntiare docuimus, Vt tandem
25 iam liqueat abs re esse vllam ad rectam idio-
matum scripturam consonantium gemina-
tionem inducere, modo pro constanti ferue-
tur regula qua diximus ad abrumpendum vo-
calis quae breuis sit sonum (quod verè est il-
3o lam corripere) statim subdendam esse quae
illam
14 nostratium
Digitized by VjOOQIC
— 219 —
illam sequitur consonantem. Quód si quid
praeterea energiae vel mysterij subesse possit
consonantium apud Latinos geminationi, quê.
a pristina illa scribendi ratione discessum est,
5 alterius momenti illud est, nihilque quod his
quae diximus aduersetur habens : sed quia lon-
giore res ista demonstratione egeret, minimè
huic loco & libello conueniens est.
Q u iE autem hactenus cowimonstrauimus
10 in dissyllabis dictionibus, superuacaneum fo-
ret monere quomodo ad trium vel plurium
syllabarum dictionum, siue primas siue me-
dias. syllabas, extendendum applicandumve
sit : hsebetioris enim ingenij foret qui pro-
iS nuntiationem syllabae vi quam in vide & vi-
di docuimus, non posset etiam obseruare in
videre & vidissem : item in prouide & pro-
uidi, & obseruationem illam vltra porrigere
od omnis generis dictiones. Itaque cum in
2o dictione, dominus, omnes syllabae breues
sint, si ad rationem supra scriptam profera-
tur, distinctis quodammodo sic syllabis dom
in us : audies non dissimilem ferè sonum
atque si domnus scriptum esset. Ex qua re,
25 quód olim ea pronuntiatio vulgaris erat, fac-
tum fuisse puto vt in Ecclesiae litanijs, quas
vocant, hucusque ita scriptum reperiatur, in
illa quae pro summo Pontifice sit precatione,
quem ibi domnum Apostolicum proferunt.
3o Quod & in mina & lamina, quum mnam &
C j & lam-
Digitized by VjOOQIC
— 220 —
lamnam, non nisi ad mediae vocalis correp-
tionem indicandum dicunt, perinde itidem
factitatum est. Dictionis item muiier omnes
syllaba» breues sunt eodemque modo corri-
5 piendae quo in verbo» dominus. Tantum cir-
ca illam similesque monendum, quöd non alio
modo neque minus vocalis breuis sonum ab-
rumpat repentè adiecta vocalis sequens, quam
si consonans foret : vnde fit vt correptè pro-
lo nuntiatum muiier ferè sonet tanquam si in
duas syllabas contrahatur mul ier, inciso sono
vocalis i per vocalem sequentem e : Hac ra-
tione contractum nomen parietes non valde
difFert, atque si in tres tantum syllabas has di-
i5 stinctum esset par ie tes, vt minus mirum sit
Vergilium in carmine heroico dixisse : haerent
parietibus scalse, & passim tam ipsum quam
caeteros poëtas in similibus dictionibus vo-
calem breuem praecedentem cum sequenti pro
20 vna posuisse syllaba, ob vtriusque nimirum
pronuntiationis affinitatem, veluti in deinde,
proinde, aure^, hauriam, fuerunt, audeo, &c.
Ad hunc modum abrumpenda est in Latinis
dictionibus vocalis omnis, qu^ vocalam pr^-
25 cedit dum (vt ferè semper) illa corripienda
venit : Diuersum faciendum cjst in fio, cuius
apud latinos prima syllaba producitur, recteqtt^
a nobis pronuntiari solet, aliter sanè quam
Itali primam syllabam in Jiorentia, vt quae se-
3o cundum rationem breuium pronuntietur.
Restat
27 Latinos
Digitized by VjOOQIC
— 221 —
Rest AT hoc tantum vt quomodo quae
dictionem terminat vocalis, nunc correptè,
nunc produclè pronuntianda sit, edoceamus,
quod propositis exemplis faciemus commo-
5 dius. Itaque vt apud Gallos, quum Cqyme
amo, grande magna, femme foemina, nostre
noster, homme homo, dicunt : quse in fine est
vocalis e breuis sit : Item quum contra dum
fajr aimé amaui, monstré ostendi, vel il ayma
lo ipse amabat, garda custodiebat, mussa abscon-
debat, frappa verberabat. Item quum touy'
audiebam, fleschy flectebam, receu recipie-
bam dicunt, vocales omnes in vltimis harum
dictionum positas producant, facilè erit ad
i5 horum exemplum etiam apud Latinos vo-
cales quae dictiones finiunt, tum corripere,
tum producere. Sic vltimam in musa dum
breuis est, passim vti alias omnes in vocales
terminantes solemus syllabas vltimas, corri-
20 pimus : quód si vltimam in musa producere
velis, quod in ablatiuo necesse est, faciendum
id erit ad exemplum Gallicae, quae supra affi-
nis illi posita est dictionis mussa. Quod & in
reliquis. faciendum, vt ad aliarum supra posi-
25 tarum vocalium Gallicam pronuntiationem
conformentur. Sed ne hic sim longior, tem-
pus ipsum me reuocat, vt vnde digressus sum
ad propositam pracipuè idiomatis nostri or-
thographiam reuertar.
C 4 DE
Digitized by VjOOQIC
— 222 —
D E Diphthongis , ac primum de
diphthongo ae.
Declarata sicut id superius a nobis
factum est, perceptaque iam natiua cuiusque
5 ac genuina vocalis pronuntiatione , in pro-
cliui erit dignoscere atque diiudicare quo-
modo ex illis coalitac conflataeque diphthon-
gi efFerendae sint, tumque praesertim si hanc
in primis regulam teneas : Vtramque aequè
lo vocalem sonum suum retinere debere, in vtiam
syllabam confusum, quemadmodum in au &
eu diphthongis retinere videmus : quod &
nominis quoque ratio indicat : didtur enim
diphthongus quod duos sonos ac voces ha-
iS beat. NeqMc me mouet quod Latini diphthon-
gum ae, de qua iam dicere instituo, item oe,
de qua postea dicturus sum, vt e simplex hac-
tenus pronuntiarint. Id enim perperam eos
& fecisse, & facere, docti omnes testantur.
20 Rectius nostrates hac diphthongo scripseruwt
lact sine, seu mitte, vel etiam onera, maent
mensis, vel interpella seu mone, vaet cape,
seu apprehende, bact prodest, vel etiam na-
tat, baelt descendit, macltiit conuiuium, ract
25 diuina, maclt molit, caetapel ludus palmarius,
3aet seminat, bCötaet collocat, bact odit, mact
metit, cract crocitat, baelt adfert, vctbaelt re-
petit, lac capsula, wact spirat ventus; nact sar-
cit, öCflact perforatum, dacdlaan obseruare.
Non
Digitized by VjOOQIC
— 223 —
Non ignoro tarnen quaedam ex his verbis
etiam aliter scripta inueniri, sed quum idem
sit in omnibus sonus, sequitur & eandem de-
bere esse scripturam. Vlterius infinitiuos istos
5 illorum verborum consequens est, hoc qui se-
quitur modo scribi debere, naeen / maecti /
waeen / saccn / baeeti / laecn / tametsi etiam non-
nuUi haec aliter scribant, idque etiam (si dijs
placet), per y graecum, de cuius vera prolatio-
lo ne apud grammaticos maxima, si qua alia, al-
tercatio est, plerisque existimantibus eundem
apud Gracos habuisse sonum quem nostrum
u, dum id exiliter pronuntiamus , in bonus &
malus. Non est ergo quod ineptiam suam quis-
1 5 quam tueatur velamine literai cuius ipse ve-
rum sonum nescit, idque eó minus quod ille
qui ab antiquo exis^imatur fuisse sonus, sit
prorsus alienus ab eo qui hic denotandus est.
De diphthongo ai.
20 Ex a vocali cum i iuncta, alia prouenit
diphthongus quae nobis in primis necessaria
est & frequens, vtpote qua hae dictiones quae
sequuntur scribendae sunt. Ai : ouum, liai silex,
mai ramus, bal mirica, tai chorea, tafdCtt profi-
25 cisci, raln purus, maln puto, mafnen putare,
bait expecta, balen expectare, vlaien adulari,
eprafen spargere, seu stemere. Atque vt inter-
noscas difFerentiam inter kanc & praeceden-
tem diphthongum, confer inter se aferett / oua,
C 5 & aeeren /
23 Bi
Digitized by VjOOQIC
— 224 —
& aeeren spicae vel venae : balen expectare, &
baeen natare : laft duc, & laet mitte : lafcn duce-
re : & lacen onerare. Item bai mirica, & baet
odit : maicr prajtor, & maeet messor : vlafen adu-
5 lari, & vlaeen placentae. Quam ineptè vero
Galli passim vtantur hac diphthongo ai, vel ex
pueris nostratibus, qui Gallicum idioma in
scholis non loquendo sed de libris discunt, de-
prehendere possumus, quum Gallicè mais sed,
lo main manus, & similia pronuntiant, non vt
Galli, sed secundum vtriusque literaj a & 1 ve-
rum sonum, quum Galli non multó aliter pro-
nuntient main, quam nos quum meum, dici-
mus, vt nihil commune habeat cum a & i.
i5 De diphthongo au.
S E o v I T V R diphthongus au cuius so-
nus tam frequens & bene apud Latinos notus
est vt nihil hic de illa dicendum fuisset nisi no-
strates ab horum exemplo, atque adeo Gal-
20 lorum, desciuissent. Tametsi enim Latinè pas-
sim omnes rectè pronuntient aut & haud, quo-
rum prius in nostrate idiomate significat ve-
tus, alterum lignum vel nubit, tarnen pro aut scribunt
out / & pro baut / boubt per diphthongom ou, quam
25 exprimimus quum meretricem, vel . galerum
dicere volumus bout & bout : vbi rursum errant
nostrates quum pro his boer & boet scribunt, vt
latius dicetur quum de illis diphthongis singu-
latim agetur. Hac itaqwe diphthongo au scribenda
censeo
24 diphthongum
Digitized by VjOOQIC
— 225 —
censeo & ea quae dixi, & ista quai sequuntur,
6Cbau infumibulum, baut sagitta obtusa, vrau mu-
ller, trau fides, vau plica, quae postrema nonnuUi
per duplex vel triplex uw / ttouw & vrouw scri-
5 bunt, quum vnicum sufficiat. Turpius est quod
omnes pro nau dum nunc significat, scribant nu,
& pro au te, vel tuum, v. vnde factum memini vt
multi etiam prouecti dum Latinè legerent tu
& tuum, pronuntiarent tau & tauum : tanti re-
lo fert bene ab initio iuuentutem institui. Excusa-
bunt se sat scio quod ita, nempe per v scribunt
exemplo Flandrorum, sed nihil ad rem, quum
non pronuntient ut Flandri, & nos hic agamus
de scribendo recte idioma nostrum prout illud
i5 pronuntiamus, non vero vt Flandri illud pro-
nuntiant. Existimo enim (vt hoc obiter adijciam)
Flandrorum pronuntiationem magna ex parte
corruptam fuisse per pragmaticos, quos ex Gal-
lijs, quo causae eorum per appellationem deuolui
20 solebant, plurimos apud se verisimile est ha-
buisse, qui quum idioma Flandricuw (vt plevumque
fieri solet) ex libris & litium scripturis discerent,
& ad rationem literarum quibus perperaw scriptum
erat, pronuntiationem suam formarent, Tactum
25 est vt a primitiua atque antiqua illa pronuHtia-
tione paulatim desciscerent. Nihil enim aeque
potens est ad corrumpendum vel etiam plane immu-
tandum idiomata quam forum & iudicia, adeo sese
ad ea sensim populws omnis conformat, vt expe-
3o rientia apud nos abunde docet, vbi qui semel in
forum
Digitized by VjOOQIC
— 226 —
forum venit in illo illiusque idiomate plerum-
que consenescit, illucque tandem trahit & vi-
duam & natos, & qui nascuntur ab illis, adeó
sunt apud nos lites immortales. Sed quód ad
5 diphthonguw de qua agimus attinet, non omit-
tendum, diuersi generis illam esse. prseter eam
etenim qualis in superioribus dictionibus ex-
auditur, reperitur alia quse exilius quiddam
sonet, in his quae sequuntur dictionibus, nau
lo quum strictum vel angustum significat, ^au
cautum, Qxm cinericeum, blau caeruleum vel
caisium, öau rorem, & öaut rorat, quarum a su-
perioribus discrimen non aliuwde prouenire exi-
stimo, quAm vel ex diuersitate vocalis a quae-
i5 interdum crassius, vt apud Bruxellenses, in-
terdum exilius, vt apud Lonanienses profer-
tur, possetque altera ab altera commode di-
stingui his duobus characteribus a & a : vel sa-
ne ex diuersitate vocalis u quae etiam apud
20 Latinos nunc crassius nunc exilius proferri
solita est. In quo hic diutius insistere nolo, ne
nimis exactêL singulorum discussione nauseam
nostris hominibus pariam, quos si primüm 4
crassioribus illis nee ferendis erroribus reuo-
25 cauero abunde prsestitisse mihi videbor.
De diphthongo fi.
Ad exemplum eorum quae de ai, & au
diphthongis diximus iudicabimus de fi & fu.
29 Ac in primis per fi scribenda censeo quae no-
strates
14 quce 16 Louanienses
Digitized by VjOOQIC
— i2i7 —
strates communiter per duplex Q scrifaunt,
vel olim per simplex i scribere soliti sunt : quam
vocalem ita illos pronuntiasse conijcere licet,
quód dum ad Latina venirent, qufl dicerent
5 pro qui, & Marfia pro Maria. Sunt autem quse
puto, haec hisque similia, gb^f / m^f / 3f t / nt^fn /
3gin/quum tu, me, illa, meum, suum, dicere vo-
lumus. Item bfiten mordere, bglt morde, blfl
la^tus, Iffetl pati. Differt enim istud Ifietl a lafett
lo quum ducere & laccn quum onerare signifi-
care volumus. Sic illud bflt morde, differt a bait
expecta, & bact nata vel prodest.
De diphthongo ^a.
DiPHTHONGvs ^u Hon longius distat
i5 ab au quam a ab ^ : proinde ad eum modum
quo aut scribimus quum vetus significare vo-
lumus, sic fUt scribemus quum e vel ex dicere
volemus, <fe consequenter bfuteti extra. Houten
fistulae, bfuuel dyabolus, bfUCli venter, pgul
20 sordidus, btfuficn vti, vet3fumen omittere,
t^un seps, ctfupen repere, bfUdtet obscurum,
bfum pollex, b$U0 domus, VfU6t pugnus,
b^use canalis. Quam autem inscitè ha?.c scri-
pserint nostrates per u & y Graecum bUlJ6 do-
2 5 mus scribentes, facile conuincetur cum per
ea quae dicta sunt, tum per Gallos qui huys di-
cunt ostium, & suys sum, longe diuerso sono
quam hic de quo agimus. Non puto autem
quemquam futurum qui pertinaciter volet de-
fendere
19 diabolus
Digitized by VjOOQIC
— 228 —
fendere quod pro ^ut / quo diximus nobis si-
gnificari ex, recte hactenus scriptum sit vufit
vt a nonnuUis, vel vt ab aliis wt. Nihil enim
ineptius.
5 De diphthongo eu.
C^TBRVM non assentior ijs qui Lati-
nam diphthongum eu non adniodum dissi-
mili sono, atque eam de qua modo egimus pro-
nunciant, quum ea alium sonum postulet, non
lo dissimilem ab illo quem audis apud Gallos
dum peu parum, vel feu ignem, deux duo dicunt,
& quem apud nos audis in mculett molendi-
num, veulen equinus pullus, Xeuuen Loua-
nium, breucfien mulctse, treuren gemere. ^eur
i5 trans, vel ianua : veur ante, weurpen iacere seu
iactare, meulöer molitor, lieulber thorax co-
riaceus, veurdcb rana, 6Cbeut eiaculatio, geut
effusio aqusB, beudcb modestus, nett3 nasus. Ad
horum rationem vel non admodum dissimilem
20 pronuutiari debet Latinum heus. Item euge,
& Tydeus, non veró ita duriter vt plerique
faciunt quasi per f scripta essent, & non per e,
quod mollius quiddam sonat. Qusb abusiua
pronuntiatio etiam Germanos superiores in er-
25 rorem traxit vt per eu scribant eul ulula beu*
len vlulare & 0eul columna, quum pronuntia-
tio talis sit qualem per fu designari diximus,
qua proinde describi deberet.
De
20 pronuutiari
Digitized by VjOOQIC
— 229 —
De diphthongo oe.
QvoT vocali a vocales adiunximus , to-
tidem adiungemus vocali o triplicemque cum
illa diphthongum faciemus, oe, oi & ou, Per
5 oe plerique scribunt 30e sic, idque recte, cui
consimiliter scribenda sunt loe0 cautus, boem
arbor, boen faba, boet mors, broet panis, boet ca-
put, boecb altè, roet rubrun, broed siccus, 0Cboet
sinus, oer auris, moer aethiops. Ex quo duplex
10 patet nostratium error, & quód ex his plera-
que per duplex 00 scripserint, & quod hac
diphthongo eatenus abusi sint vt boer mere-
trix & boer rusticus scripserint; quum vel k
Gallis contrarium discere potuerant qui bour-
i5 des nugae & hour fori siue spectaculum, non
absimili sono scribunt. Taceo quód eadem
diphthongo etiam quae alterius soni sunt scri-
bunt, nempe boer quum terebruw, moert quum
homicidium significat, & similia, quae per dü-
20 plex 00 scribi debere, dictum est supra, vbi de
vocali o egimus. Sed & ex his cognoscere li-
cet quomodo & apud Latinos diphthongus
haec oe pronuntiari debeat.
De diphthongo oi.
25 QviE autem per diphthongum oe, & quae per
oi scribenda sint non melius dijudicabis quam ex
collatione dictionum . noet necessitas, quam per oe
scripsimus, & nolt nunquaw, quam per oi scriben-
dam aurium sensus praecipit : quemadmodum per oi
scriben-
4 OU. Per
Digitized by VjOOQIC
lO
— 23o —
scribendum est etiam ^enoit inuitatus, geboft
occisus, sonat enim istud Ooft exilius quiddam,
quam boet mors. Item beroit facultatibus exu-.
tus, bol foenum, vloi pulex, ftoi caula, mol pul-
cher, nol inuitus. Quod veró Galli & Flandri,
& hos secuti nostrates, haec & similia per y
Graecum oy scribunt nihil agunt vt aliquid
agant. frustra enim confugiunt ad Graecam
literam ipsis ignotam , quum ' domi habeant
qua possunt commodius sonum quem quae-
mnt describere.
De diphthongo ou.
DiPHTHONGVs OU è GalHs, quibus
non minus quam nobis frequens est, & scribi-
i5 tur & vsurpatur recte, vt dum clou dicunt cla-
uus, tour turris. bout extremum, foute tota,
bouter trudere, sous subter, goutte gutta. Ad ho-
rum exemplum scribere deberemus nostra
quae ad eundem sonum proferimus. vtpote
20 boun facere, bout galerus, mout animus, öOUt
bonus, vout pes, blout sanguis, vlout fluxus,
btoucb gerebat, bouue villa, bcbouuen egere,
0CbOun calceus; quorum pleraque nonnuUi per
oe scribunt pro dcboun 6Cboen; quum 6Cbocn scri-
25 bendum sit quum pulchrum dicimus : quod
rursum consueuerunt scribere per duplex 00,
0CbOOn quum nihil minus sonet quam quod
voluut, vt ex iam dictis satis clarum est.
De
8 Frustra — 19 proferimus, utpote
Digitized by VjOOQIC
— 23l -
De diphthongo ie.
I quoque cum e elegantem diphthongum
constituit ac nobis frequentissimam , qu^ qui-
dem in scribendo vtuntur nostrates, sed prae-
5 postere, vt etiam ante indicauimus , nempe
quum eum sonum indicare volunt, quem per
duplex ii scribendum diximus, vel etiam in-
terdum simplex i, vt in btfeuen epistolae, Ue*
gen mentiri, bclfeucn complacere, bfeneit ser-
lo uire, quse omnia simplici i scribenda sunt,
btftten/lfdcn/belfuen/bfnen : & si quid in his prae-
terea desiderari possit, nihil id aliud esse po-
test quam signum accentus acuti in vertice i.
Certè & huius diphthongi poterant nostra-
i5 tes a Gallis verum didicisse vsum quum scri-
bunt mien, tien, sien, meum, tuum, suum, bien
bene, hier heri, Pierre Petrus, ad quoruw etiam
exemplum animaduerti Flandros nonnullos
scripsisse Teutonicè pfetCC» non item reliqua :
20 verum nostrates communiter scribunt per du-
plex ee pcetcr / vt & reliqua omnia quse hac
diphthongo scribenda essent, abutentes inte-
rim eadem ad alium sonum, vt dictum est.
Censeo igitur ad exerwplum Gallorum scriben-
25 dum ^ nobis tien digitus pedis, bien crus,
bier dominus, mier plus, tier tener, len vnus,
0tlen lapis, tule duo, öleit nullus, 31e mare, lier
scala. Heren discere, wlenen plorare, sier valde,
smlefien flagitare, vllescb caro, adlen solus, lle*
3o nen mutuare, vle simultas, let iusiurandum,
D vries
Dialect. 17
Digitized by VjOOQIC
— 2^2 —
Vtiej timor, gicet spiritus, bie6t bestia, giet va-
dit, wiet scit, biet jubeo vel calidum. Caeterum
diphthongus haec interdum longa est, siue ex
e longa conflata, interdum breuis : cuius discri-
5 men non potes commodius accipere quam
coUatione harum duarum vocum biet quum
iube, & biet quum iubeo vel calidum signifi-
cat, vt posterius longum sit, quod propterea
scribendum censerem duplici ee, vel simplici
lo cui adderem, in signum accentum circumfle-
xum : sic cliet quum vestias significat breue est,
quum vestem longum. JSescbiét documen-
tum, öeciét paratus, gcvtiCBt metuendus lon-
gae sunt : Nisi mauis dicere istas quas longas
i5 diximus non diphthongo, sed duabus syllabis
constare, quarum prior corripiatur, quod hic
latius discutere nolo, sufficitque mihi osten-
disse quibus literis scribi debeant.
De diphthongo if.
20 DiPHTHONGVs 1^ tametsi tantum dif-
ferat a praecedenti quantum supra ostensum
est diiferre f ab e, nostrates tame/i eodem modo
scrlpserunt leetdsen & beert quum ocreas & fo-
cum dicunt, atque VïCC^cn en beer quum me-
25 tuere & dominus significant, nempe per du-
plex ee, quum tamen diuersissimi sint soni,
dvLoque postrema per ie scribenda esse demon-
stratum sit, & consequenter satis pateat. duo
priora per if scribenda, nempe lifcsen & bif tt*
3o Per eandem diphthongum scribenda sunt ^ifrne
liben-
i3 öeptitet
Digitized by VjOOQIC
— 233 —
libenter, fiffme nucleus, wigrt hosdes, pigrt
equus, dtiftt cauda, mfftlc merula, wfftMcb
dignus, Öufftd transuersus, jufftt gladius, Afftt
Martius; quod tametsi dififerat a mfftt mora-
5 tur, quod per duplex f^ scribendum est, tarnen
& hoc nostrates per duplex ee scripserunt.
De triphthongis.
Habbmvs & triphthongos , quas in aliud
tempus statueram differre, cum alijs multis
10 minutioribus , quod crassissima quaeque &
vnde reliqua minutiora dependent, discenti-
bus primum ofFerenda sint. Verum ne inge-
niosis, qui haec diligentius fortassis examinare
volent, desit materia minutiora illa per se discu-
i5 tiendi, de vna tantum triphthongo dicam,
quam vel rudiores eó minus reijcere poterunt,
quod t Gallis iamdudum recepta sit, tametsi
non censeam vt promiscue recipiamus, qui-
bus illos vsos inueniemus, sed cum delectu,
20 quum ratione constare dignoscemus. Sic. in
proposito, quum videmus illos scribere mouil-
ler, quum madefacere dicunt, quare non vte-
mur eadem triphthongo quum similem so-
num signare volumus? vt quum mouflien ami-
25 tam, boufen compedes, mottfen sollicitare vel
molestare, bouten galeros, boufUen carbo-
nes illos Leodienses, lioufen / vaccas dicimus.
Ad horum rationem nonnulla quae superius
per diphthongos scripsimus scribenda erunt
D 2 per
Digitized by VjOOQIC
- a34 -
W.
w
per triphthongos inserti tertii vocali; quod
tarnen studiosè ^ nobis dissimulatum est, quöd
existimaremus pro initio satis nos pr^stituros
fuisse, si ab assuetis erroribus reuocatos in rec-
5 tiore ac aperta via nostrates constituissemus,
vnde ipsi per se pergere possent.
De consonantibus.
Absolvtis his quae de vocalibus &
diphthowgis hactenus dicenda existimaui (mul-
lo ta enim prudens sciensque velut conniuenti-
bus oculis transeo» vtpote diphthongos ei &
lu, quae suum apud nos etiam locum habent,
cum alijs minutioribus , quód hoc libello ea
tantum tradere constituerim quae sint reliquo-
i5 rum velut fundamenta) postulat ordo, vt de
consonantibus aliqua dicam, atque de ijs obi-
ter tantummodo ea in quibus luce clarius no-
strates hallucinantur, quaeque viam parent ad
reliqua quae de illis ipsis in aliud tempus stu-
20 diosè difFero. Ac in primis ex varijs quae mihi
videre coHtigit scripturis depraehendo quidem
vix aliquem esse qui non iudicet afünitatem, ac
rursus differentiam quandam esse inter s & z,
sed qui illis per omnia rectè ac conformiter
25 vtatur, vidi neminem. Quin & docti conque-
runtur quod s in causa, risi, & similibus per-
peram passim pronuHtietur, ad eum scilicet mo-
dum quo nos cum safie causa, vel blascn flare
dicimus, quum potius proferendum sit sa in
causa,
Digitized by VjOOQIC
235
causa, vt in mensa, salus & ansa; & si in risi, vt
in sicut & simul; & sum in visum, vt in adsum.
Ad eundem modum quo supra contra recep-
tum nostratium morem blasen per 3 scripsi,
5 censeo, & alia multa scribenda, vtpote 3ac sac-
cus, 3Ctten ponere, sUn videre, 30011 filius, 30e
sic, 3ttncn conciliare, 3ttttr acidus, 3ff3eltten se-
ipsum, 3C3 sex (tametsi non admodum repu-
gnauerim si quis scribere malit 3e0) 3UCl0eii
10 vorare, 3eö0ben dicere, 3^0enen consecrare,
3ttfren iurare, 3altten vngere. 0e3alft vnctus,
3aan cremor, 3aat semen, 3ggt dicit, 3ittcn sede-
re, 30t fatuus, 3ant arena, 3aut sal. Vtque rectè
distinguas inter 3 & / confer inter se Latina
i5 sal, sat, sit, & seuum. cum nostris 3al quo futu-
rum, 3at saturum, 3iit vide, 3etten septem desi-
gnamus, & iudicabis facilè quae sint scribenda
per 3 quae per 0. Z enim nihil aliud re vera est
quam crassum s, vt b crassum p, d crassum t,
20 & V consonans crassum f, ad eum scilicet mo-
dum quo hactenus illud vsurpatum sit : quod
sanè (vt id quoque adijciam) contra ipsius v
naturam factum fuit. Tametsi enim consonans
fiat, non debet propterea ita planè primxuam
25 suam naturam perdere, non magis quam i quum
consonans fit (quam tune ad difFerentiam vo-
calis censerem scribendam longiusculè hoc
modo J) qjKe non adeó genuinum suum sonum
perdit, vt vix percipias vocalis sit an conso-
3o nans, nee passim vulgus Latinè loquens ad-
D j modüm
Digitized by VjOOQIC
— 236 —
modüm distinguat inter vtramque, promiscue
pronuHtians lesus, lacobus, iacio & ieci : Neqi/e
etiam re vera aliud vtriusque, scilicet dum vo-
calis manet vel in consonantem transit, discrimen
5 constituendum est nisi quod ex duabus syllabis
vna nempe ex ia fiat ja. Quae enim aliter ac du-
rius apud nos pronuntiantur, per z potius scri-
benda censerem, vt quum vulgus 3fa30n / 3iacop /
Sian / 5ff nne / hominum propria nomina pronun-
lo tiat non alio sono consonantium, quam qui au-
ditur in 3ie / & 3fet quum mare & valde dicimus,
& in Gallico desia quum iam signant, differente
vehementer sono ab eo quem audis quum ia
vel iagcn pro ita vel venari dicimus. Quam ean-
i5 dem rationem, nempe quam obseruari diximus in
i, dum vt consonans profertur, si obserues in v
(prout mihi obseruanda videtur) hoc est, si
duas syllabas quas audis in u i contrabas in vnam
audies eum sonum quem nostrates scribunt
20 per duplex w nempe w( / neque id adeo nouè,
quum poëtas illius seculi ad hanc rationem,
quamuis contrario modo, syllabas ex conso-
nanti hac v & vocali sequente contractas in-
terdum disiunxisse ac in duas diuisisse videamus,
25 dum soluit vt trisyllabum, euoluam vt quadri-
syllabum , ac persoluenda vt pentasyllabum
pronuntiarunt, nimirum ob similitudinem seu
affinitatem sonorum : vt non dubitandum sit
quin olim quum primum a latinis v pro con-
3o sonante vsurpari ccepit, in hunc quem dixi
modum
Digitized by VjOOQIC
— 237 —
modum, & ad exemplum i dum consonans
fit, prolata fuerit. Quod etiam arguunt pluri-
lïige dictiones quas per v consonans Latinè
scriptas, nos ab antiquo per duplex w scribi-
5 mus & ad verum quem dixi sonum pronun-
tiamus, vtpote vannus, vannare, vinum, vi-
cus, vaj, vespa, veile, verruca, verum, via, vie-
tus, ventus, vincere, viduus, voluptas, vulnus,
& vermis, pro quibus scribimus wan / wannen /
lo wgin / wgic / wie / weepe / willen / wgrte / waar /
wgcb / wiec / wint / winnen / weöuwe / welluet /
wanöe / weucm / quae eadem sunt vel non admo-
dum discrepantia a prsecedentibus Latinis,
prolato V ad eum sonum quo in Teutonicis
i5 duplex illud w. Quiantula enim est differentia
siue Latinae vinum & vicum dicas (modo sic
vt dixi proferas) siue Teutonicè wgin & WgiC /
vel wiin & wfic vt Flandri pronuntiant. Ac
proinde errore potius quam ratione wgin / vel
20 vt Flandri pronunciant wijn per duplex w
scribimus, scribendumque potius est viin per
simplex v, vt & ipsa dictat ratio. Relegandum
itaque nobis censes duplex illud w / vtpote
iam superfiuum atque adeó insulsum, nihilque
25 rationis in se habens, vtendumque loco illius
simplici v, sonandumq«e hoc quo dixi modo, vt
tandem ex nostro idiomate discat inuentus recte
Latina sonare. Verum quum ad denotandum
crassius illud f quod simplici illo v significare
3o solebamus, alia nobis restet querenda litera eam
D ^ adscisca-
27 iuuentus
Digitized by VjOOQIC
- 238 —
adsciscamus quse aptior sit, & commodlus
etiam nobis seruiat, quèm hactenus illud v.
Nam quum in extremo siue pro vltima litera
nonnullarum dictionum idiomatis nostri ha-
5 beamus sonum illum crassioris f, non potui-
mus ibi vti consonant! v, adeó absonum ha-
beretur illa claudere dictionem, veluti cum
n^t cognatus, item graat comes, & ie \>CCt
tremo, dicimus. Clarum etenira est quod in
lo nfft crassius quiddam audis quam in UffCeitB
iuxta, vel in Gallico nef nauis : Similiter in
graat quam in grat quum sepulchrum dicimus,
nempe retines crassum illud quod audis quum
ista pluraliter n^uen / dtauen / & illud in infi-
i5 nitiuo bcuen dicis : quod ipsum quum in tri-
bus his postremis per v consonantem scribis,
aequè in illis praecedentibus per eandem con-
sonantem scribendum, eaque dictiones ter-
minandse fuissent, nisi res ipsa seu potius rei
20 veritas adeó reclamasset. Non inuenio au-
tem quae commodior posset in hoc seligi li-
terae species & quae fini aeque atque principio
vel medio dictionis conueniat, ea qua vete-
res iEolas ad denotandum eundum sonum,
25 vsos fuisse existimo, nempe hanc, digamma-
tis inuersi J quae minus his aliena videri po-
test quod f inuersae speciem referat, quam va
prolata v trito hactenus more nuncupandam
censerem, quo scilicet sonus istius i melius
3o significetur, & facilius ab f distinguatur , va &
fa inter
Digitized by VjOOQIC
— 239 —
£a inter se conferendo. Hac nota seu litera J
scribenda censeo omnia quce crassum hunc so-
num habent (quur enim quae eundem sonum
habent non ijsdem literis scribamus) siue col-
5 lacanda veniat in principio, siue in medio, siue
in fine dictionis. Quae igitur superius posita
sunt vocabula hoc pacto scriberem n^J / 0taaJ /
ic bceJ/itfJen/graJen/ beden* Etad horum exem-
plum raad coruus, bffj fermentum, ^aaJ do-
lo num, baad bona mobilia, Jan ab, Jiir quatuor
vel ignis, JO0 vulpes, jabet pater, Jaac somno-
lentia, Jeel multum, Jfl pellis, Jol plenus, Jat
vas, jfUen excoriare, jfnben inuenire, Jansen
capere, Jfgen tergere, Ju^en accomodare,
i5 Juren vehere, Jlout fluxus, Jlouien fluere, Jloeën
pulices, 0CteeJ linea / crassius siquidem pronun-
ciatur qudm BCreet scribebat. Rursum quae du-
pUci huiusmodi w scribere solebamus, ea
omnia simplici v consonante scriberem, ve-
20 luti vaar vbi, vat quid, vele quod, vit albus,
voort verbum, vel bene, villen veile, vinben
venti, vel voluere, Vf 0en viae : vt vel hinc ap-
pareat quod superstitiose magis quam iudicio,
quae hoc sono vemacule pronuntiantur pro-
25 pria nomina, nonnuUi quum Latine verte-
rent, per gu potius, quèm per simplex v scripse-
rint, Guilielmus potius quam Vilhelmus.
Quin etiam veram huius consonantis v scri-
bendi rationem mulierculas ipsas passim ob-
3o seruare videmus solo sensu communi ductas :
D ^ quas
Digitized by VjOOQIC
— 240 —
quas tarnen puer, cum mihi primum sapere
videbar, ridere soleo, quód praeter consuetu-
dinem in aliorum scriptis obseruatam scribe-
rent, ignarus quam multa (vt inquit Comicus)
5 prauè fierent moribus, vt non immerito ob
haec & huiusmodi aliaque maioris momenti,
mos a doctis vhique saeuissimus tyrannus num-
cupetur. Quo dicto ad id quod tractamus tam
apposito, huic traclaui finera imponere sta-
10 tui, simulatqi/^ eos qui aliam rationem noue-
runt, qu^ hac in parte orthographiae nostri
idiomatis rectius consuli possit, praeter eam
quam hic demonstraui, illam vt impartian-
tur, bonique institutum & conatum
i5 meum consulant, obsecrare.
A PPENDIX.
Si cvi placeat secundüm prcescriptum d
nobis turn vocalium turn consonantium, quibus no-
20 bis opus esse demonstrauimus, numerum, alphabe-
tum quod pueris exhibeatur conficere, illud hoc qui
sequitur ordinCy non incommodè digerere poterit :
Aabckdgfeghijlmn
opqrfstvuxyz.
25 Qvonk^c coniunxerim, f uit, quod pro
eisdem habeam, ac proinde vtrunque ke appel-
iandum censeam. Liter am quoque g si non ga
appel-
Digitized by VjOOQIC
— 241 —
appellare libeat, saltem ad huius rationem pronun-
tietur ge, quod frustrd apud nos plerique vt sig-
nificent, scribunt per aspirationem ghe 6 inepte
Galli per u gue. Neqve video quid opus sü
5 consonantem z, preeter reliquarum omnium con-
suetudinem, duabus syllabis pro/erre zetsi; Proin-
de suffecerit si vnica syllaba vocetur ze.
Illis qui non adiecerunt animum ad La-
tina, non opus erit exhibere literas c 5 y.
lo Facile vero erit ex alphabeto vocales ex-
cerpere, nee non diphthongos, easque ordine quo su-
perius tractatae sunt digerere, vel (si id quis malit)
cuique vocali suas, hoc est, il las quoe ab ea initium
suum sumunt, subijcere diphthongos, quemadmo-
i5 dum in sequenti dictionum nostratium caterua,
quam ad vacuam chartam replendam subieci-
mus, d nobis obseruatum videre Heet : ex qua vel
sola pueri nostrates Ulam edocti rectè vernacu-
lum idioma scribere, & ad huius deinde imitatio-
2o nem Latinum rite proferre possent, admoniti in
primis vt in Latinis dictionibus vocales longas
ad eum modum pronuntient quo geminatoe hic
proferuntur, & reliquas deinde cüm vocales turn
diphthongos secundum superius explicatam d no-
25 bis rationem.
a at
6 proinde
Digitized by VjOOQIC
— 24^ ""
10
iS
20
a
at
edebat
bat
balneum
aa
aaa
is
baat
commodum
ae
aeeten
spicae
baet
prodest
ai
aieten
oua
baft
expecta
au
aut
senex
baut
sagitta
e
el
vlna
bftt
asser
?e
eet
iratus
b??rt
ardet
ei
fi0
'glacies
b?i
apud
«u
?ul
vlula
b^us
canalis
e
clc
quisque
brect
frange
ee
ccc
acetum
bcci
tremo
eu
eul
papaver
beul
tortor
i
ik
ego
bicbt
confessio
U
Ut
aliquid
biic
pinsebat
ie
i^ït>
terra
ftlftS
candela
ie
ierst
primum
bfe0t
bestia
op
super
bot
obtusus
00
ooct
quadrans
boot
offerebat
oe
OCBt
oriens
boem
arbor
oi
olt
vnquam
beroit
pauper
OU
ouuet
littus
bout
rusticus
oui
bottie
custodia
bouien
compedes
u
but
casa
btt0
pixis
uu
uur
hora
buut
preda
Tiat
2 ai
• — I6
(ewt
Digitized by VjOOQIC
— 243
lO
i5
20
a
Tut
felis
^al
valHs
aa
fuml
caluus
^aal
descendo
ae
firae
coruus
baelt
descendit
ai
Tiai
silex
bailt
partitur
au
Hatit
frigus
baut
premit
?
fingcbt
minister
btfC
stercus
W
fteei
guttnr
öeett
audet
ei
fidj
iurgor
ttlc
agger
?u
fl^Ql
fouea
Dfum
pollex
e
lielc
calix
t)ec
tego
ee
Heet
iurgabatur
bees
ista
eu
fieu3
electio
t)eur
ostium
i
fttet
cista
Die
crassus
U
Hifst
elige
bür
aniznal
ie
fiiftne
nucleus
bttf^td
transuersum
ie
Met
anfractus
biel
pars
Host
victus
t)op
trochus
00
flOO0t
eligebas
t)00l
erro
oe
ftoep
emptio
boet
mortuus
oi
ftoi
caula
boit
occide
OU
ftOQC
libum
bout
fac
oui
ftOQien
vaccae
bouie?
facis ?
u
flU0
osculum
buit
tenüis
uu
fiuur
curatio
buurt
durat
Ja0t
Digitized by
Google
_ 244 —
lo
i5
20
a
jadt
firmus
lat
assula
aa
draad
interrogo
laat
serum
ae
jaecm
uina
laet
mitte
ai
jail
vcnalis
Wt
duc
au
Jau
plica
lauter
merum
e
Jet
pinguis
lec
lingo
«
mt
procul
leed
viuo
ei
JfU
quinque
i?(
patior
«u
Jgul
sordidus
ifttt
chelys
e
jecbt
pugno
let
membrum
ee
deel
multum
lee3
lego
eu
deur
ante
leugen
mendacium
i
Jtócb
piscis
lidt
iace
ii
dlüd
musea
Hit
amica
i?
Jif röicb paratus
«ers
ocrea
ie
Jlfe^cb
caro
liet
taedium
dol
plenus
lot
laus
00
door
sulcus
lood
laudeo
oe
dloc
fugiebam
loet
plumbum
oi
dlof
pulex
lofcn
plumbata
OU
dlout
fluxus
louri6
stolidus
oui Jlouien
fluere
pouier
puluis
u
dnicbt
fuctus
put
puteus
uu
duurt
vehit
puur
purum
vat
Digitized by VjOOQIC
— 24$
lO
i5
20
a vat
quid
ac
saccus
aa vaat
vbi
saat
semen
ae vact
ventus spirat
saet
seminat
ai vai
pascuum
sai
dicebat
au vau
vellem
saut
sal
f v^cb
via
seu
idem
e? v??c
septimana
mt
dicit
fi Vfit
late
set
ipsa
fu v^ttten
Valterus
Sfucbt
sugit
e vet
lex
SCflt
die
ee vees
indicabat
seecb
modestus
eu reuil
odor
seuren
maculare
i vil
volo
Sftten .
sedere
ü vfU
rota
3«t
vide
i? vigrt
hospes
suigtt
gladius
ie vies
pupillus
Sier
valde
volt
lupus
SOt
stultus
00 voott
verbum
soocb
sugebat
oe voenen
habitare
00e
sic
oi vofnt
habita
toint
ostende
OU voufiec
fcenus
6noufi
lupus piscis
oui rottien
virgse
epouien
festmare
U VUtlBCt
1 optatus
snW
quaere
uu tuut
seuum
suur
acidum
I sac 22 sufit
Digitized by VjOOQIC
Jij":
tv-
Digitized by VjOOQlC
wm^.
BEATRIJS^.
Zooals bekend is, komt de bevallige mnl. « sproke »
Beatrijs slechts in één handschrift voor, nl. in den
perkamenten codex, die den Dietsche doctrinael en de
Heimlicheit der heimlicheden bevat, en op de Koninklijke
Bibliotheek in Den Haag berust (2). Naar dit hs. werd
zij tweemaal door Jonckbloet uitgegeven (3), en later
door Penon ook opgenomen in het eerste deel zijner
Nederlandsche dicht- en prozawerken (4).
Eenieder weet hoe willekeurig Jonckbloet, in zijne uit-
gaven van mnl. werken, de teksten behandelde; hoe hij,
onder voorwendsel ze te « zuiveren • naar de eischen der
grammatica », de lezing der handschriften op talrijke
(i) Oorspronkelijk was het mijne bedoeling enkel over een paar
plaatsen uit de Beatrijs te handelen. Om met zekerheid te werk
te gaan oordeelde ik het geraadzaam Penon's uitgave eens met
het hs. te vergelijken; het constatceren van allerlei niet vermelde
en moeielijk te verklaren afw^ijkingen heeft van lieverlede aanleiding
gegeven tot het bespreken van die uitgave zelf.
(2) Het hs. werd door Jonckbloet beschreven in de beneden te
noemen tweede uitgave van de sproke, blz. 39 en vlg. der Toe-
lichting,
(3) De eerste maal afzonderlijk, Den Haag, 184 1 ; de tweede maal
met den Carel ende Elegast, Amsterdam, 1859. Zie Petit, Bibliogra-
phie der Mnl. taal- en letterkunde, nr 483, a en c.
(4) Nederlandsche dicht- en proi^awerken, Bloemle:{ing uit de Ne-
derlandsche letteren, enz., door Dr G. Penon. Eerste deel (Groningen,
1889), blz. 349-377.
Dialect. 18
Digitized by VjOOQIC
^ è4è —
plaatsen zonder noodzakelijkheid veranderde. Het is over-
bodig dit nog eens aan te toonen door zijne twee uitgaven
van de Beatrijs met den tekst van het hs. te vergelijken,
en de door hem toegebrachte wijzigingen te bespreken.
Penon, in de Inleiding van het daareven genoemde
eerste deel zijner bloemlezing, blz. xvi-xvii, beweert
eenen tekst te geven in nauwer aansluiting aan het hs.,
en wijst op meer dan i3o verzen waar hij dit doet. Uit
eene vergelijking van zijne uitgave met het hs. is mij
echter gebleken, dat hij op nog menige andere plaats
den oorspronkelijken tekst juister had kunnen (en moeten)
weergeven. Ook Penon behoorde nog eenigszins tot de
oude school, en aarzelde niet de lezing van het hs. te
wijzigen, telkens hij daardoor een beteren tekst kon beko-
men. In hoeverre hij daarin gelijk had, moge uit de vol-
gende bladzijden blijken. In zijne uitgave geeft hij niet
aan in welke verzen hij van de lezing van het hs. afwijkt;
het zal daarom nuttig wezen, om na te gaan hoe en waarom
hij veranderde, te beginnen met al de door hem gewijzigde
plaatsen te vermelden. In de volgende tafel staat links de
lezing van het hs., rechts de tekst van den uitgever.
Hs. Penon
VS, 1 1 Dat ie die poente moet wel Dat ie te poente moet
geraken gheraken
19 hovesche en subtij 1 van hovesch ende subtij I
zeden van seden
21 ghelijct gelijct
22 zeden seden
35 tlicht en ornament tlicht ent ornament
49 Meneghe worpt si Meneghen
50 alst h' dunct goet als haer dinket goet
52 ghifte ghifte
53 Dadehijt niet biderminen rade En dade hijt en^.
Digitized by VjOOQIC
— MO -
Hs.
Penon
VS. 60
gheluux
ghelux
68
Hi doeter
Hine doeter
81
hoert
hort
84 Oetmoedelijc
Ootmoedelijc
91
Hi haestem
Hi haeste hem
l32
ene sekeren tijt
een sekeren tijt
i39
aventueren
aventuren
145
Dat niemen en sal wetê
Dat niemen 'en wete
i53
Te varen (infinit.)
Te varene
166
Sanders daghes ghinc hi
ghinc hi wordt ge-
in die stat
schrapt
169
Mantele en caproen groet
goet
171
Eïï na recht gevoedert wel
Elc na rechte enf .
172
Niemen en sach
Niemen sach
193
mettine (in het rijm)
mettinen
195
mettene
mettinen
2o3
Si knielde voerden outaer
cnielde vorden
224
Teene heelde
Tenen heelde
225
knielde
cnielde
220
nach en dach
nacht ende dach
236
hoert
hort
238
voer
vor
239
En iet segt u
ie
248
W' ome dat si daer die
Waeromme si daer
slotel hinc
die slotel hinct
249
Nu ghinc si dane dor den
danen wordt ge-
noet
schrapt
2S9
Doe
Doe
281
ziden
siden
292
Dat si he nyemen volghe en
saghe
en geschrapt
293
Doen begant te lichtene
Doet began
3oi
Ie ducht
Ie duchte
Digitized by VjOOQIC
— 25o — '
Hs.
Penon
PS. 3i4
Ghi en hebt aan mi niet v'sien
niet geschrapt
3i5
Dat ie u fel was
u geschrapt
343
beeten
beten
347
beeten op tfelt
beten op dat velt
355
talen (in het rijm)
tale
356
hoert die voghele inden dalen
hort .... dale
368
Ochtic u .... ghewaghe
Ochtics u ....
370
voer
vor
375
In weelden
In weelde
401
Si voren alsoe voert
alsoe verre vort
402
poert (in het rijm)
port
4o5
Dat siere bleven der jaren
Si bleven daer der
seven
jare seven
409
D' na
Maer na
4.8
D' si met
Daer si iet met
430
zeder
seder
433
Hets mi comen soe
Hets mi comen toe
437
D' ie mi trouwen toe vliet
mi in trouwen
439
mine ,ij. jonghere
mine jonghere
442
ziele
siele
456
seve
seven
465
seamelike sonden en die
seamelike sonden
zwaer
swaer
471
h* te loven
haer te love
477
Si was seven jaer metten
Si waser seven metten
man
man
481
Dierste .vij. jaer hebdi
Dierste jaer hebdi
ghehoert
ghehort
482
voert (in het rijm)
vort
485
Berouwennesse
Berouwenesse
502
Doghe Gods sijn mi v'borgen
Doghen Gods sien int
S17
Fonteyne
Fonteine
521
En hadden
Ende had
Digitized by VjOOQIC
— 25l —
Hs.
Penon
VS. 526
onghestroest
onghetroest
527
noy
noyt
538
moeghen
moghen
543
Nazaret
Nasaret
545 ghehoert (in het rijm)
ghehort
546
woert (id,)
wort
552
voer
vor
556
doer
dor
559
acht' dlant
achter lant
564
doer
dor
567
weduwe
vrouwe
569
Ruust u
Rust u
583
hem (voluit geschreven)
hen
611
tussche Elve en d'Geronde
der geschrapt
612
men niet vindê en conde
en geschrapt
621
voer
vor
626
hoven
oven
627
in groten gloyen
in so groten gloyen
647
Dat ghine ontfinc
ontfinct
663
Vrouwe
Here
687
voer
vor
694
voer
vor
697
doer
dor
703
gheweldechere
geweldech here
710
rumde covent
tcovent
713
ziden
siden
738
Soe maghic
Soe moetic
751
lichte (in het rijm)
lechte
7S7 ghi vint die doren op en
op ende geschrapt
wide ontdae
762
En mochte die zondersse
Mochte die sondersse
763
mette oghe wel sien
j^el geschrapt
783
En hadde mi Maria n3
En hadde si mi
v'beden
niet
Digitized by VjOOQIC —
— 252 —
Hs.
Penon
VS. 792
Maria hebbes danc
Maria vrouwe hebbes
821
Den h're die ons broeder
Die here die es onse
behoeder
844
zw'
swaer
845
Binne dien was die nacht
ghegaen
... nacht tegaen
848
Si nam doezeel
nam dat clocseel
849
tiden (in het rijm)
tide
85o
ziden (id.)
siden
852
quam
quamen
871
In can u niet vergronden
Ie en can u niet ver-
monden
881
in covent
in tcovent
895
om Gode
omme Gode
899
Die weduwe was vroe
was harde vroe
904
ghedoeghet (in het rijm)
ghedoghet
910
Voertmeer
Vortmeer
923 gheruchte (in het rijm)
gherochte
924
mochte
mochten
936
Een kint dat dochte haer
dat dochte haer wesen
doet
doet
944
bi sine ghebode
gheboden
957
Hets al verloren pine
Het al
980
Bepeinst u wel ende besiet
ende beliet
984 En ontdeden he al haer leven hem geschrapt
1020
Eer hi thuus weder wende
thuuswaert
1028
si worden twee goede man
tti^ee geschrapt
Van die ongeveer 120 afwijkingen geeft Penon geene
rekenschap in bovenvermelde Inleiding y blz. xvii, met
Digitized by VjOOQIC
— 253 —
uitzondering van die in de vv. ii, 248, 409 en 980(1).
Hoewel hij geenszins den lezer in den waan wil bren-
gen dat hij, behalve op die vier of vijf aangewezen plaat-
sen, overal elders den tekst van het hs. getrouw afdrukt —
dat mag niet afgeleid worden uit zijne woorden op blz. xvi
der Inleiding — toch had hij, ten minste van eenige der
overige tekstveranderingen, verklaring mogen geven. Im-
mers, bij een nadere beschouwing wordt het niet terstond
duidelijk waarom ze toegebracht werden, en zij behooren
ook niet tot de zoogenaamde « van-zelf-sprekende » ver-
beteringen.
I.
Uit bovenstaande collatie blijkt vooreerst dat het groot-
ste getal van Penon's wijzigingen enkel de spelling van
sommige woorden betreft, zooals waar hij b. v. ^a^aer
in swaer verandert, voer in vor, doer in dor^ fonteyne
in fonteine, enz. De oorzaak van die spellingafwijkingen
zal wel te zoeken zijn in een streven naar gelijkvormig-
heid; zooals andere tekstuitgevers, wilde Penon eenheid
brengen in de spelling van het hs. Of dat noodig was,
kan hier buiten bespreking blijven. Maar eenieder zal
toegeven dat, als men eens aan het normaliseeren gaat,
men logisch moet handelen, niet willekeurig hier en daar
de schrijfwijze van sommige woorden veranderen, en ze
(i) Ik laat onbesproken de zoogen. « verbetering » die hij op
VS. 378 opgeeft. Daar is, zegt hij, vore in voren veranderd (het
woord rijmt op vercoren van den volgenden regel). Als er nu op de
aangewezen plaats in de uitgave vore, en niet voren staat, zal dat
wel als eene vergissing moeten aangezien worden. Maar vermeld
mag het wel worden, dat die voorgewende verbetering er geene is;
het hs. toch heeft zeer duidelijk vore.
Digitized by VjOOQIC ^
— 254 ~
elders zonder eenige reden behouden. En dat juist doet
Penon, hoe ongaarne ook wij het constateeren.
In VS. 493 drukt hij fonteyne^ zooals in het hs. staat,
maar in vs. 517 verandert hij in f onteine. In vs. 84 leest
hij Ootmoedelijc, maar in vs. 53o mag de schrijfwijze
oetmoedichede blijven. In vs. 6o5 wordt Hen (= en, de
ontkennende partikel) behouden, maar de h van hoven ^
in VS. 626, wordt geschrapt. Moeghen wordt soms moghen
(b. V. VS. 538), maar elders weer niet (b. v. vs, 684
moeghedi). In de meeste gevallen vervangt hij de if, waar
een woord of eene lettergreep mede begint, door eene s
(het hs. heeft de twee spellingen, als b. v. swaer in
vv. i55, 222, naast {u^aer, vs. 465 en passim); doch in
vv. 388 en 522 laat hij pielen staan, waar hij, in vs. 442,
s[ieie in siele verandert. Evenzoo blijft :(ee in vs. 660, en
La^aruse in vs. 218, terwijl Na:{aret, in vs. 543, in Nasar et
gewijzigd wordt. In vs. 11 wordt gheraken gelezen, tegen-
over het geraken van het hs., en omgekeerd in vs. 21
gelijct, waar het hs. ghelijct heeft (evenals elders).
Niet beter is het met sommige andere wijzigingen.
Doer (voorzetsel) wordt op verschillende plaatsen in dor
veranderd (aldus o. a. vv. 5S6, 564, 697), maar doer
mag blijven in de vv. 572, 1014. — Voer (voorzetsel)
wordt evenzoo meestal door vor vervangen (b. v, vv. 238,
370, 552, enz.; zie bovenstaande tafel), maar tegen de
spelling voer van het hs. wordt geen bezwaar gemaakt
in de vv. 97, 286, 289, 3o6, 857, 94^- Waarom die ver-
schillende behandeling? — Nog erger gaat het met het
WW. hoor en; hoerde, hoert, enz, van het hs. worden
horde y hort, enz. op sommige plaatsen (b. v. vv. 81,
236, enz.), maar niet in de w. 332, 582, 587, 786, 85o,
953. Ja, in VS. 960 rijmt hoert op vermoert van den
vorigen regel, en zelfs in vv. 975-976 rijmt hoerde op
rvorde, terwdjl boven, in w. 545-546, de rijmen ghe-
hoert : woert door ghehort : wort vervangen werden.
Digitized by VjOOQIC
- 255 —
Men moet bekennen dat die tekstveranderingen wille-
keurig zijn. Gesteld dat Penon eenvormigheid in de
spelling wilde brengen, waarom is hij dan niet conse-
quent te werk gegaan? Heeft hij niet gezien dat, behalve
de eenige woorden waar hij de schrijfwijze van norma-
liseert, er zooveel andere zijn, die op verschillende wijze
in ons hs. geschreven worden? Zoo treft men, om maar
eenige voorbeelden te geven, segghen (o. a. vs. 26) naast
seggen aan (o. a. vs, 1Z2) \ jonghelinc (b. v. vs. 87) naast
jongelinc (K v. vs. 256) ; ghinghe (vs. 628) naast ginges
(vs. 678); scoenheide (vs. 184) naast scoenhede (vs. 24);
mieracle (vs. 6) naast miracle (vs. ioi3); sonderse (vs.
697) naast :[ondersse (vs. 762); enz. Penon laat dat alles
staan. Ook spellingen als deilen (=deelen), vs. 570; ook
de rijmen paerde : i^arde in w. 413-414. Daar heeft hij
trouwens volkómen gelijk in, want dergelijk gebrek aan
eenvormigheid in de schrijfwijze van de woorden is niets
buitengewoons; dat vindt men ja in alle handschriften.
Maar wat men moeielijk kan goedkeuren zijn bovengemelde
veranderingen, omdat zij niet alleen niet noodig waren
naast de elders bewaarde ongelijkvormigheid, maar op
willekeurige wijze toegebracht.
Op nog andere dan de tot dusver aangewezen plaatsen
heeft Penon onnoodig de spelling gewijzigd. Zoo is het
niet van doen mettenen van vs. 195 in mettinen te ver-
anderen; evenmin beeten van vv. 843 en 347 in beten^
en poert van vs. 402 in port. Even onnoodig is de ver-
andering van Teenen (voorz. te -f- lidw.) in Tenen , in
VS. 224 (vgl. in VS. 788 de spelling eene); van avontue-
ren, in vs. 139, in avonturen (het woord rijmt op sneren
van VS. 140; ofwel moest ^von/wer en blijven, ofwel sneren
ook in snren veranderd, om logisch te werk te gaan. Maar
alle wijziging is overbodig). — Rnnst n (imper.) in vs. 569
mag ook blijven; zie van Helten, Mnl. Sprkk,, § 8 ƒ ,
Digitized by VjOOQIC
- 256 —
en vgl. de spelling verteelt (d. i. vertelt van « vertellen »)
in VS. 964, welke door Penon behouden virordt. Best
ware insgelijks de genit. gheluux van vs. 60 niet in
ghelux te veranderen; de u laat zich hier wel verklaren,
zie MnL Wdb,^ II, 'i3oo, op gheluck, en vgl. de spel-
ling luude (= luidde) in vs. 849 (door Penon wederom
behouden), naast lude^ ludene, enz., in de vv. 193, 34,
en elders.
Slechts in zeer weinige gevallen laten wij den uitgever
aan den uiterlijken vorm der woorden iets wijzigen zon-
der hem te beknibbelen. Dat hij het geweldechere van
vs. 703 in geweldech her e verandert, is eene noodige
verbetering. Met een paar andere wijzigingen, nl. die in
de vv. 75i, 904 en 923, waar respect, voor lichte^ ghe-
doeghet en gheruchte Penon lechte, gedhoghet en ghe-
rockte leest, om aldus een zuiver rijm te bekomen op
rechte (vs. 752), ghesoghet (vs. 903) en mochten (vs. 924),
kan men vrede hebben.
Bij deze laatstgenoemde veranderingen in het rijm slui-
ten zich enkele andere aan, die weliswaar de spelling eigen-
lijk niet betreffen, maar gemakshalve hier toch vermeld
kunnen worden. Het geldt de rijmen talen : dalen, vv. 355-
356, en tiden : :{iden, vv. 849-850, door Penon tot tale : dale
en tide : siden gewijzigd, zonder dat men kan zeggen
waarom, want tegen de lezing van het hs. bestaat niet
het minste bezwaar.
II.
Nu komen wij tot de tweede soort van tekstverande-
ringen, nl. de eigenlijke verbeteringen van fouten (ten
minste naar Penon's opvatting). Dat er geen handschrif-
ten gevonden worden zonder schrijf- of andere fouten,
Digitized by VjOOQIC
— 2S7 —
staat vast; en dat wezenlijke fouten moeten verbeterd
worden zal eenieder toegeven. Maar meer dan eens ver-
andert men op te zwakke gronden; men blijft vaak het
bewijs schuldig dat de tekst van het hs. werkelijk eene
fout bevat. Al gaat Penon in het verbeteren van het hs.
met meer behoedzaamheid te werk dan andere uitgevers,
die overal zaken vinden die ^e ten onrechte meenen niet
in den haak te wezen, toch' heeft hij, naast sommige
noodige veranderingen, er verschillende overbodige toege-
bracht; ja, eenige schijnen zelfs heelemaal willekeurig,
want men kan er bezwaarlijk een verklaring voor vinden.
Met betrekking tot die soort van wijzigingen kunnen
wij gemakshalve drie gevallen onderscheiden : !<>) ofwel
geldt het storende schrijf- of taalfouten, die doof een
geringe verandering worden verwijderd; 2^) ofwel wordt
op even zoo eenvoudige wijze het metrum hersteld;
3**) ofwel eindelijk moet in de plaats van den overgele-
verden tekst, die geen gezonden zin geeft, iets anders
gezet worden, dat hem verstaanbaar maakt, en dat men
mag vermoeden nader te wezen tot datgene wat de dich-
ter zelf geschreven had (tekstcritiek in engeren zin). —
In die volgorde zullen wij Penon's verbeteringen bespre-
ken. Het komt er niet op aan dat tusschèn deze drie
reeksen van tekstverbeteringen niet altijd een scherpe
grens te trekken is, en wij soms tot de eene brengen
wat misschien juister bij eene andere behoort.
Tot de eerste reeks van gezegde tekstverbeteringen moe-
ten vooreerst een aantal veranderingen gerekend worden,
waar Penon eene fout tegen de verbuiging, de vervoe-
ging, de syntaxis of den vorm der woorden doet ver-
dwijnen. Tegen een goed deel daarvan valt niets te
zeggen; aldus wordt terecht, in vs. 456, seve in seven
veranderd, te varen, in vs. i53, in te varene, enz,
(Zie nog de verbeteringen in vv. 269, 3oi, 368, 409,
Digitized by VjOOQIC
— 258 —
526, 647» 7IO» 852, 88i, 924) (i). Onnoodig daar stil bij
te blijven. Eenige andere daarentegen verdienen nader
onderzocht te • worden.
Zoo wordt, in vs. 19, het praedicatief gebruikte adj.
hovesche in hovesch veranderd, gewis omdat een aldus
gebruikt bijv, naamw. onverbogen staat (aldus Stoeit,
SyntaxiSy § 89). Maar in een dergelijk geval komen som-
mige adj. wel voor met een onoorspronkelijken uitgang -e,
en met name ook hovesch. Vgl. Franck, MittelndL Gramm,,
§ 208, 2, en zie bij van Helten, Mnl. Sprkk., § 3i8,
eene lijst van allerlei aldus op e uitgaande adj, ; bij de daar
aangehaalde voorbeelden van hovesche zijn o. a. nog te
voegen dat van het Mnl, Wdb , III, 685, en Hildegaers-
berch, XLI, 177 {hoesche, door de uitgevers in hovesch
veranderd). Op grond daarvan late men ook hovesche
hier staan.
In VS. 52 w^ordt het meerv. ghiften in ghifte veran-
derd. Dat is natuurlijk onnoodig. Wellicht heeft Penon
de verkortingsstreep boven de e niet bemerkt, zooals hij
ook op een paar andere plaatsen daarop niet schijnt gelet
te hebben (zie boven, op bl. 253 de aanteekening on-
deraan over het vore van vs. 378, en vgl. beneden, bl. 260,
het gezegde over vs. 259). — Die onderstelling geldt echter
niet voor vs. 375, w:aar in weelden voluit staat geschre-
ven; zonder reden wordt dit in weelde^ terwijl het ende
in rusten, dat er in denzelfden regel op volgt, ongewij-
zigd blijft. — Evenzoo wordt zonder reden mettine, in
VS. 193 (rijmende op pine van vs. 194), tot tnettinen ge-
wijzigd. De vorm mettine is goed; vgl. MnL Wdb,^ IV,
(i) Sommige van die verbeteringen, b. v. die in vs. 368, zijn
eigenlijk van Penon niet, maar werden al vroeger door Jonckbloet
of DE Vries voorgeslagen. Wij maken daar echter geen onderscheid
in; daar Penon ze heeft overgenomen, hebben wij wel het recht
ook aan hem naar het gegronde er van te vragen.
Digitized by VjOOQIC
— 259 —
iS25 sqq. op mettene, — Ghebode van vs. 944 moet ook
niet in gheboden veranderd worden (de vorm is juist),
en evenmin meneghe van vs. 49 in meneghen; zie van
Helten, Mnl. Sprkk., § 373, en vgl. o. a. Velth., IV,
22, 6 : menige bracht si (een vermelde daad, nl.) in die
nojrse, — Nach eindelijk van vs. 228 mag ook wel blij-
ven; die bijvorm van nacht komt wel elders voor; zie
Mnl. Wdb., IV, 2063.
Men vraagt zich af waarom hem (= dat. plur.) van
vs. 583, dat voluit aldus geschreven staat, in ken ver-
anderd wordt, wanneer in vs. 404 he (ook dat. plur.) van
het hs. als hem gelezen wordt. Het hs. heeft overal hè,
dat nu eens in Penon door hen (b. v. vv. 56, 292, enz.),
dan weer in hem (b. v, vv. 404, 422) opgelost wordt,
waar wij nochtans met denzelfden nv. te doen hebben. —
Nog meer verbazing wekt de « verbetering » op vs. ^5y.
Het hs. heeft daar : Hets al verloren pine / Dat ghi enz.
(wat alleszins de goede lezing is); in onze uitgave wordt
dat : Het al enz.
Tegen het alst haer dunct goet van vs. 5o wordt be-
zwaar gemaakt; Penon verandert dunct in dinket; in vs.
344 laat hij Het dunct mi evenwel staan, en ook in
vs. 568 Mi dunct. Er is m. i. geen reden tot wijziging
in vs. 5o. Misschien gebeurde de verandering om eene
daling meer in het vers te hebben, zooals nog elders (zie
daarvoor beneden, bl. 263). Maar dat is al even onnoo-
dig. Terloops weze nog opgemerkt dat in hetzelfde vers,
alst in als veranderd wordt, zoodat de uitdrukking wordt :
als haer dinket goet. De tekst van het hs. levert noch-
tans geene moeielijkheid op, en als is zeer zeker geen
verbetering. — In vs. 91 wordt haestem gewijzigd in
haeste hem. Moet men hier volstrekt een verleden tijd
hebben? Neen. Zelfs al stond het praesens haestem tus-
schen andere ww. in den verleden tijd en tot denzelfden
Digitized by VjOOQIC ^^
— 260 —
zin behoorende, zou men het nog kunnen behouden,
want, zooals ieder weet, ontbreekt in het mnl. dikwijls
overeenkdmst van tijd (zie Stoett, Syntaxis, § 478).
Doch dat is hier maar schijnbaar het geval. Immers,
VS. 91 is op te vatten als vormende een voUedigen zin
op zich zelf, en dan is er natuurlijk tegen het gebruiken
van het praesens niets in te brengen.
Vs. 984 luidt aldus : Ende ontdecten hem al haer leven.
Door Penon wordt hem geschrapt, vermoedelijk wel om-
dat hij meende dat in ontdecten het pronomen al op-
gesloten ligt, zooals JoNCKBLOET Tccds in zijne eerste
uitgave bij dit vers had opgemerkt. De vraag is echter
of wij ontdecten niet moeten beschouwen als een zwak
imperfectum op -en? Een zoodanige vorm is zoo zeld-
zaam niet (zie van Hklten, Mnl. Sprkk., § 217). In dat
geval staat hem er niet te veel.
Als in VS. 259 Penon doe leest waar het hs. doen (doe)
heeft, is dat misschien ten gevolge eener onoplettendheid.
Wij hebben boven, bij het bespreken van vs. 52 al een
soortgelijke vergissing aangetroffen. In alle geval worde
de lezing van het hs. behouden. — Ten slotte moet nog
gewezen worden op de geenszins gewettigde wijziging van
recht in rechte in de uitdrukking na recht (= zooals het
behoort) in vs. 171,
Zooals men ziet, is geen enkele van de hier besproken
veranderingen noodig; overal mag men den oorspronke-
lijken tekst ongewijzigd behouden.
III.
Eene tweede reeks van tekstverbeteringen betreft die
veranderingen, waar de reden voor te zoeken is in een
poging om het metrum der verzen te herstellen. Soms
Digitized by VjOOQIC
*— 2éi --
stond, naar Penon's meening, te veel in dea regel om
hem met vier heffingen te scandeeren; vandaar de nog
al talrijke plaatsen waar hij een of ander woord, hetzij
in daling, hetzij in heffing, als overtollig schrapt.
Aldus worden weggelaten een of meer woorden die het
vers een heffing te veel zouden geven, in de regels 489,
465, 481, 1028. Doch in geen enkel van die gevallen
is de weglating noodig; al die verzen laten zich, zooals
zij in het hs. staan, zeer goed met vier heffingen scan-
deeren. Om maar als voorbeeld ééne van die plaatsen te
bespreken, nemen wij vs. 465, dat aldus luidt : Die sca-
melike souden ende die^u^aer. Penon schrapt ende die;
maar dit is niet van doen. Men scandeere aldus : Die
scdm(e)like sónden énde die !(wder; zie van Helten, Mni.
Versboun^, § 3i^. Dezelfde opmerking geldt voor de an-
dere aangehaalde verzen.
In VS. 249 : Nu ghinc si darten dorden noet, dat in
regel is, wordt danen geschrapt. Dat geschiedt om in het
VS. slechts drie heffingen te hebben, daar het volgende
en daarop rijmende vers er ook drie heeft. Elders nog
zullen wij Penon wijzigingen in het getal heflfingen zien
toebrengen om tusschen de op elkander rijmende regels
aldus symmetrie te bekomen; wij zullen dan het al of
niet noodige van die veranderingen bespreken (zie bene-
den, blz. 263-264).
Vs. 145 schijnt Penon ook te lang. Als men tot grond*
regel aanneemt dat op een heffing ten hoogste twee da-
lingen kunnen volgen, schijnt het inderdaad een weinig
moeielijk het vers, zooals het in het hs. voorkomt, met
vier heffingen te scandeeren : Dat niemen en sal wéten
in dit covént, Penon leest : Dat niemen en wete; maar
daar is, dunkt mij, een eenvoudiger middel om de over-
tollige daling tusschen wie- en ufé- te doen verdwijnen.
Men late de ontkenning (en) na niemen weg, zooals ove-
Digitized by VjOOQIC
— 202 —
rigens dat Penon elders na dit woord — hoewel daar zon-
der eenige reden — doet (zie b. v. w. 172, 292, en vgl.
daarover hier beneden). Tegen het gebruik van den indi-
cativus is er geen bezwaar (zie Stoett, Syntaxis^ § 5oi).
Om de w. 166 en 567 met vier heffingen te lezen,
schijnt het ook niet van doen Penon*s veranderingen er
te moeten in aanbrengen. Het eerste scandeere men
aldus : Sandersddghes [of Sdndersdaghfejs] ghinc hi in
die stat (men moet aldus ghinc hi niet schrappen); wat het
tweede betreft, het vervangen van weduwe door vrouwe^
zooals Penon doet, (waarschijnlijk om een daling minder
te hebben), is maar schijnbaar een redmiddel; immers,
weduwe kan zonder moeite als wéd(u)we gelezen wor-
den; zie VAN Helten, MnL Versbouw^ % 32, b.
In andere verzen weer waren te veel dalingen. Alzoo
schrapt Penon in vs. 471 de n van loven in de uitdruk-
king hoer te loven ende tér en ^ gewis om te kunnen lezen :
hder te lóve^^ende téren, wat echter heelemaal onnoodig
is; men scandeere léven end(e) téren (vgl. van Helten,
t, a. pL, § 3i, g). Andere soortgelijke wijzigingen waren
ook niet van doen; b. v. in vs, i32. waar tegen de alles-
zins goede lezing mi enen sekeren tijt seggen (Penon een)
niets in te brengen is; evenzoo in de vv. 172, 292 en
612, waar zonder de minste reden de ontkennende parti-
kel en geschrapt wordt (vgl. dat met het daareven besproken
VS. 145). Het is weliswaar twijfelachttg of Penon dat deed
om een daling minder te bekomen (er is er immers geene
te veel); maar is dat de beweegreden niet geweest, waar-
om gebeurde dan de weglating? — Waarom, vraagt men
verder, werden in de vv. 3 14-3 1 5 de woordjes niet en u
geschrapt, en in vv. 762-763 de woordjes en en weH
Was het niet om het vers in opzicht van metrum vloeien-
der, beter te maken, welke reden mag er dan voor ge-
weest zijn?
Digitized by VjOOQIC
— «63 —
Na die uitlatingen moeten eenige inlasschingen bespro-
ken worden. — In sommige verzen wil, door een kleine
toevoeging, Penon eene daling meer bekomen. Aldus in
de w. 871, 895, 1020, misschien ook in vs. 5o. Geen
enkele van die inlasschingen steunt op een eenigszins goede
reden. — Men begrijpt niet waarom onze uitgever in cdn
van vs. 87 1 in ie en cdn verandert, vooral als hij hetzelfde
in («r ie en) op een paar andere plaatsen van ons gedicht, nl.
in w. 399 en 582 (insgelijks aan het begin van den regel),
ongewijzigd laat. In vs. 871 hapert volstrekt niets aan den
zin noch aan het metrum ; evenmin in vs. 895, waar om door
omme vervangen wordt. In vs. 1020 is de wijziging van
thuus in thuuswaert eveneens onnoodig en zelfs willekeurig.
Vermelde veranderingen werden wellicht toegebracht om,
door een daling tusschen twee hefiBngen te plaatsen, het
vers vloeiender te maken (dit schijnt de eenige beweeg-
reden). Maar, buiten dat dit geenszins een voldoende
grond is, moet er op gewezen dat in zooveel andere
verzen twee heffingen onmiddelijk op elkander volgen,
b, V. w. 10, 20, 29, 38, 40, 5i, .67, 76, 80, enz.; waar-
om zou dat in de besproken verzen niet mogen zijn?
In de w. 401, 792 en 899 worden respect, de woorden
verre, vrouwe en harde (allen staande in heffing) inge-
lascht, en in vs. 347 wordt op tfelt in óp dat velt ver-
anderd, om aldus ook een vierde heffing te bekomen.
Volgens den tekst van het hs. zijn die verzen maar met
drie heffingen te lezen; doch daar zij op verzen met vier
heffingen rijmen, meent Penon dat zij er insgelijks vier
moeten hebben. Hij gaat daarbij van hetzelfde grond-
beginsel uit als VAN Helten, die in § i van zijn MnL
Versbouw als regel opgeeft : t De op elkaar rijmende
verzen hebben een gelijk getal heffingen ». Gaat het nu
niet aan ze volgens de hss. met een gelijk getal heffin-
gen te lezen, dan moet men op eene of andere wijze
Dialect. 19
Digitized by VjOOQIC
— 264 —
veranderen om de symmetrie te herstellen. Aldus van
Helten verder (t, a. pi., blz. 91), die nochtans zelf ver-
klaart vooralsnog geene zekerheid verkregen te hebben,
of wel eens bij uitzondering een vers, met drie heffingen,
en een ander, met vier, tot een paar werden vereenigd;
die dus, m. a. w., bekent dat hij nog niet weet of de
in het begin van zijne verhandeling afgekondigde regel
voor alle gevallen geldt of niet. Daaruit zou al volgen
dat wij niet noodzakelijk die evenredigheid overal moeten
hebben. En inderdaad schijnt het wel een weinig alsof
de regel vóór het genoegzaam waarnemen der feiten ge-
maakt werd, alsof de feiten den regel moeten volgen, en
niet omgekeerd. Weliswaar zegt van Helten nog (ibid,)
dat hem tot dusver « een geringe wijziging voldoende
[wasj om de evenredigheid te herstellen », maar het groot
getal plaatsen waar hij veranderen moet om aldus de
gewenschte toepassing te vinden, alsook de niet altijd
« geringe » wijzigingen daartoe noodig, schijnen eene
waarschuwing te wezen tegen het te angstvallig vasthouden
aan dien regel. Laat ons dan voorloopig maar aannemen,
tot latere nasporingen door middel van meer gegevens de
oplossing van dit vraagstuk zullen toelaten, dat verzen met
drie heffingen niet zelden door het rijm verbonden worden met
andere, waar er vier voorkomen. In de Beatrijs ook treffen
wij zoodanige gevallen aan, buiten de reeds boven vermelde;
aldus de vv. 3-4, 39-40, 77-78; 289-290; 431-432; 58i-582;
583-584; 659-660; 737-738(1). Sommige van die plaatsen
werden, vóór Penon's uitgave, al door van Helten te-
recht geholpen door omzettingen of anderszins {Mnl. Vers-
(i) JoNCKBLOKT, in zijnc tweede uitgave der Beatrijs, citeert nog
als verzen met drie heffingen, rijmende op andere met vier, de rijm-
paren 21-22; 227-228; 3i3-3i4; 353-354; 377-378; 691-692; 915-916.
Die plaatsen zijn echter in regel, d. i., elk vers van het paar heeft
drie, respect, vier heffingen.
Digitized by VjOOQIC
— 265 —
bouw^ blz. loi en 104); Penon behoudt daar nochtans
de lezing van het hs. Daarom begrijpt men nog minder
de inlasschingen in de aangehaalde verzen, waar met
even veel recht de oorspronkelijke lezing had kunnen
blijven. Vooral de verandering in vs. 347 is vreemd, als
men bemerkt dat juist hetzelfde geval voorkomt in vv. 449-
450 (respect. 3 en 4 heffingen), waar het aan dezelfde
uitdrukking op tfelt te wijten is. Waarom heeft Penon
ook daar de symmetrie niet hersteld?
Eindelijk blijven nog te bespreken eenige andere ver-
zen, waar Penon op andere wijze dan door schrapping
of inlassching het metrum in orde wil brengen. — Aldus
vooreerst vs. 35. Het hs. heeft : Si ghereide tlicht en
ornament. Penon leest : ent ornament. Er is geen bezwaar
ende te behouden, en er het lidw. bij te voegen ; men leze
dus : tlicht ende tórnamént. — Vs. 477 luidt aldus in
het hs. : Si was séven jaér metten man. Dat laat niets
te wenschen over in opzicht van taal en maat; het is
niet noodig met Penon te wijzigen in : Si wdser séven
métten, man, — Een soortgelijke verandering brengt de
uitgever aan in vs. 248, waar de oorspronkelijke lezing
van ; Waerómme dat si die slótel daer hinc^ omgezet wordt
in : dat si daer die slótel hinct(i). Dat is eveneens niet
van doen.
Ook in vs. 783 moet de tekst niet gewijzigd worden.
De regel laat zich goed met vier heffingen scandeeren :
Ende^hdd(de) mi Maria niet verbéden, Penon maakt daar
van : En hadde si mi niet verbeden. Niet alleen is dat
niet noodig wegens de metriek, maar ook bepaald te ver-
werpen; ende moet behouden worden, omdat het hier
« als, indien » beteekent, zooals vaak aan het hoofd van
een zin (zie Mnl, Wdb, II, 643 op ende).
(i) De verandering van hinc in hinct komt beneden ter sprake.
Digitized by VjOOQIC
— 266 —
IV.
Ten slotte blijven nog de tekstverbeteringen in engeren
zin ter bespreking over. Bij sommige daarvan, waaronder
enkele vóór Penon reeds door andere taalkundigen wer-
den voorgeslagen en door hem (meestal stilzwijgend) een-
voudig aangenomen, moeten wij niet stil blijven, omdat
het wezenlijk noodige verbeteringen zijn, die ieders toe-
stemming bekomen hebben. Aldus de wijzigingen in de
w. 68, 368, 409, 418, 437, 5o2 (i), 663, 852, 980. Ook
vs. II kunnen wij onbesproken laten; Penon zelf —
hoewel hij Jonckbloet's gissing in den tekst opneemt —
verklaart dat hij even gaarne de lezing van het hs. zou
behouden, daar zij ook eenen goeden zin geeft.
De overige veranderingen — een vijftiental — verdie-
nen een voor een besproken te worden.
Vs. 53. — Vóór dade wordt de negatie en gevoegd,
en niet geschrapt. Dat is niet noodig; de constructie laat
zich voldoende verklaren,
Vs. 169, — De « mantele ende caproen » groet van het
hs. worden bij Penon goet. Geeft dat een passender
beteekenis? Ik meen het niet. Groet schijnt mij hier het
juiste woord, door den zin gevergd, terwijl goet maar
een weinig beteekenende stoplap zou wezen. De dichter
drukt er op dat « mantele ende caproen » ruim waren;
zij moesten nl. dienen om er Beatrijs goed in te kunnen
(i) Als men de w. 5oi-5o2 in de volgorde leest waarin ze in
het hs. voorkomen, is de zinbouw eenigszins gewrongen. Men be-
komt een veel eenvoudiger en natuurlijker constructie, als men de
beide verzen in de omgekeerde volgorde plaatst. Het relatieve bijw.
daer wordt aldus door geen tusschenzin van zijn antecedent geschei-
den, en de aaneenschakeling der gedachten laat zich gemakkelijker
verklaren.
Digitized by VjOOQIC
— 267 -^
verbergen, zoodat, moest haar iemand op hare vlucht uit
het klooster ontmoeten, zij toch niet herkend zoude worden.
Vs. 171. — De lezing van het hs. is uitstekend; er is
geen reden om ende door eic te vervangen.
Vs. 248. — Met verwijzing naar het Mnl. Wdb., II,
1045, 1049 wordt in dit vers hinc van het hs. tot hinct
gewijzigd; aldus zou men een beter rijm hebben op
ghedinct van den vorigen regel. — Die verbetering is
onnoodig. Hinc is het imperfectum van het transit, han-
gen, welk Impft. zich hier wel laat verklaren, al paste
in het verband een praesens beter; het staat er nl. uit
rijmnood. Niet zelden gebruikt de mnl. dichter tegenw.
en verleden tijd dooreen, waar hij anders zijn rijm niet
kan bekomen; boven is al op het gebrek in de overeen-
stemming in de tijden van het ww. gewezen (zie blz. 260). —
Verdam, t. a. pi. van het Mnl. Wdb., had voorgeslagen
hinct te lezen, welke vorm het praesens van hengen,
causat. bij hangen, zou zijn. Doch, zooals verder uit het
Mnl. Wdb. zelf (III, 340) blijkt, heeft hengen — dat eerst
in het jongere mnl. opkomt — nergens de eigenl. betee-
kenis van « doen hangen, vastmaken », die hier door den
zin gevergd wordt. Ook gewaagt Verdam, op het woord
hengen, van de vroeger voorgestelde wijziging niets. Men
leze dus ghedinct : hinc. Dit is het eenig soortgelijke
rijm niet dat in de Beatrijs voorkomt, en het heeft ook
niets buitengewoons; in de beste mnl. gedichten treft men
er zulke aan (i).
(1) In de w. 269-270 luiden de rijmen : behoeft : genoech, Penon
verklaart (Inleiding, blz. xvii) daarvoor geen verbetering te vinden.
Zij is trouwens overbodig; wij hebben hier eenvoudig een halfrijm
(assonance). Misschien is het Penon ontgaan dat er ook op een
paar andere plaatsen dergelijk rijm voorkomt, nl. in w. 769-770
(latm : maken) en vv. 783-784 iverbeden : begheven). Maar oorspron-
kelijk zal er in vs. 270 wel iets anders gestaan hebben, want het
woord ghenoech schijnt in het hs. uit iets anders verbeterd.
Digitized by VjOOQIC
— 268 —
Vs. 293. — Het hs. heeft : Doen begant te lichtene int
oest. Penon verbindt dezen regel met den volgenden,
en maakt er een ondergeschikten zin van; hij verandert
dan : Doet began 52 seide. Dat is niet van doen.
Het vers 293 kan beschouwd worden als vormende een
zin op zich zelf; men zette er een punt achter. Ik weet
wel dat, twee verzen vroeger, de dichter al gezeid heeft
dat de twee gelieven vluchtten a soe verre, dat begon te
daghen » ; maar dat is geen bezwaar. In welk mnl.
gedicht vindt men geene van die onfraaie herhalingen?
Vs. 404-405. — De dichter verhaalt dat onze twee
gelieven in « een poert » gekomen waren; daer soe be^
quaemt kern wale, gaat hij voort, dat siere bleven der
jaren seven. — Penon zet een dubbel punt achter wale,
en maakt van vs. 405, dat hij wijzigt tot : Si bleven
daer der jare seven, een nieuwen zin. Waarom mogen de
twee regels niet verbonden blijven, naar des schrijvers be-
doeling? Hapert er iets aan de constructie, dan is er een
eenvoudiger middel om alles perfekt te hebben; men
verplaatse soe in vs. 404, en leze : Daer bequaemt hem
soe wale j Dat enz. Maar dat is eigenlijk niet noodig; de
tekst blijft even goed ongewijzigd.
Vs. 433. — Beatrijs zegt : « Hels mi comen soe / Dat
ie enz. Penon verandert soe in toe. De lezing moet
nochtans niet verworpen worden. Comen absolute en met
den derden naamv van het pron. person. is : « geschie-
den, gebeuren ». Zie Mnl Wdb III, 1726-1727, en vgl.,
voor de constructie, o. a. het aldaar aangehaalde voor-
beeld uit den Segh,, vs. 8937 : « Het sal so comen/ Dat
ie minen name wel sal nomen. »
Vs. 521. - Beatiijs maakt hier een toespeling op de
bekende Theophilus-lcgende. Zij zegt van dit personage :
Hi was der quaetster sonderen een,
Ende haddem den duivel opghegeven
Beide ^iele ende leven.
Digitized by VjOOQIC
— 469 —
Penon leest eenvoudig hady waardoor heel het vol-
gende vers voorvrerp wordt bij had opghegeven. Kan men
echter het pronomen niet laten staan, en den volgenden
regel opvatten als de nadere verklaring van hem = !(ich
(d. i. nl. zoowel ziel als ^ lichaam) ? Men zou dan het
vers 522 tusschen haakjes kunnen plaatsen.
Vs. 527. — Ten onrechte verandert hier Penon nojr
in nojrt. Wij hebben hier het bijwoord van tijd niet,
maar dat van voorstellingswijze : node (vgl. Mnl. Wdb,,
IV, 2470 op node)» Er is geen moeielijkheid in den tekst,
vooral als men vs. 527 leest alsof het tusschen haakjes
stond. De woorden Vrouwe, ghedinct enz, maken eene
tegenstelling uit, niet met In wat leven ie nojr was, maar
met de vv. 525-526 : Al bénic een besondech wijf, enz.
Vs. 611. — Daar wordt melding gemaakt van cloesters
die, zegt de tekst, staen tusschen Elve ende der Geronde,
De uitgever laat het lidwoord voor Geronde weg. Het
moet ex weliswaar niet staan, maar nu het er staat,
hebben wij het recht niet om het te schrappen. Zie
Stoett, Syntaxis, % 239, 2» Aanm,, en vgl. het daar
aangehaalde voorbeeld : Tusschen Dunauwe enten Rijn,
waarin juist hetzelfde gebruik van het lidwoord voor-
komt. Is er dan, in grammatisch opzicht, geen bezwaar
tegen den tekst, ook wat de metriek betreft is ons vers
in orde, want het laat zich zonder moeite scandeeren.
Vs. 627. — Beatrijs gevoelt berouw over hare zonden ;
zag ik, zegt zij, vs. 626,
a enen hoven heet
Die in groten gloren stonde.
Dat die vlamme ghinghe uten monde,
Je croper in met vlite,
Mochtic mier sonden werden quite» »
Na in van vs. 627 lascht Penon so in. Dat is geen
noodige verbetering. De tekst mag behouden worden zoo-
Digitized by VjOOQIC
— ajo —
als hij is; immers so kan wegblijven voor het consecu-
tieve voegwoord dat. Zie MnL Wdb., II, 87, 80 en vgl.
de aldaar aangehaalde voorbeelden. Zie ook Stobtt, Syn-
taxis, § 352.
Vs. 845, — Het hs. heeft : Binnen dien was die nacht
gheghaen / Dat enz. — Door Penon wordt ghegaen in
tegaen veranderd. Waarom? Er is geen bezwaar tegen de
lezing van het hs. ; gaen beteekent hier komen tot een
\eker tijdpunt; vgl. Mnl, Wdb., II, 881. De beteekenis
is : Intusschen was de nacht gekomen tot dit tijdpunt
waarop het uurwerk a begonste te slaen », en daardoor mid-
dernacht aankondigde. Ofwel vatte men gaen eenvoudig
op als « weggaan, verdwijnen » : de nacht was al zoo ver
weg, dat, en!{. De constructie is dezelfde als in de daar-
even besproken regels 627-628.
Vs. 848. — Aan het vers hapert iets. Si nam cloc\eel
biden inde, staat er in het hs. In plaats van dat voor cloc\eel
in te voegen, zooals Penon doet, leze men eenvoudig namt.
Vs. 871. — Tegen vergronden van het hs. wordt be-
zwaar gemaakt, en Penon vervangt het door vermonden,
d. i. a vertellen, mededeelen, zeggen », dat overbekend is,
en ook een weinig verder, vs. 916, , voorkomt. Mij dunkt
dat vergronden nochtans zou mogen blijven. Het beteekent
hier zooveel als o tot in den grond uitleggen, d. i. geheel en
al, in bijzonderheden mededeelen ». Voor deze beteekenis
kan ik tot nog toe geen ander voorbeeld aanwijzen, maar
is dat een voldoende reden om te ontkennen dat het dien
zin kan hebben ? — Vergronden immers is (zie o. a.
OuDEMANS en Glossar. Lekensp.) « peilen, uitvorschen, door-
gronden » ; met den dat. van den persoon verbonden, zooals
hier, wordt dat : a voor iemand uitvorschen, peilen » , waar-
uit zich gemakkelijk de beteekenis van t verklaren, uit-
leggen » ontwikkeld kan hebben.
Vs. 936. — In het hs luidt die regel : Een hint, dat
Digitized by VjOOQIC
— 271 —
dochte haer doet. Na haer voegt Penon er tvesen in.
Dat is m, i. onnoodig. Dunken wordt even goed zonder
als met de onbepaalde wijze tot aanvulling van het begrip
gebruikt; er moet dus niets gewijzigd worden. Misschien
heeft er Penon enkel wesen bijgevoegd om aldus eene hef-
fing meer in het vers te tellen, daar de vorige regel
stellig met vier heffingen moet gelezen worden. Dit vers
zou dan behooren tot de plaatsen reeds boven, blz. 263-5,
besproken. In alle geval is de inlassching overbodig; zooals
het in den tekst staat, kan het ook wel met vier heffingen
gescandeerd worden, als men volstrekt de symmetrie wil
hebben.
Uit bovenstaande op- en aanmerkingen zullen wij liefst
niets afleiden. Het is al voldoende, als er, eens te meer,
uit blijken mocht dat men niet te veel zorg kan besteden
aan het getrouw weergeven van de lezing der handschrif-
ten ; dat alle veranderingen nauwkeurig dienen aangegeven
te worden; dat men niet te voorzichtig kan wezen in het
verbeteren van zoogen. « fouten ». Terecht heeft men ge-
zeid, dat de groote meerderheid van critische verbeteringen
veroorzaakt zijn door onze onkennis (F. Bonebakker, Van
Sente Brandane, Inleiding, blz. xv). En hoezeer ware het te
wenschen, dat wij van alle mnl. teksten vertrouwbare
uitgaven hadden I
C. LECOUTERE.
December 1899.
Dialect. 20
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
De Noordnederlandsche Tongvallen. Atlas van Taai-
kaarten met tekst, uitgegeven door het Kon, Neder l.
Aardrijkskundig Genootschap y met ondersteuning van de
Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden en het
Prov, Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschap^
pen en bewerkt door D' J. Te Winkel, Hoogleer aar te
Amsterdam. Aflevering L Brill, Leiden. 124-32 bladz.
met kaart.
Deze i**e aflevering bevat eene Inleiding, waarin de
schrijver een historisch overzicht geeft der pogingen sedert
i852 aangewend om de onderneming van den Atlas der
Nnl. topgvallen tot stand te brengen, en aldus de prijs-
vraag, den 17 Juni i852 door de Maatschappij der Nederl.
Letterk. gesteld, ten minste gedeeltelijk te beantwoorden.
Verder licht Schr. ons in over het plan van de geheele
onderneming. Het materiaal van zijn werk is ontleend aan
de antwoorden die door een aantal bevoegde personen
uit alle gouwen van Noord-Nederland geleverd werden
op de vragenlijst door den H. Te Winkel zelf opgesteld.
Want Schr.'s onderzoek slaat op al de Nnl. dialecten,
zoowel op de Saksische en Friesche als op de Franki-
sche. De teekens waardoor hij de klanken der verschil-
lende tongvallen zoekt weer te geven zijn deels aan de
NI. spelling ontleend, deels door hem zelf opgemaakt.
Het phonetisch beginsel wordt niet gehuldigd : zoo staat
b. V. oa (of ao bij mindere ronding) voor den klank van
*t Eng. call; e en 1 kunnen ook, zoowel als 9 voor de
onduidelijke vocaal staan, enz.
De Atlas is op de volgende wijze ingericht : uitgaand
van 't Oudgerm. dat in 't geheel 14 klinkers en twee-
Digitized by VjOOQIC
— 274 —
klanken bevat, zal de H. Te Winkel cartographisch de
verschillende klanken aanwijzen die in de verschillende
tongvallen aan ieder der Oudgerm. vocalen en diphthon-
gen beantwoorden ; d. w. z. dat aan 't vocalisme alleen
der Nnl. tongvallen een veertiental afzonderlijke kaarten
zullen gewijd worden. Bij iedere kaart wordt een tekst
gevoegd die, volgens de prijsvraag van i852, het aan-
gewezen spraakverschil taalkundig uiteenzet. Na *t voca-
lisme komen de consonanten aan de beurt, daarna de
verbuiging, de vervoeging, de lexigraphie, dit alles op
dezelfde wijze uitgewerkt. Eindelijk wanneer « al deze
onderdeden onderzocht en zooveel doenlijk in kaart ge-
bracht zijn, dan moeten de grenzen der tongvallen zelf
worden voorgesteld en zóó op eene kaart worden afge-
beeld, dat tevens hunne onderlinge verwantschap blijkt.... »
Hier hebben wij nu de eerste kaart met voorafgaande
toelichting. Aan de Oudgerm. lange ae of NI. lange a
gewijd. De tekst bestaat uit twee hoofdstukken, 't Eene
omslaat de hoofdschakeeringen der lange a en bepaalt de
verschillende gewesten waartoe ze behooren, 't ander han-
delt over den umlaut der lange a en duidt eveneens de
streken aan waar die vocaal door den umlaut deze of
gene wijziging heeft ondergaan. Als bijvoegsel dezer afle-
vering treffen wij het artikel aan dat onder den titel van
Bijdragen tot de kennis der Nnl, tongvallen in het Tijd-
schrift voor Nederl. Taal en Letterk. 1898 verscheen.
Aangaande de Oudg. lange ae bespreekt dit bijvoegsel
zekere taalfeiten, die te veel ruimte in den tekst van den
taalatlas zouden ingenomen hebben.
De gekleurde kaart die de aflevering besluit is met
veel zorg opgemaakt en laat niets te wenschen over.
L. G.
Digitized by VjOOQIC
— 275 —
Leven en Werken van Jonker Jan Van der Nooti
door AuG. Vermeylen. Proefschrift bij de Faculteit van
Wijsbegeerte en Letteren der Vrije Hoogeschool van
Brussel aangeboden ter verkrijging van het speciaal doc-
toraat, Antwerpen^ De Nederlandsche Boekhandel^ 1899.
Jan Van der Noot « de eerste nederlandsche Renais-
sance-dichter , een der kenmerkende, een der schoonste
verschijningen onzer lyriek » zooals Schr. hem noemt, is,
niettegenstaande de hooge waarde zijner werken, zeer
langen tijd vergeten gebleven. De geschiedschrijvers on-
zer letterkunde hebben hem onverdiend verwaarloosd en,
slechts vóór weinige jaren, heeft men hem eindelijk
o opnieuw ontdekt ». De H. Vermeylen wenscht den
XVIdc eeuwschen dichter de plaats terug te schenken die
hem in de evolutie onzer dichtkunst toekomt. Daarom
wijdt hij hem deze zoo goed • als volledige studie. Het
boek hancfelt achtereenvolgens over de Renaissance, haar
opvatting en bepaling, haar invloed op de poëzie en in-
zonderheid op de Vlaamsche poëzie ; het hangt een tafereel
op van de omstandigheden waarin V. d. N. verschijnt,
bespreekt ieder zijner werken ten opzichte van vorm
en gehalte en toont ons aan in hoeverre hij in zijne
gedichten vreemde — vooral Fransche — invloeden heeft
ondergaan en tevens, zijn Vlaamsche natuuraanleg ge-
trouw, oorspronkelijk is gebleven. *t Onvangrijk eindkapi-
tel van deze monographie voert tot titel Kunst en invloed
van J. V. d. JV. De H. Vermeylen bestudeert er V. d. N.
als mensch — want a na de onpersoonlijke Rederijkers
is V. d. N. een individu. Heel bepaald zien wij zijne
trekken, vatten zijn eigen geestesleven » — als dichter,
als schrijver en versificator, en weidt eenigszins uit over
zijne werking, alsook die van andere Vlamingen op de
wordende dichtkunst der Hollanders : « zoo autochtoon
Digitized by VjOOQIC ^ -
— 276 —
zegt Schr., is de hoUandsche l^^ eeuw niet en in Vondel
zelf vinden we de vlaamsche natuur zoo volledig uitge-
sproken ».
De bladz. 143-169 bevatten eene nauwkeurige BibliO"
graphie van V. d. N/s schriften alsmede een aantal nota's
die Schr. verkozen heeft reeksgewijs onder den titel van
Aanmerkingen op *t eind van zijn boek te laten drukken.
De typographische uitvoering van dit werk is met veel
smaak verzorgd en doet eer aan drukker en uitgever.
L. G.
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC
Digitized by VjOOQIC ■— ^
Digitized by VjOOQIC